Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
C/09/585056 / FA RK 19-9283
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek moeder om vervangende toestemming verhuizing en wijziging school van de twee minderjarigen afgewezen vanwege ontbreken noodzaak en daarnaast ondergeschiktheid aan het zwaarwichtige belang van met name de vader en zoon op behoud van de huidige situatie. Wijziging hoofdverblijfplaats minderjarigen conform verzoeken beide ouders. Vastlegging overeengekomen zorgregeling voor dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-9283

Zaaknummer: C/09/585056

Datum beschikking: 8 april 2020

Gezagsuitoefening

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 10 december 2019 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. C.M. Schouten te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch te ‘s-Gravenzande

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

De minderjarigen [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 7 februari 2020 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun advocaten, de heer

[naam medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Op de zitting is aan de vader en de moeder de gelegenheid geboden om een mediationtraject te volgen, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. De beide ouders hebben ter zitting aangegeven van deze mogelijkheid gebruik te willen maken. Een beslissing op de voorliggende verzoeken is aangehouden in afwachting van het resultaat van de mediation.

Bij F9-formulier van 16 maart 2020 hebben beide partijen bericht dat de mediation zonder overeenstemming is beëindigd.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een reguliere zorg- en contactregeling met de man vast te stellen, althans te wijzigen
Voor [voornaam minderjarige 2] :

• een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondagavond na het eten om 20.00 uur, uitgezonderd de weekenden dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd speelt;

• in de weekenden dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd speelt zal [voornaam minderjarige 2] zal 2,5 uur voor aanvang van de wedstrijd bij de vrouw zijn en de rest van het weekend bij de vrouw verblijven;

• een woensdagavond in de twee weken van 17.30 tot 20.00 in het geval er dan een bezoek wordt gebracht aan de opa en oma van [voornaam minderjarige 2] (de moeder en stiefvader van de man); wordt er geen bezoek gebracht aan de opa en oma van [voornaam minderjarige 2] (de moeder en stiefvader van de man) zal [voornaam minderjarige 2] bij de vrouw blijven;

Voor [voornaam minderjarige 1] :

• een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondagavond na het eten om 20.00 uur;

• in de weekenden dat [voornaam minderjarige 1] bij de vrouw verblijft en [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd speelt op de zaterdag of op zondag, 2,5 uur voor aanvang van de wedstrijd tot na afloop van de wedstrijd;

• in het geval [naam voetbalclub eredivisie] op doordeweekse dagen een thuiswedstrijd speelt, 2,5 uur voor aanvang van de wedstrijd tot na afloop van de wedstrijd, mits het schoolwerk het toelaat, steeds in onderling overleg met [voornaam minderjarige 1] te bepalen;

subsidiair, in het geval de rechtbank de wijziging van de school van [voornaam minderjarige 1] naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] afwijst:

• Door de week: verblijf bij de man gedurende drie dagen, per schooljaar/kwartaal af te stemmen met de lestijden op school en met de sportactiviteiten.

• In de weekenden: een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend.

2. haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met de kinderen naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] , met ingang juli 2020 (in de zomervakantie 2020, voorafgaand aan het nieuwe schooljaar);

3. haar vervangende toestemming te verlenen voor de wijziging van de scholen van de kinderen naar scholen in de omgeving [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] , met ingang van het schooljaar 2020/2021;

4. de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 2] bij haar te bepalen;

De moeder doet haar verzoek betreffende de reguliere zorg- en contactregeling steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt – waar rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - :

1. te bepalen dat de reguliere regeling zoals deze tussen partijen had te gelden tot november 2019 wederom heeft te gelden voor beide minderjarigen:

week 1: beide kinderen verblijven/overnachten bij de man dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag en zondag.
week 2: beide kinderen verblijven/overnachten bij de man dinsdag, woensdag en zondag.

subsidiair: een reguliere zorg- en contactregeling met de man vast te stellen, althans te wijzigen voor [voornaam minderjarige 2] :

- een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur; en
- iedere woensdag van 17:00 uur tot 20:00 uur;

2) de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] bij de man te bepalen.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 2003 tot 8 [datum echtscheiding] 2014.

