Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3362

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/8708, AWB 19/8709 en AWB 19/9862
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Chavez-Vilchez, geen zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen is het grondgebied van de EU te verlaten, beroep ongegrond, vovo 19/8709 afgewezen, vovo 19/9862 n-o vanwege ontbreken connex besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/8708, AWB 19/8709 en AWB 19/9862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [1988] , met de Surinaamse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer AWB 19/8708.

Eiseres heeft verder de rechtbank verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat zij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Dit verzoek heeft het zaaknummer AWB 19/8709.

Eiseres heeft de rechtbank ook verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat aan haar de verblijfsaantekening ‘arbeid toegestaan’ wordt verleend. Dit verzoek heeft het zaaknummer AWB 19/9862.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2020. Eiseres was aanwezig, samen met haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder was ook aanwezig.

Ter zitting hebben [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] onder ede een getuigenverklaring afgelegd.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres woont in Nederland samen met [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ). Zij hebben samen een zoon: [zoon] (hierna: [zoon] ), geboren op [2009] in [geboorteplaats] (Suriname). [zoon] heeft de Nederlandse nationaliteit. [getuige 1] heeft ook de Nederlandse nationaliteit. [getuige 1] heeft [zoon] in 2013 erkend. Eiseres heeft op 11 september 2018 op basis van het arrest Chavez-Vilchez1 een aanvraag gedaan voor een EU-verblijfsdocument voor verblijf bij [zoon] . Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing ongegrond mocht verklaren.

Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om twee redenen. Eiseres heeft niet heeft aangetoond dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Het is daarnaast niet gebleken dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiseres en [zoon] dat [zoon] gedwongen zal worden het grondgebied van de Europese Unie (hierna: de Unie) te verlaten als aan eiseres verblijf wordt geweigerd.

Het toetsingskader

3. In paragraaf B10/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat het beleid ten aanzien van verblijf van een verzorgende ouder bij een Nederlands minderjarig kind. Er zijn vier voorwaarden waaraan moet worden voldaan om rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000:

  1. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;

  2. de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

  3. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

  4. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

4. Iemand moet aan alle voorwaarden voldoen voor inwilliging van de aanvraag. Als iemand aan één voorwaarde niet voldoet, kan de aanvraag al afgewezen worden. Verweer betwist niet dat eiseres aan de voorwaarden onder a en b voldoet. In geschil zijn de punten zoals hierboven genoemd onder c en d: de daadwerkelijke zorgtaken en de afhankelijkheidsverhouding.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen haar en [zoon] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [zoon] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiseres verblijf geweigerd wordt. Omdat verweerder de aanvraag van eiseres al op dit punt mocht afwijzen, zal de rechtbank het punt over de daadwerkelijke zorgtaken onbesproken laten.

6. De rechtbank geeft voor haar oordeel de volgende uitleg. [zoon] is 11 jaar oud en hij woont in gezinsverband met eiseres en [getuige 1] . De rechtbank maakt uit de processtukken en uit de verklaringen van eiseres en [getuige 1] op dat [zoon] een affectieve relatie heeft met [getuige 1] . Eiseres heeft tijdens de zitting gezegd dat [getuige 1] op zich wel voor [zoon] zou kunnen zorgen, maar dat hij de hele dag werkt en geen tijd heeft om – bijvoorbeeld – [zoon] naar school te brengen. Eiseres heeft ook gezegd dat [zoon] en zij een speciale band hebben en dat hij niet zonder haar kan. De rechtbank overweegt dat uit deze feiten en omstandigheden niet blijkt dat [zoon] zó afhankelijk is van eiseres dat hij niet langer in de Unie (feitelijk: in Nederland) zou kunnen blijven wonen als eiseres terug zou moeten naar Suriname. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het slecht is voor de (emotionele) ontwikkeling en/of het evenwicht van [zoon] als hij van haar gescheiden zou worden. Hij heeft veel meegemaakt, het gaat niet goed op school en hij staat vanwege gedragsproblemen onder behandeling van een orthopedagoog. Eiseres heeft onder andere een behandelplan van de orthopedagoog d.d. 23 oktober 2019 ingediend. De rechtbank overweegt dat in het behandelplan staat dat [zoon] is aangemeld vanwege concentratieproblemen, onrust en moeite met het reguleren van spanning. Maar hieruit blijkt niets over de (emotionele) ontwikkeling en/of het evenwicht van [zoon] als hij van eiseres gescheiden zou worden, dus dit vormt geen bewijs van de stellingen van eiseres. Eiseres heeft ook niet op een andere manier met objectief bewijs aannemelijk gemaakt dat [zoon] dermate uit zijn evenwicht zal raken als eiseres niet in Nederland zou mogen blijven, dat om die reden aan haar een EU-verblijfsdocument moet worden verleend. Dat [zoon] het liefst wil dat eiseres bij hem in Nederland verblijft, is begrijpelijk, maar ook dit betekent niet dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in de beleidsregels die zijn genoemd in 3. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. De hoofdregel is dat een bezwaarmaker in de bezwaarschriftprocedure wordt gehoord. Deze hoofdregel geldt niet als overduidelijk is dat de bezwaren niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en gelet op wat in bezwaar is aangevoerd, is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen mocht afzien. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

8. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening om het beroep in Nederland af te mogen wachten is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek met het zaaknummer AWB 19/8709 om die reden af.

9. Ten aanzien van het verzoek om de voorlopige voorziening dat aan eiseres een verblijfsaantekening ‘arbeid toegestaan’ moet worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat er geen connexiteit is met een besluit waartegen beroep is ingesteld. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het connexiteitsvereiste opgenomen: als tegen een besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan dus alleen worden gedaan hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Verweerder heeft in het verweerschrift het besluit van 7 februari 2020 genoemd, waarin verweerder het bezwaar tegen het plaatsen van de sticker met een verblijfsaantekening ongegrond heeft verklaard. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2020. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Het verzoek met zaaknummer AWB 19/9862 is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De aanvragen om een voorlopige voorzieningen worden afgewezen (AWB 19/8709) en niet-ontvankelijk verklaard (AWB 19/9862). Verweerder hoeft geen proceskosten aan eiseres te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak AWB 19/8709 af;

  • -

    verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak AWB 19/9862
    niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, (voorzieningen)rechter op 9 april 2020, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).