Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3370

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
AWB 19/9077 en AWB 19/10000
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende mvv-aanvraag nareis, arrest A. en S., peildatum, ECLI:NL:RVS:2019:4382, eigen gezin gevormd, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 19/10000 en AWB 19/9077

v-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar dochter [naam 2] (hierna: referente) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 9 oktober 2018 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard (bestreden besluit inzake AWB 19/9077).

Bij besluit van 19 juli 2019 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een mvv in het kader van nareis voor gezinshereniging met referente afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 9 augustus 2019 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard (bestreden besluit inzake AWB 19/10000) .

Eiseres heeft op 22 november 2019 beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten. Van verweerder is op 24 februari 2020 een verweerschrift in beide zaken ontvangen.

De behandeling van de beroepen heeft ter zitting plaatsgevonden op 12 maart 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Nareis (AWB 19/10000)

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] en bezit de Eritrese nationaliteit. Referente, geboren op [geboortedatum 2] en eveneens van Eritrese nationaliteit, is op [datum 1] door verweerder in het bezit gesteld van een asielvergunning. Zij was minderjarig op het moment dat zij in Nederland haar asielaanvraag indiende, maar meerderjarig op het moment dat verweerder haar de vergunning verleende. De eerste nareisaanvraag van 4 oktober 2017 is bij besluit van 7 november 2017 afgewezen, omdat deze was ingediend nog voordat referente in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning. De tweede aanvraag van 9 november 2017 is bij besluit van 9 januari 2018 afgewezen, omdat eiseres geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en referente al meerderjarig was op het moment dat zij in het bezit is gesteld van de asielvergunning. Deze afwijzingen staan in rechte vast.

2. Voor eiseres is op 29 oktober 2018 een derde aanvraag ingediend om verlening van een mvv in het kader van nareis voor gezinshereniging met referente (hierna ook: deze nareisaanvraag). Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) in A. en S. van 12 april 20181 waaruit volgt dat referente als minderjarige moet worden aangemerkt en daarmee voldoet aan de voorwaarden voor deze nareisaanvraag.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze (derde) nareisaanvraag afgewezen, omdat referente niet als minderjarige wordt aangemerkt. Het beroep op het arrest van HvJ in A. en S. kan eiseres niet baten. De eerdere afwijzende besluiten staan in rechte vast, omdat hiertegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld. Bovendien is voor eiseres op 2 maart 2018 een aanvraag gedaan in het kader van artikel 8 van het EVRM2. Indien referente wél als minderjarige aangemerkt zou kunnen worden, zou de aanvraag alsnog worden afgewezen. Referente heeft immers op [datum 2] een kind gekregen en stelt een relatie te hebben met de vader. Daarmee heeft zij een eigen gezin gevormd en daardoor kan de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referente als verbroken worden beschouwd.

4. Eiseres voert in beroep aan dat referente bij de beoordeling van deze nareisaanvraag wél als minderjarige dient te worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij op het arrest van HvJ in A. en S. en de uitspraak van de Afdeling van 20 december 20193. Verder voert zij aan dat niet aan eiseres mag worden tegengeworpen dat zij inmiddels een kind heeft gekregen.

5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het gewijzigde beleid na het arrest van het HvJ. De mogelijkheid van nareis staat niet meer open, omdat eiseres na de afwijzing van de tweede aanvraag niet heeft doorgeprocedeerd en het besluit van 9 januari 2018 in rechte vaststaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uit het arrest van het HvJ in A. en S., dat dateert van na het besluit van 9 januari 2018 in de vorige nareisprocedure, volgt dat een vreemdeling die minderjarig was op het moment dat hij een asielaanvraag indiende, maar hangende de procedure op die aanvraag meerderjarig wordt, als minderjarig moet worden aangemerkt tijdens de behandeling van zijn verzoek om gezinshereniging. Hiervoor is vereist dat hij dit verzoek binnen een redelijke termijn na verlening van zijn verblijfsvergunning indient. Het HvJ stelt die redelijke termijn in beginsel op drie maanden (punt 61).

