Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3360

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB 18/7678
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Armenie, artike 64 Vw, BMA-advies, feitelijke toegankelijkheid mantelzorg. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/7678

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aanvullende beroepsgronden van 14 november 2018 en 29 november 2018 heeft eiseres nieuwe medische stukken (te weten een rapport van Kouwenhoven en Oomens) overgelegd op grond waarvan verweerder aanleiding heeft gezien het Bureau Medische Advisering (BMA) om een aanvullend advies te vragen.

Het BMA heeft op 12 september 2019 een aanvullend BMA-advies uitgebracht.

Op 3 januari 2020 heeft eiseres aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft op 17 januari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 22 januari 2020 heropend en verweerder om een nadere reactie gevraagd. Op 24 januari 2020 heeft verweerder een reactie gegeven, waarop de rechtbank eiseres op 29 januari 2020 in de gelegenheid heeft gesteld te reageren. Dit heeft eiseres op 10 februari 2020 gedaan. Daarop heeft de rechtbank verweerder nog in de gelegenheid gesteld een reactie op de standpunten van eiseres te geven. Dat heeft verweerder op 18 februari 2020 gedaan. Op 3 maart 2020 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het onderzoek gesloten kan worden, tenzij één van de partijen een nadere zitting wenst. Verweerder heeft op 5 maart 2020 toestemming gegeven het onderzoek te sluiten, eiseres heeft hier op 10 maart 2020 ook toestemming voor gegeven en heeft ook nog een laatste reactie gegeven. De rechtbank heeft daarop het onderzoek op 26 maart 2020 gesloten, zonder nadere zitting.

Overwegingen

Beoordelingskader

1. Op grond van artikel 64 Vw, voor zover van belang, blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

2. Volgens paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voor zover van belang, verleent verweerder uitstel van vertrek in twee gevallen. Ten eerste als het BMA adviseert dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidssituatie niet kan reizen. Ten tweede als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit kan het geval zijn als het BMA adviseert dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar of aantoonbaar niet toegankelijk is.

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (De Afdeling) heeft in haar jurisprudentie (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2628) naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, het arrest Paposhvili) geoordeeld dat een schending van artikel 3 EVRM zoals hiervoor bedoeld zich voordoet indien er gewichtige redenen zijn om aan te nemen dat bij uitzetting een reëel risico bestaat op een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid, resulterend in een intens lijden of een significante vermindering van de levensverwachting, door de afwezigheid van adequate behandeling in het land van herkomst of gebrek aan toegang tot een dergelijke behandeling. De Afdeling acht de wijze van beoordeling van het BMA in overeenstemming met het arrest Paposhvili. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571).

4. Daarnaast blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2984) dat verweerder adviezen van het BMA als deskundigenadviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag mag leggen. Als de vreemdeling geen contra-expertise overlegt, strekt de door de bestuursrechter te verrichten toetsing niet verder dan de beoordeling naar aanleiding van de beroepsgronden of verweerder zich gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is.

De feiten

5. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de feiten zoals die volgen uit het BMA-advies van 12 september 2019. Eiseres lijdt aan PTSS, depressie en psychotische verschijnselen in de vorm van een stem die in hallucinaties opdrachten geeft. Verder heeft eiseres pijnklachten door het hele lichaam en met name aan de linkerzijde. Ter behandeling van deze klachten krijgt eiseres consulten van de huisarts, narratieve expositie-therapie (NET) en maandelijkse gespreken bij een casemanager van een GGZ-instelling. Als medicatie krijgt zij olanzapine, ferrofumaraat, metronidazol, pantoprazol, diclofenac en macrogol. Voorts blijkt uit het BMA-advies dat mantelzorg voor eiseres essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Bij het uitblijven van de behandelingen verwacht het BMA een medische noodsituatie op korte termijn, omdat met name de psychiatrische toestand precair blijkt te zijn. Het staken van de antipsychotische medicatie, waarvan olanzapine een voorbeeld is, zal leiden tot toename van onder andere de stemmen die haar opdrachten geven een einde aan haar leven te maken. Dit maakt dat BOPZ-maatregelen noodzakelijk kunnen worden ter bescherming van het leven van eiseres. Voorts heeft het BMA geadviseerd dat eiseres niet kan reizen, tenzij fysieke overdracht plaatsvindt. Zo is begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige noodzakelijk om toezicht op haar gedragingen gedurende de reis te houden, en is medicatie in beheer bij deze verpleegkundige. Fysieke overdracht moet plaatsvinden aan een professional met psychiatrische achtergrond. Verder moet vooraf een behandelaar worden ingeschakeld als eiseres het moment van reizen aangezegd krijgt.