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
    - [volledige naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
    - [volledige naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] .

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uit.

  • -

    Bij de echtscheidingsbeschikking van [datum beschikking] 2014 van de rechtbank Amsterdam is
    de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] bepaald bij de moeder en de hoofdverblijfplaats
    van [voornaam minderjarige 2] bepaald bij de vader.

- In het kader van de echtscheiding hebben partijen op 26 juni 2014 gezamenlijk een
ouderschapsplan opgesteld, welk ouderschapsplan deel uitmaakt van de
echtscheidingsbeschikking. In Bijlage I van het ouderschapsplan is de tussen
partijen overeengekomen zorgregeling opgenomen, welke zorgregeling neerkomt op
een co-ouderschapsregeling;

- De afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan zijn ten aanzien van [voornaam minderjarige 2]
met ingang van 26 oktober 2019 gewijzigd, in die zin dat [voornaam minderjarige 2] sindsdien bij de
moeder is gaan wonen en zij één weekend per twee weken van vrijdag na school tot
zondag 17.00/17.30 uur bij de vader verblijft. De vakantieregeling zoals opgenomen
in het ouderschapsplan is ongewijzigd.

Beoordeling

Verhuizing en wijziging school

De moeder heeft aangegeven te willen verhuizen naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] omdat zij daar met haar huidige partner, [voornaam partner] , wil gaan samenwonen. Volgens de moeder is het noodzakelijk dat zij naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] verhuist. [voornaam partner] is vanwege de gedeelde zorg voor zijn twee dochters (van 18 en 15 jaar oud) gebonden aan [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] , nu hij sinds 2012 een co-ouderschapsregeling heeft met zijn ex-echtgenote die op fietsafstand van hem woont. Verder geldt dat de moeder en [voornaam partner] een groot sociaal netwerk hebben opgebouwd in [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] terwijl [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet geworteld zijn in [woonplaats] en daar geen sociaal netwerk hebben. De relatie van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met (de kinderen van) [voornaam partner] is heel goed. De moeder acht het van belang dat haar kinderen in een gezinsverband opgroeien waarin sprake is van een liefdevolle partnerrelatie. Op de zitting heeft de moeder nog benadrukt dat zij, sinds [voornaam minderjarige 2] bij haar woont, minder vaak alleen bij [voornaam partner] in [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] kan zijn omdat zij [voornaam minderjarige 2] onder de huidige omstandigheden niet iedere keer kan (en wil) meenemen daarnaartoe, en dat dit haar relatie met [voornaam partner] beïnvloedt. Volgens de moeder weegt haar belang om samen met de kinderen naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] te verhuizen zwaarder dan het belang van de vader om de toestemming voor deze verhuizing te weigeren. De vader zal ook na de voorgenomen verhuizing in staat zijn een goede band met beide kinderen te onderhouden, aldus de moeder. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] geldt in dit verband dat de zorgregeling zoals die thans geldt goed vanuit [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] te realiseren is. Voor [voornaam minderjarige 1] zal volgens de vrouw dezelfde zorgregeling als die van [voornaam minderjarige 2] moeten gelden, nu zij het van belang vindt dat beide kinderen zo veel mogelijk samen opgroeien. De moeder biedt compensatie aan, in die zin dat de zorgregeling van [voornaam minderjarige 1] kan worden uitgebreid met de zaterdagen dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd speelt.

