Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3359

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/1491 en AWB 19/1492
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang COA, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1491 (beroep)

AWB 19/1492 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] van Armeense nationaliteit,

V-nummer: [#]

eiseres, verzoekster,

hierna te noemen eiseres

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aangegeven dat eiseres sinds 9 november 2018 geen recht meer heeft op verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva), dat deze worden beëindigd en dat eiseres binnen drie dagen na uitreiking van het bestreden besluit het asielzoekerscentrum (AZC) Heerhugowaard dient te verlaten. Tevens is in het bestreden besluit opgenomen dat het verzoek om continuering van de opvang wordt afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat het recht op verstrekkingen, waaronder opvang, op grond van artikel 5, eerste lid, onder a, Rva blijft bestaan totdat het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting is behandeld en daar uitspraak op is gedaan.

Verweerder heeft op 20 januari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft de Rva-verstrekkingen beëindigd omdat hij tot deze verstrekkingen slechts gehouden was in de periode waarin eiseres uitstel van vertrek had op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gedurende 24 augustus 2018 tot en met 12 oktober 2018 en vier weken nadat het rechtmatig verblijf was geëindigd. Eiseres heeft thans geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, waardoor zij op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder d, Rva, vanaf 9 november 2018 geen recht meer heeft op verstrekkingen. Evenmin is sprake van zeer bijzondere omstandigheden, zoals is bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA4652), die verweerder zouden nopen tot het bieden van verstrekkingen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat er uit de overgelegde informatie die de psychische klachten van eiseres zouden onderbouwen, niet is gebleken van een acute medische noodsituatie die is gekoppeld aan de opvangvoorzieningen van het COA. Hiertoe verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2005 (JV 2005/14). Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat eiseres ook zonder Rva-verstrekkingen aanspraak heeft op verlening van de medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10, tweede lid, Vw.

  2. De rechtbank stelt voorop dat zij met de uitspraak van vandaag in de zaak met zaaknummer AWB 18/7678 het beroep tegen het bestreden besluit van 12 oktober 2018 ten aanzien van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. De vraag of eiseres voldoet aan artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder d, Rva, kan daarom hier niet ter beoordeling voorliggen. In geschil is de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen.

  3. Eiseres voert aan dat het, vanwege haar ziektebeeld en veelheid aan voorwaarden die verbonden zijn aan het kunnen reizen in het BMA-advies, niet onaannemelijk is, althans reëel en voorzienbaar is dat er een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal ontstaan op het moment dat de (stabiliteit van de) opvang wordt beëindigd. Het moment dat zij te horen kreeg dat zij geen uitstel van vertrek kreeg en daarmee haar opvang werd beëindigd, leidde ertoe dat zij een tentamen suïcide heeft begaan. Zonder ZRA-verzekering is het nagenoeg onmogelijk om toegang te verkrijgen tot adequate behandeling. Dat er op verzoek van verweerder in het kader van de artikel 64-procedure een nieuw BMA-advies is uitgebracht, verhoudt zich in redelijkheid niet met het thans beëindigen van de opvang en aldus ZRA-verstrekkingen. Nadat er immers opnieuw een BMA-advies is uitgebracht dient deze te kunnen worden voorgelegd aan de behandelaars. Echter, indien de Rva-verstrekkingen en aldus de ZRA-verzekering wordt beëindigd is het de vraag of eiseres nog bij dezelfde behandelaars kan blijven. Mede gelet op het BMA-advies dient er een arguable claim in het kader van artikel 3 EVRM aanwezig te worden geacht, nu er terdege indicaties zijn voor ernstige onomkeerbare gevolgen die in ieder geval lichamelijke en geestelijke schade met zich mee zal brengen. Voorts valt het eiseres op dat verweerder zich enkel beroept op oude jurisprudentie, terwijl de Paposhvili-lijn wijzigingen van het beleid met zich heeft meegebracht. Onder meer ten aanzien van het verkrijgen van en recht op opvang. Ook kent de Vreemdelingenwet 2000 de terminologie ‘acute medische noodsituatie’ niet meer, maar gelden juist die onomkeerbare gevolgen dan wel een medische noodsituatie op korte termijn. Hier wordt blijkens de jurisprudentie aan voldaan indien er sprake is van een gedocumenteerd tentamen suïcide. Daartoe verwijst eiseres ook naar het gestelde in het BMA-advies in het kader van de BOPZ-maatregel. Ook hierin wordt gewaarschuwd voor een poging tot zelfdoding.

  4. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:597) kan verweerder niet gehouden worden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva, tenzij zich de bijzondere omstandigheid van een acute medische noodsituatie voordoet. Het is evenwel aan de desbetreffende vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van een zodanige bijzondere omstandigheid sprake is. Ter beantwoording van de vraag of een zodanige situatie zich voordoet, beoordeelt verweerder of een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke dan wel lichamelijke schade. Dat die situatie zich voordoet, behoeft niet aan het onthouden van opvang in de weg te staan, indien de desbetreffende vreemdeling aanspraak heeft op een voorziening in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vw die schade voorkomt.

4.1

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat hiervan kan worden afgeweken voor, onder andere, de aanspraak op verlening van medisch noodzakelijke zorg. Hieruit volgt dat, zoals hiervoor overwogen en ook door de Afdeling is bevestigd in de uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:903), het voordoen van een acute medische noodsituatie verweerder niet automatisch tot het verlenen van opvang noopt. Ook buiten de opvang kan een vreemdeling aanspraak maken op verlening van medisch noodzakelijke zorg. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat opvang noodzakelijk is voor het aanspraak maken op medische zorg.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. Hoewel uit het BMA-rapport blijkt dat eiseres hulp nodig heeft en dat het risico op een medische noodsituatie zeer groot is, blijkt uit dit rapport, en uit hetgeen ter zitting is besproken, dat zij 24 uur per dag bij mevrouw [naam] en haar familie verblijft, en dat zij aldus geen gebruik maakt van de opvang van het COA. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het in dit geval niet om de opvang gaat, maar om het recht op geld dat uit die opvang voortvloeit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij door het stopzetten van de Rva-verstrekkingen in een acute medische noodsituatie terecht zal komen. Hetgeen eiseres verder aanvoert ziet op de artikel 64 Vw-procedure, waar deze rechtbank vandaag reeds uitspraak over heeft gedaan. Verder heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat indien medische zorg noodzakelijk is, artikel 10 Vw dit ondervangt. Het beroep slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

7. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2020 door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.