Het bestreden besluit

6. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat uit het BMA-advies van 12 september 2019 volgt dat voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Armenië aanwezig is, en dat feitelijke overdracht van eiseres aan Armenië mogelijk is, mits rekening wordt gehouden met bepaalde voorwaarden.

BMA-advies

7. Eiseres voert - samengevat - aan dat het BMA-advies niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en dat daaraan getwijfeld dient te worden. Het is niet duidelijk of het BMA heeft beoordeeld of de feitelijke uitzetting van eiseres kan leiden tot een verhoging van het suïcide-risico en of de reisvoorwaarden ook in dat geval voldoende zijn of dat er meer of andere reisvoorwaarden nodig zijn. Hiertoe verwijst eiseres naar rechtsoverweging 6.3 van de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4314), waaruit volgt dat rekenschap gegeven dient te worden van de feitelijke situatie in het land van herkomst op het moment dat eiseres daar terechtkomt. In het geval van eiseres dient de vraag te worden beantwoord of zij enkel en alleen vanwege het ontbreken van haar onvervangbare mantelzorgers in een situatie terecht zal komen waarbij sprake is van een situatie in strijd met artikel 3 EVRM. Ten aanzien van het antwoord op vraag 5c in het BMA-advies, waarin is gesteld dat vanuit medisch oogpunt niet vermeld kan worden dat de plaats van overdracht niet te duiden is, voert eiseres aan dat niet duidelijk is hoe, gelet op het arrest Paposhvili, aanknopingspunten geboden kunnen worden om aan te tonen dat de desbetreffende behandeling voor eiseres niet beschikbaar dan wel toegankelijk is. Dit is niet alleen laakbaar en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, maar ook is het voor eiseres op deze manier onmogelijk om ‘tegenbewijzen’ te verzamelen.

7.1

De rechtbank is als volgt van oordeel. Uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018 volgt dat de beoordeling van de vraag of de feitelijke uitzetting leidt tot een schending van artikel 3 EVRM moet plaatsvinden in het kader van de vraag of eiseres kan reizen en zo ja, de mogelijke reisvereisten. Verweerder heeft het bestreden besluit nader gemotiveerd bij zijn verweerschrift dat is gebaseerd op het BMA-advies van 12 september 2019. Volgens dit advies is eiseres in staat om te reizen, mits eiseres tijdens de reis wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige om toezicht te houden op haar gedragingen. Ook moet de medicatie in het beheer zijn van deze verpleegkundige. Na de reis moet zij fysiek worden overgedragen aan een professional met een psychiatrische achtergrond. Ook moet vooraf een behandelaar, zoals haar huisarts of psychiater, worden ingeschakeld op het moment van het aanzeggen van het reizen. Ook heeft het BMA aanbevolen om een schriftelijke overdracht van de medische gegevens mee te nemen, de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de reis te overbruggen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze reisvereisten niet volstaan. Voor zover eiseres verwijst naar het rapport van Kouwenhoven en Oomens, merkt de rechtbank op dat dit rapport de aanleiding heeft gegeven om een nieuw BMA-advies op te vragen, waarvan het resultaat nu bekend is.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee, anders dan eiseres aanvoert, de gevolgen van de uitzetting op de gezondheidstoestand van eiseres deugdelijk onderzocht en de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 EVRM als direct gevolg van de uitzetting weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich er voldoende van vergewist dat het BMA-advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag op dit advies mogen baseren. Eiseres heeft geen contra-expertise uitgebracht of concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenadvies van het BMA.

7.3

Voor zover eiseres aan heeft gevoerd dat zij vanwege een antwoord in het BMA-advies geen aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat de noodzakelijke behandeling voor haar niet beschikbaar dan wel toegankelijk is in Armenië, verwijst de rechtbank allereerst naar het antwoord van het BMA waar zij op doelt:

“5c. Indien u de medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht aan een medische instelling c.q. behandelaar voorschrijft, kunt u aangeven voor welke behandeling de fysieke overdracht noodzakelijk is?