Door de vader wordt betwist dat de moeder een noodzaak heeft om te verhuizen. Daarnaast stelt de vader dat zij de gewenste verhuizing naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. Volgens de vader zal de huidige invulling van zijn vaderrol ingeval van verhuizing ernstig worden beperkt, terwijl partijen ten tijde van de scheiding heel bewust hebben gekozen voor gelijkwaardig ouderschap. De vader wil ten aanzien van beide kinderen vasthouden aan de co-ouderschapregeling. Het voorstel van de moeder biedt de vader nagenoeg geen compensatie in zijn contacturen met de kinderen. Ook geeft de moeder onvoldoende rekenschap van de impact die deze verhuizing zal hebben op de kinderen, die - gelet op hun leeftijd - al genoeg te maken hebben met allerlei spannende kwesties, waarbij het belang van goed contact met beide ouders extra zwaar weegt. Dat de kinderen niet geworteld zijn in [woonplaats] en daar geen sociaal leven hebben, zoals de vrouw stelt, wordt door de man in dit verband ook gemotiveerd betwist.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie (onder meer HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing van een kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

De rechtbank stelt voorop dat de moeder in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gebleken dat de moeder een noodzaak heeft tot verhuizing. Uit de stukken en uit wat er op de zitting is verteld blijkt dat de voorgenomen verhuizing van de moeder is ingegeven door haar wens om met haar partner en diens kinderen samen te wonen, in een omgeving waarin zij beiden hun sociale leven hebben. Deze wens wordt, zo begrijpt de rechtbank, nog versterkt door het feit dat [voornaam minderjarige 2] door de wijziging van de zorgregeling meer bij haar moeder is en de moeder daardoor - omdat [voornaam minderjarige 2] in [woonplaats] naar school gaat - minder bij haar partner kan zijn. De rechtbank begrijpt de wens van de moeder, maar haar belang vormt, afgewogen tegen de belangen van de vader en de kinderen, naar het oordeel van de rechtbank echter geen (dringende) noodzaak om te verhuizen.

De rechtbank stelt vast dat partijen bij het uiteengaan in 2014 gelijkwaardig ouderschap zijn overeengekomen met een zorgregeling die neerkomt op een co-ouderschapsregeling. Deze regeling geldt tot op heden voor [voornaam minderjarige 1] . Op verzoek van [voornaam minderjarige 2] hebben partijen in oktober 2019 gezamenlijk afgesproken dat [voornaam minderjarige 2] bij de moeder zou gaan wonen en is de zorgregeling voor [voornaam minderjarige 2] aangepast. Voor [voornaam minderjarige 2] is (al dan niet tijdelijk) afgesproken dat zij één weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondag 17.00/17.30 uur bij haar vader verblijft.

De rechtbank overweegt verder dat, ingeval van een verhuizing naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] , de huidige co-ouderschapsregeling ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] ook zou komen te vervallen. Gezien de reisafstand tussen [woonplaats] en [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] zal een doordeweeks contact, zoals door de moeder wordt voorgesteld, een aanzienlijke tijdsbelasting vergen en dan ook zeer belastend zijn. Een weekendregeling, waarbij de kinderen de vader om het weekend zien, zoals de moeder voor beide kinderen voorstelt, leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot een forse aantasting van de ouderrol van de vader ten opzichte van [voornaam minderjarige 1] , nu de vader dan geen betrokkenheid meer heeft in het doordeweekse leven van [voornaam minderjarige 1] terwijl hij dit de afgelopen jaren wel heeft gehad. De door de moeder voorgestelde zorgregeling biedt hiervoor onvoldoende compensatie. Deze inperking van de rol van de vader ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] acht de rechtbank niet in het belang van de vader en vooral ook niet in het belang van [voornaam minderjarige 1] . [voornaam minderjarige 1] heeft zelf aangegeven de huidige situatie graag te willen behouden en bovendien ook niet van school te willen wisselen.

De rechtbank volgt de moeder niet in haar betoog, dat er - kort gezegd - op neer komt dat inperking van de zorgregeling voor [voornaam minderjarige 1] niet (als belang) mag meewegen nu ook afgezien van haar verzoek om vervangende toestemming voor de verhuizing het in het belang van [voornaam minderjarige 1] is dat deze zorgregeling wordt ingeperkt. De rechtbank is van oordeel dat uit de processtukken en hetgeen door de moeder is aangevoerd blijkt dat partijen een andere invulling geven aan het ouderschap en dat mede hierdoor de communicatie tussen beide ouders moeizaam(er) verloopt en het onderlinge vertrouwen (de laatste tijd) minimaal is. Niet gebleken is echter dat de wijze waarop de vader zijn ouderrol vervult aanleiding geeft tot aanpassing van de zorgregeling. Dit geldt te meer nu zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] aan de rechtbank te kennen hebben gegeven dat ze er de voorkeur aan geven dat de zorgregeling zoals die nu wordt uitgevoerd wordt voorgezet.

