Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
C-09-588827-KG ZA 20-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Kort geding. Vordering die strekt tot vrijlating en toelating tot zelfmeldprocedure afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/588827 / KG ZA 20/169

Vonnis in kort geding van 17 maart 2020

in de zaak van

[eiser] , thans verblijvende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.M. Hoogstad te Breukelen,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het College van procureurs-generaal en het Openbaar Ministerie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het gerechtshof Amsterdam heeft eiser op 13 februari 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden voor gewoontewitwassen, flessentrekkerij, meerdere pogingen tot oplichting en valsheid in geschrift. Daarnaast heeft het hof de vordering van een van de benadeelde partijen toegewezen voor een bedrag van € 67.553,44. De andere benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard, omdat diens vordering al door de burgerlijke rechter was toegewezen. Het hof heeft ten behoeve van beide benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een totaalbedrag van € 129.818,97. De Hoge Raad heeft het door eiser ingestelde cassatieberoep op 17 december 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

Op 4 februari 2020 is eiser aangehouden in verband met de executie van voornoemde gevangenisstraf. Sindsdien verblijft hij in de penitentiaire inrichting in [plaats] .

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te gebieden eiser met onmiddellijke ingang in vrijheid te (doen) stellen, hem aan te merken als zelfmelder en de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang te schorsen;

subsidiair: de Staat te bevelen de tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang te schorsen totdat eiser op adequate wijze in zijn waarneming of opvolging heeft voorzien en zijn privéaangelegenheden heeft kunnen afhandelen.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Eiser heeft aan de handelwijze van de politie en het Openbaar Ministerie het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij zou worden toegelaten tot de zelfmeldprocedure. Eiser voldoet ook aan alle criteria om in aanmerking te komen voor de zelfmeldprocedure, maar heeft niet de mogelijkheid gehad om zichzelf te melden bij een penitentiaire inrichting. Een van de verbalisanten in de strafzaak van eiser lijkt een persoonlijke vete tegen hem te voeren. De aanhouding van eiser is dan ook onrechtmatig. Eiser heeft verzocht alsnog in aanmerking te mogen komen voor de zelfmeldprocedure, maar dat verzoek is telefonisch door het Centraal Justitieel Incassobureau afgewezen. De afwijzing is niet in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie gehanteerde beleidsregels. Geen van de in de beleidsregels vermelde indicaties om iemand (“in beginsel”) niet de status van zelfmelder toe te kennen, is op eiser van toepassing. Doordat eiser van het één op het andere moment is gedetineerd, heeft hij zijn werkzaamheden niet kunnen afronden en overdragen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vaststaat dat de zogenoemde zelfmeldprocedure in het geval van eiser niet is toegepast. De vorderingen van eiser zijn gebaseerd op zijn stelling dat dat ten onrechte niet is gebeurd. Eiser heeft daarbij terecht aangevoerd dat zorgvuldig en met inachtneming van de toepasselijke beleidsregels moet worden beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure. Daarbij komt dat kan worden aangenomen dat het feit dat eiser onaangekondigd is aangehouden en niet de kans heeft gehad zichzelf te melden, nadelige consequenties voor hem heeft gehad. Eiser heeft als gevolg daarvan immers geen regelingen meer kunnen treffen voor het afronden en overdragen van zijn werkzaamheden. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, ook indien de zelfmeldprocedure ten onrechte niet zou zijn toegepast, dat niet kan leiden tot toewijzing van een van de vorderingen van eiser. Daartoe is het volgende redengevend.

4.2.

Eiser is gedetineerd op grond van een onherroepelijke beslissing van de strafrechter en heeft de rechtsgeldigheid van deze titel niet bestreden. In het wettelijk stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke beslissing van de strafrechter niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Voor het schorsen van de tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde gevangenisstraf en het (tijdelijk) in vrijheid stellen van eiser is daarom hoe dan ook geen plaats. Of de zelfmeldprocedure in het geval van eiser ten onrechte niet is toegepast, hoeft in deze procedure daarom niet te worden beoordeeld.

4.3.

Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat het niet toepassen van de zelfmeldprocedure ertoe heeft geleid dat hij in een sober regime is gedetineerd, terwijl dat niet het geval zou zijn geweest bij toepassing van de zelfmeldprocedure. Omdat eiser geen daarop gerichte vordering heeft ingesteld, kan die stelling verder onbesproken blijven. De Staat heeft wel ter zitting verklaard bereid te zijn deze problematiek onder de aandacht te brengen van de penitentiaire inrichting.

4.4.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

hvd