Psychiater, plaats van overdracht uit medisch oogpunt niet te duiden.

Een voorbeeld van een naam van een instelling waar deze behandeling mogelijk is betreft/betreffen de volgende instelling(en): Avan te Yerevam (zie verder ook zo nodig en indien relevant, het antwoord op de landgebonden vragen met onderliggende bronnen).”

De rechtbank stelt vast dat het BMA een duidelijk antwoord heeft gegeven op de vraag, namelijk dat eiseres voor een noodzakelijke behandeling fysiek moet worden overgedragen aan een psychiater, en geeft daar vervolgens een voorbeeld van. De enkele, wellicht overbodige, opmerking van het BMA dat de plaats van overdracht uit medisch oogpunt niet te duiden is, heeft geen betrekking op de vraag of fysieke overdracht mogelijk is. Het is aan eiseres om aan te tonen dat bij de fysieke overdracht een psychiater niet beschikbaar dan wel toegankelijk is. Dit is niet de taak van het BMA. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres ook hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het BMA-advies niet op de juiste wijze tot stand is gekomen. Indien zij dit wel aannemelijk wenst te maken, ligt het op de weg van eiseres om bijvoorbeeld een contra-expertise in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiseres voert voorts aan dat de mantelzorg van de familie [naam] van groot belang is. Zij hebben een onvervangbare goede band met elkaar opgebouwd en in Armenië heeft eiseres geen directe familie meer. Gelet op de inhoud van het rapport van Kouwenhoven en Oomens moet worden vastgesteld dat de antwoorden onder vraag 3 en 4 van het BMA-advies enigszins ‘kort door de bocht’ zijn, nu de mantelzorg essentieel dient te worden geacht voor de behandeling. Ten aanzien van de beantwoording van de vragen 5a tot en met 5d is ten onrechte de factor noodzakelijke mantelzorg niet betrokken. Immers, fysieke overdracht verhelpt niet het ontbreken van de noodzakelijke mantelzorg. Deze afhankelijkheid en medische problematiek kan voldoende zijn om aan te nemen dat eiseres de zorg die zij hier te lande verkrijgt, niet kan verkrijgen in het land van herkomst. Hiertoe verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 12 juli 2018 (AWB 18/1291). Het ontbreken van deze zorg zal een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM vormen. De antwoorden in het BMA-advies onder vraag 6, met name het antwoord op vraag 6b, doet geen recht aan de feitelijke situatie. De behandelend psychiater heeft aangegeven dat door de in vriendschap opgebouwde band tussen eiseres en mevrouw [naam] , de huidige mantelzorg onvervangbaar is. Nog daargelaten de vertrouwensband miskent de verwijzing naar 24-uursopvang en/of begeleiding door een vrijwilligersorganisatie de feitelijke situatie. De onzekerheid hiervan miskent ook de noodzaak van de huidige mantelzorg in deze vorm. Los van de situatie van eiseres moet worden vastgesteld dat deze verwijzing in de nota te veel onduidelijkheid en onzekerheden geeft om hiervan te kunnen en mogen uitgaan. Het doet overigens ook afbreuk aan de deskundigheid(svereisten) van het BMA-advies, nu de informatie niet volledig en eenduidig kan worden geacht. In het rapport wordt concreet onderbouwd dat zij zich niet kan concentreren en de weg kwijt raakt door dissociatieve klachten. Gelet op de begeleiding die eiseres krijgt van en naar haar afspraken, is de vraag hoe de BMA-arts het voor zich ziet met de stellingname dat zij met een taxi zou kunnen gaan.

8.1

Voor zover eiseres aanvoert dat het BMA onduidelijk of onjuist zou hebben geadviseerd over de noodzaak van mantelzorg, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 3.2 en 3.3 is geoordeeld, namelijk dat zij geen contra-expertise heeft uitgebracht en daarmee geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan het deskundigenadvies. De enkele verwijzing naar het rapport van Kouwenhoven en Oomens is daartoe onvoldoende, nu het BMA dit rapport kenbaar heeft betrokken in zijn advies, en eiseres niet heeft onderbouwd wat het BMA dan heeft gemist. Daarom zal de rechtbank nu beoordelen of eiseres terecht heeft aangevoerd dat verweerder aan haar uitstel van vertrek had moeten verlenen vanwege de mantelzorg door de familie [naam] .