7. Dit arrest heeft geleid tot een wijziging van beleid, neergelegd in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Paragraaf C2/4.1 van de Vc, voor zover van belang, luidt: Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, merkt de IND deze vreemdeling tot drie maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige, ook al heeft de vreemdeling op dat moment de leeftijd van 18 jaar bereikt.

8. Uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 20 december 2019 volgt dat verweerder, gelet op bijzondere omstandigheden, ook de ruimte heeft om buiten de termijn van drie maanden een meerderjarig geworden vreemdeling als minderjarig aan te merken ten behoeve van een verzoek om gezinshereniging in het kader van nareis. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 2.2. overwogen dat “de vreemdelingen de vorige aanvragen hebben ingediend binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning van referent. Op grond van de toen geldende rechtspraak is referent toen niet als minderjarig aangemerkt. Hierna heeft het HvJ het arrest A. en S. gewezen en is het van toepassing zijnde beleid gewijzigd. Onder deze omstandigheden moet de staatssecretaris motiveren waarom hij voor deze aanvragen van oordeel is dat deze niet zijn ingediend binnen een redelijke termijn, als bedoeld in punt 61 van het arrest A. en S. De vreemdelingen hebben immers (…) meermaals te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht op gezinshereniging. De enkele stelling dat het besluit van (…), waarbij referent als meerderjarig is aangemerkt, in rechte is komen vast te staan, is daarom onvoldoende.”

9. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres sprake is van dezelfde bijzondere omstandigheden als vermeld in deze uitspraak van de Afdeling. De rechtbank is dan ook in navolging van de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij voor deze derde nareisaanvraag van eiseres vindt dat deze niet is ingediend binnen een redelijke termijn, als bedoeld in punt 61 van het arrest A. en S.

Het eerst ter zitting door verweerder gegeven standpunt dat deze nareisaanvraag niet is ingediend binnen een redelijke termijn omdat het afwijzende besluit van 9 januari 2018 in rechte vaststaat én voor eiseres voorafgaand aan deze nareisaanvraag een aanvraag is gedaan in het kader van artikel 8 van het EVRM, is onvoldoende. Vaststaat immers dat de vorige nareisaanvraag van eiseres is ingediend binnen drie maanden nadat aan referente die verblijfsvergunning is verleend. Op grond van de toen geldende rechtspraak is referente toen niet als minderjarige aangemerkt. Na het arrest A. en S. is het van toepassing zijnde beleid gewijzigd en dat was dan ook de aanleiding voor eiseres om deze nareisaanvraag in te dienen. Voorts heeft referente al vanaf 4 oktober 2017 te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht op gezinshereniging.

10. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bovenstaande eiseres niet kan baten. Verweerder heeft immers een aanvullende afwijzingsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, die de afwijzing zelfstandig kan dragen. In de bezwaarfase is immers gebleken dat referente met haar partner een kind heeft gekregen, waardoor de feitelijke gezinsband met eiseres als verbroken kan worden beschouwd. Gelet op de volledige heroverweging in bezwaar is verweerder gehouden om deze gewijzigde omstandigheden in zijn beoordeling te betrekken.

11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een mvv in het kader van nareis. Het beroep van eiseres is dan ook ongegrond.

8 EVRM (19/9077)

12. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel van verweerder ook bij de beoordeling van het bezwaar in het kader van gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM met de gewijzigde omstandigheden na binnenkomst van referente rekening dient te houden. Verweerder heeft dan ook terecht bij de beoordeling betrokken dat referente inmiddels zelfstandig een gezin heeft gevormd, waardoor zij niet meer feitelijk tot het gezin van eiseres behoort. Voorts is niet in geschil dat tussen eiseres en referente geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Het beroep van eiseres tegen dit bestreden besluit is derhalve eveneens ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen (AWB 19/10000 en AWB 19/9077) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 C-550/16, ECLI:EU:C:2018:248)

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:4382