De Raad heeft in dit kader op de zitting verklaard dat partijen niet ver uit elkaar lijken te liggen wat betreft hun handelen in het belang van de kinderen en heeft het feit dat er al in gezamenlijk overleg hulpverlening (voor [voornaam minderjarige 2] ) is ingeschakeld als positief bestempeld. Daarnaast heeft de Raad verklaard dat - zolang er geen sprake is van kindsignalen - de situatie waarin [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zich bevinden niet geproblematiseerd moet worden. Uiteraard moet er wel oog voor zijn dergelijke signalen. Volgens de Raad lijken [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet enorm belast en liggen de zorgen niet bij hen, maar met name bij de onderlinge communicatie tussen de ouders. Dit beeld komt overeen met hetgeen de rechtbank in raadkamer heeft geconstateerd: zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] kwamen daar over als gezonde, ontspannen pubers die gelukkig niet (in overwegende mate) te veel last lijken te hebben van de strijd tussen de ouders.

De rechtbank is van oordeel dat de wens van de moeder om haar leven anders in te richten en in [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] samen te wonen met haar nieuwe partner een rechtens te respecteren wens is, maar dat dit ondergeschikt is aan het zwaarwichtige belang van met name de vader en van [voornaam minderjarige 1] op behoud van de huidige situatie.

Aangezien de rechtbank het verzoek om vervangende toestemming om te verhuizen naar [gewenste woonplaats/woonplaats huidige partner] zal afwijzen, zal zij ook het verzoek om vervangende toestemming om wijziging van de scholen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] afwijzen.

Zorgregeling en hoofdverblijfplaats

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan op verzoek van de ouders of een van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechtbank constateert dat partijen in het kader van de echtscheiding in 2014 gezamenlijk co-ouderschap zijn overeengekomen en in lijn daarmee is verder de afspraak gemaakt dat [voornaam minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en [voornaam minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.

In het weekend van 26 oktober 2019 is [voornaam minderjarige 2] bij de moeder gaan wonen. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige 2] bij haar vader een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondagavond. Voor [voornaam minderjarige 1] hanteren partijen nog steeds de overeengekomen co-ouderschapsregeling.

Aangezien partijen de reguliere zorgregeling voor [voornaam minderjarige 2] in onderling overleg met ingang van

oktober 2019 hebben aangepast, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden, zodat beide partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek.

Inhoudelijk

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling), b) de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De moeder verzoekt, voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 2] , de juridische situatie in lijn te brengen met de feitelijke situatie. Daarnaast verzoekt de moeder de in oktober 2019 overeengekomen gewijzigde zorgregeling voor [voornaam minderjarige 2] in de beschikking vast te leggen, met daarbij een tweewekelijkse uitbreiding voor de woensdagavond indien er een bezoek plaatsvindt bij de grootouders (vaderszijde), en een alternatieve regeling voor de weekenden dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd speelt. Wat betreft de zorgregeling voor [voornaam minderjarige 1] verzoekt de moeder (subsidiair) om een regeling die beperkter is dan de huidige co-ouderschapsregeling.

De vader gaat ermee akkoord dat het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige 2] wordt gewijzigd naar de moeder, onder de voorwaarde dat [voornaam minderjarige 1] voortaan - in overeenstemming met de thans voor hem geldende zorgregeling - zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft. De vader verzoekt daarnaast primair dat de in 2014 overeengekomen co-ouderschapsregeling weer op beide kinderen wordt toegepast en subsidiair (met betrekking tot [voornaam minderjarige 2] ) een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat [voornaam minderjarige 2] om de week een weekend van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, en iedere woensdag van 17.00 uur tot 20.00 uur, bij hem verblijft.

