Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/4471
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis. De overschreiding van de termijn voor het indienen van de nareis-aanvraag is bij eerdere uitspraak verschoonbaar geacht. De aanvraag is afgewezen omdat referent meerderjarig is geworden. Nu de termijnoverscrheiding verschoonbaar is geacht, dient de aanvraag te worden beoordeeld als ware die binnen de driemaandentermijn ingediend. Daarvan uitgaande was referent ten tijde van het indienen van de aanvraag minderjarig. Identiteit en familierechtelijke relatie niet aangetoond. Geen bewijsnood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4471

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

eiser,

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W. Griffioen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel nareis in het kader van gezinshereniging met [referent] (referent) afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is bij uitspraak van 20 december 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:11403) door deze rechtbank en zittingsplaats vernietigd. Het hoger beroep van verweerder tegen deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 14 februari 2019 kennelijk ongegrond verklaard (201900562/1/V1).

Bij besluit van 10 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Referent is de (gestelde) zoon van eiser. Bij besluit van 28 augustus 2014 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 17 februari 2016 heeft verweerder de aanvraag voor verlening van een mvv in het kader van nareis ontvangen.
    Verweerder heeft de aanvraag in eerste instantie afgewezen, omdat deze niet is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de verblijfsvergunning is verleend aan referent.
    Bij uitspraak van 20 december 2018 heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat verweerder de overschrijding van de nareistermijn ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht en is verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

  2. Verweerder heeft de aanvraag bij het thans bestreden besluit afgewezen omdat de aanvraag is ingediend nadat referent op 1 januari 2016 meerderjarig is geworden. Daarmee voldoet referent niet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast is de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referent niet aangetoond. Eiser verkeert niet in bewijsnood.

  3. Eiser voert, samengevat, aan dat verweerder ten onrechte geen verschoonbaarheid aanneemt ten aanzien van het moment dat de nareisaanvraag is ingediend. Zoals volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 20 december 2018 is de termijnoverschrijding verschoonbaar tot en met het moment van indienen van de aanvraag. De aanvraag dient dus beoordeeld te worden alsof deze tijdig is gedaan en dat is in dit geval op het moment dat referent minderjarig was.
    Daarnaast volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 april 2018 in arrest A. en S. (ECLI:EU:C:2018:248) dat het peilmoment voor het recht op gezinshereniging op grond van artikel 10, derde lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn het moment is dat een alleenstaande minderjarige zijn asielaanvraag doet. Nu referent zijn asielprocedure als alleenstaande minderjarige heeft doorlopen, is zijn recht op gezinshereniging op grond van artikel 10, derde lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn vast komen te staan.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw. De verwijzing naar het arrest A. en S. van het Hof is niet van toepassing op referent, omdat het arrest expliciet ziet op vreemdelingen die gedurende hun asielprocedure meerderjarig worden. Uit het arrest blijkt verder dat de doelstelling van artikel 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet zo ver strekt dat referent zijn hoedanigheid als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan veiligstellen. Het Hof overweegt immers dat rekening gehouden moet worden met later opgekomen omstandigheden, zoals in onderhavige zaak het meerderjarig worden van referent. Hierbij verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3712).

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. Referent heeft de aanvraag om nareis van eiser ruim een jaar nadat hij zijn verblijfsvergunning asiel heeft gekregen ingediend, zodat niet is voldaan aan de termijn van drie maanden zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw. In haar uitspraak van 20 december 2018 heeft de rechtbank deze termijnoverschrijding echter verschoonbaar geacht. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat referent Nidos en Vluchtelingenwerk Nederland van meet af aan, en dus binnen de drie maanden termijn, op de hoogte heeft gebracht van zijn wens om herenigd te worden met zijn familie. Gelet hierop had verweerder de aanvraag moeten beoordelen als ware deze tijdig, dat wil zeggen binnen de driemaandentermijn ingediend. Daarvan uitgaande was referent ten tijde van het indienen van de aanvraag minderjarig.

Verweerder is in het bestreden besluit dan ook ten onrechte uitgegaan van de leeftijd van referent op het moment waarop de aanvraag is ingediend en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw. De beroepsgrond slaagt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen bewijsnood heeft aangenomen ten aanzien van het kunnen overleggen van documenten. Op grond van het arrest E. van het Hof van 13 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:192) had verweerder de gehele individuele situatie moeten beoordelen tegen de achtergrond van algemene, specifieke, accurate en precieze informatie over het land van herkomst. Verweerder voldoet daar met de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 21 juni 2018 (hierna: het ambtsbericht) niet aan, nu de informatie uit het ambtsbericht wegens gebreken in het onderliggende onderzoek niet kan worden bestempeld als precieze en accurate informatie. In het bestreden besluit is bovendien niet betrokken dat eiser in militaire dienst is, waardoor het voor referent onmogelijk is om een foto of een kopie van documenten van eiser te verkrijgen.

5.1

De rechtbank stelt vast dat eiser in het geheel geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit en/of de familierechtelijke relatie met referent. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de enkele stelling dat het vanwege de militaire dienstplicht van eiser niet mogelijk is om documenten van hem te verkrijgen, onvoldoende is om bewijsnood aan te nemen. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat alle burgers in Eritrea in beginsel over één of meerdere identiteitsdocumenten beschikken en dat dienstplichtigen in Eritrea over een travel permit of een gele “manqasaqasi” van het ministerie van Defensie beschikken. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3147) mag verweerder bij de beoordeling van bewijsmiddelen en verklaringen in beginsel van de juistheid van in het ambtsbericht opgenomen informatie uitgaan, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie uit het ambtsbericht in zijn geval niet juist is. De rechtbank acht verder van belang dat referent heeft verklaard dat eiser beschikt over een bewonerspas, maar dat een foto of kopie van deze pas niet is overgelegd. Daar komt bij dat referent heeft verklaard dat eiser af en toe verlof krijgt en dan terug naar huis kan keren, waardoor niet valt in te zien waarom eiser tijdens zijn verlof geen kopie of foto van zijn documenten heeft kunnen opsturen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen bewijsnood wordt aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.

5.2

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referent niet is aangetoond. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen daarom in stand blijven.

6. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

7. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op € 174,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.050,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier, op 8 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.