8.2

De rechtbank stelt vast dat het BMA in zijn medisch advies heeft opgenomen dat mantelzorg voor eiseres noodzakelijk wordt geacht, en dat dit essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. In paragraaf A3/7.1.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder voorwaarden gesteld voor het verlenen van uitstel van vertrek vanwege mantelzorg:

“Indien in een land van herkomst of bestendig verblijf professionele (thuis)zorg beschikbaar is, dan kan zorg zoals gegeven bij mantelzorg ook verleend worden door medewerkers van deze professionele (thuis)zorg. Het BMA zal in het medisch advies opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg beschikbaar is.

Om in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanwege door BMA noodzakelijk geachte mantelzorg moet de vreemdeling aantonen dat:

  • -

    de vreemdeling in Nederland mantelzorg (die een essentieel onderdeel is van de medische behandeling) ontvangt van een of meer gezins- of familieleden, die hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn; en

  • -

    de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf geen mantelzorg kan ontvangen van één of meer gezins- of familieleden.

Als de vreemdeling in Nederland geen mantelzorg ontvangt van gezins- of familieleden, maar mantelzorg wordt verleend door een derde of door professionele (thuis)zorg, dan kan de IND overwegen dat de mantelzorg in het land van herkomst ook door een derde of professionele (thuis)zorg verleend kan worden.

De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf.”

8.3

In het BMA-protocol is toegelicht dat mantelzorg per definitie zorg is die wordt gegeven door niet-professionals zoals familieleden of vrienden. De rechtbank verwijst naar het BMA-advies van 7 oktober 2018 en het aanvullend advies van 12 september 2019, waarin het volgende is gesteld ten aanzien van de mantelzorg:

“Mantelzorg: uit het dossier blijkt dat mantelzorg voor betrokkene essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Cliënte wordt gebracht en gehaald naar afspraken in verband met verdwalen. Daarnaast activeert en stimuleerd de vriendin, bij wie cliente in huis woont, haar en ziet toe op dat cliente geen gevaar opleverend gedrag vertoond met als doel een einde aan haar leven te maken.

Ten aanzien van mantelzorg geldt dat een onderzoek naar de aanwezigheid van mantelzorg in het land van herkomst of terugkeer buiten de competentie valt van de medisch adviseur. Dit geldt ook voor mantelzorg in de vorm van (24-uurs) opvang en begeleiding door bijv. een vrijwilligersorganisatie. Wel is onderzoek gedaan naar zorg, zoals gegeven bij mantelzorg, in de vorm van aanwezigheid van professionele zorg aan huis of andere vormen van professionele zorg in het land van herkomst. Uit brondocument BMA 12287 blijkt dat deze professionele zorg wel aanwezig is o.a. in het Yerevan Home Care te Yerevan. Indien vanwege suïcidaliteit nodig dan is er een opname mogelijkheid in o.a. Avan Mental Health Center. Voor wat betreft het reizen naar en van een afspraak met een arts: dit kan met een taxi geregeld worden. Of er taxi’s zijn in Armenië is niet een medische vraag.”