Gelet op het feit dat partijen het er over eens zijn dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder wordt bepaald, het feit dat partijen in 2014 co-ouderschap zijn overeengekomen en het feit dat partijen daarbij tevens hebben afgesproken (al dan niet om fiscale redenen) dat bij iedere ouder een kind hoofdverblijfplaats heeft, acht de rechtbank het thans het meest in de lijn van deze afspraken om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] voortaan bij de vader wordt bepaald. De rechtbank zal de beide verzoeken van de vader en de moeder betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen dan ook toewijzen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de zorgregeling (co-ouderschap) die thans van toepassing is op [voornaam minderjarige 1] het meest in het belang van [voornaam minderjarige 1] moet worden geacht en dat de sinds oktober 2019 voor [voornaam minderjarige 2] geldende zorgregeling het meest in het belang van [voornaam minderjarige 2] moet worden geacht, omdat daarmee recht wordt gedaan aan de door de beide kinderen geuite wensen en behoeften. Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat zij zorgen heeft over de wijze waarop de vader invulling geeft aan zijn ouderschap, wijst de rechtbank erop dat uit hetgeen beide partijen in dit verband naar voren hebben gebracht kan worden afgeleid dat partijen weliswaar een andere invulling aan het ouderschap geven, maar dat niet is gebleken dat dit de uitvoering van de co-ouderschapregeling voor [voornaam minderjarige 1] in de weg staat. Deze regeling zal de rechtbank dan ook niet wijzigen. Aangezien deze regeling rechtstreeks voortvloeit uit het ouderschapsplan acht de rechtbank het niet noodzakelijk deze in de beschikking (nogmaals) vast te leggen.

Dit is anders ten aanzien van de door partijen thans overeengekomen zorgregeling voor [voornaam minderjarige 2] , inhoudende dat zij bij haar vader verblijft om de twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag 17.00 uur/17.30 uur, waarbij de moeder op de zitting heeft verklaard dat de vader en [voornaam minderjarige 2] in onderling overleg afspraken kunnen maken over compensatie van de omgang voor de weekenden dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd heeft. De rechtbank zal deze regeling in de beschikking vastleggen. De rechtbank zal het verzoek van de vader om te bepalen dat [voornaam minderjarige 2] iedere woensdag van 17.00 tot 20.00 uur bij hem verblijft afwijzen. Gezien de leeftijd van [voornaam minderjarige 2] en haar uitdrukkelijke wens om dit niet vast te leggen zal een dergelijk door de rechtbank vastgestelde verplichting mogelijk averechts werken en tot verwijdering leiden. Wel merkt de rechtbank op het voor [voornaam minderjarige 2] goed zou zijn als haar ouders gezamenlijk (met haar) hierover afspraken maken, dan wel het belang van een dergelijk contact uitdragen. Daarbij komt dat hiermee tevens aan het bezwaar van de moeder tegemoet kan worden gekomen dat de zorgregeling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] thans (wel erg) uiteen loopt. Dat de zorgregeling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] (thans en in de toekomst) niet gelijk loopt, acht de rechtbank in dit geval, anders de moeder, niet bezwaarlijk.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum beschikking] 2014 en het ouderschapsplan van 26 juni 2014 – :

bepaalt dat de minderjarige:

- [volledige naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

bepaalt dat de minderjarige:

- [volledige naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;

bepaalt dat de minderjarige [voornaam minderjarige 2] bij de vader zal zijn:

- een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondagavond 17.00 uur/17.30 uur, waarbij geldt dat de vader en [voornaam minderjarige 2] in onderling overleg afspraken maken over compensatie van de omgang voor de weekenden dat [naam voetbalclub eredivisie] een thuiswedstrijd heeft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, L. Koper en Y.C. Bours, kinderrechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2020.