8.4

De rechtbank is van oordeel dat, in tegenstelling wat eiseres probeert te betogen, uit het BMA-advies wel degelijk volgt dat de familie [naam] van groot belang is in het leven van eiseres en dat deze mantelzorg essentieel is voor het welslagen van haar medische behandeling. Uit het beleid van verweerder volgt echter dat indien mantelzorg wordt verleend door een derde of door professionele (thuis)zorg, verweerder kan overwegen dat de mantelzorg in het land van herkomst ook door een derde of professionele (thuis)zorg verleend kan worden. Dit heeft het BMA kenbaar betrokken in het advies, door te stellen dat in Armenië professionele zorg aan huis of andere vormen van professionele zorg aanwezig zijn in Armenië. Hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd, betreft geen objectieve, juridische onderbouwing. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de familie [naam] een zeer belangrijke rol speelt in het leven van eiseres, en duidelijk is dat de familie precies weet wat eiseres nodig heeft en op welk moment, neemt dit nog niet weg dat professionele hulp in Armenië deze hulp ook kan bieden aan eiseres. Het is aan eiseres om aan te tonen dat deze professionele hulp voor haar niet beschikbaar of toegankelijk is. Dit heeft zij niet gedaan. De e-mail die mevrouw [naam] op 10 februari 2020 heeft overgelegd waarin zij stelt dat zij vreest dat eiseres in Armenië niet de juiste behandeling zal krijgen waardoor eiseres een einde aan haar leven zou maken, betreft naar het oordeel van de rechtbank een – begrijpelijkerwijs – emotioneel, maar subjectief betoog, dat niet is gestoeld op een objectieve of juridische onderbouwing. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiseres voert aan dat de behandelingen die zijn aangedragen in het BMA-advies niet feitelijk toegankelijk zijn. Hiertoe verwijst zij naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2019 (AWB 18/7738 en AWB 18/7739), waarbij een geheel ander beeld naar voren kwam toen de vreemdeling contact had opgenomen met de desbetreffende kliniek, dan waar het BMA vanuit was gegaan. Dit is met name van belang nu uit de landeninformatie blijkt dat het merendeel van de genoemde behandelingsinstellingen ‘private clinics’ zijn. Het antwoord op vraag 5d kan daarnaast ook niet gevolgd worden nu er, als de overdracht geregeld is, er geen juridisch controlemechanisme is om te bezien of deze behandeling voor eiseres als adequaat kan worden aangemerkt. Uit het BMA-advies volgt dat haar medicatie onder andere bestaat uit Olanzapine, dat voor haar zeer belangrijk is. Dit blijkt echter, conform de landeninformatie, beschikbaar in Kabul, Afghanistan en niet in Armenië. Mevrouw [naam] heeft na heropening van het onderzoek eveneens telefonisch navraag gedaan bij de apotheken die stonden beschreven in het BMA-advies, maar zij kreeg steeds nul op rekest, en steeds werd gezegd dat Olanzapine niet beschikbaar is daar. Dit had voor verweerder aanleiding moeten geven om de aanvraag in te willigen.

9.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder heeft erkend dat het document dat bij het BMA-advies gevoegd was, dat stelde dat Olanzapine in Afghanistan beschikbaar was, per abuis is toegevoegd aan dit advies. In de reactie van verweerder van 24 januari 2020 heeft verweerder alsnog de landeninformatie overgelegd waarin omschreven staat dat Olanzapine in Armenië verkrijgbaar is.

9.2

Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor haar noodzakelijke behandeling feitelijk niet toegankelijk is. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2019 kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, nu de vreemdeling in die betreffende zaak concrete en objectieve informatie had overgelegd op grond waarvan concrete twijfel was over de feitelijke toegankelijkheid van de behandeling van de vreemdeling in zijn land van herkomst. In de beroepsgronden van eiseres is dergelijke concrete en objectieve informatie niet aanwezig. De brief van mevrouw [naam] kan ook niet worden aangemerkt als objectieve informatie, nu deze stellingen op geen enkele wijze zijn onderbouwd, zoals verweerder ook terecht heeft opgemerkt in zijn brief van 18 februari 2020. De reactie van eiseres van 11 maart 2020 op deze standpunten van verweerder dat verweerder mevrouw [naam] beschuldigt van liegen, kan de rechtbank niet volgen, nu verweerder niet stelt dat zij de waarheid niet spreekt, maar enkel dat dit niet concreet met documenten of meer informatie is onderbouwd. Dit is een juridische kwalificatie, geen kwalificatie dat mevrouw liegt. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres haar stellingen dat de benodigde behandelingen en medicatie voor haar feitelijk niet toegankelijk zijn in Armenië vanwege een gebrek aan financiële middelen, familieleden, een sociaal netwerk of de plek waar zij naartoe zou gaan, niet zijnde Yerevan volgens eiseres, niet heeft onderbouwd. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:989) is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit niet voor haar toegankelijk is. Dat betekent dat er in ieder geval een begin van bewijs moet zijn op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de feitelijke toegankelijkheid van de behandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in de zaak van eiseres geen begin van bewijs geleverd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor haar medisch noodzakelijke zorg in haar land van herkomst niet toegankelijk is dan wel dat feitelijke overdracht aan Armenië niet mogelijk is. De aanvraag is terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2020 door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.