Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1220
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdagingsbeslissing niet bevoegd genomen, ingebrekestelling daarom niet prematuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1220

uitspraak van de enkelvoudig kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 24 maart 2018 een bezwaarschrift ingediend tegen door verweerder op 22 en 26 februari 2018 genomen besluiten. Bij brief van 27 maart 2018 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Op 14 juli 2018 heeft eiser aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd. Verweerder heeft bij besluiten van 23 oktober 2018 beslist op het bezwaar.

Bij schrijven van 2 november 2018 heeft eiser verweerder verzocht dwangsommen te betalen wegens het niet tijdig nemen van de besluiten op bezwaar.

2. Verweerder heeft aan de afwijzing van dit verzoek ten grondslag gelegd dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd, omdat de ingebrekestelling prematuur was. Daartoe overweegt verweerder dat een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de behandeling van het bezwaar is ingesteld, waardoor de beslistermijn 12 weken bedroeg. Voorts is de beslistermijn in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift met zes weken verdaagd, waardoor de beslistermijnen pas verstreken waren op onderscheidenlijk 9 en 13 augustus 2018, aldus verweerder.

3. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Ingevolge het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

4. Eiser betoogt dat verweerder de beslistermijn niet op een juiste manier met zes weken heeft verdaagd. De formulering van de verdaging in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift is in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, dat vereist dat tijdig, duidelijk en onverkort wordt aangegeven wanneer er wordt beslist. De onzekere standaard-verlenging verdraagt zich niet met de ratio van artikel 7:10 van de Awb. Dat bij binnenkomst van het bezwaarschrift voor verweerder duidelijk zou zijn geweest dat het geen standaard bezwaarprocedure zou worden en de termijn daarom verdaagd moest worden is aan verweerder zelf te wijten en bovendien rechtens irrelevant. Voorts is de desbetreffende brief van 27 maart 2018 niet ondertekend door een daartoe bevoegd persoon. De brief is ondertekend door het ‘secretariaat bezwaar en beroep’. Dit is niet hetzelfde als de secretaris van de onafhankelijke bezwaarcommissie.

Eiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte geen ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling heeft gestuurd noch binnen de termijn van acht weken een bericht dat de ingebrekestelling prematuur was. Hij heeft daardoor niet de mogelijkheid gehad om later nog eens een ingebrekestelling te sturen. Uit artikel 4:3a van de Awb blijkt dat verweerder daartoe wel gehouden was.

Voorts betoogt eiser dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. Gelet op de omstandigheid dat pas acht weken na het indienen van zijn bezwaarschrift is beslist kan niet worden volgehouden dat er redelijkerwijs geen twijfel was over de uitkomst van het bezwaar, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, was de termijn voor verweerder om te beslissen op het bezwaarschrift van 24 maart 2018 van eiser twaalf weken in plaats van zes weken. Ten behoeve van dat bezwaar heeft verweerder immers een externe adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb ingesteld. De beslistermijn liep in beginsel dan ook tot en met 27 juni en 2 juli 2020. In de brief van 27 maart 2018, waarin de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser wordt bevestigd, is aangegeven dat, indien de wettelijke termijn niet wordt gehaald, deze termijn met zes weken wordt verdaagd.

5.2

Hoewel een verdagingsbeslissing op grond van artikel 6:3 van de Awb niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, heeft het wel het karakter van een besluit. Het standpunt van verweerder dat de verdagingsbeslissing geen besluit is en dat het secretariaat reeds daarom een dergelijke mededeling kan doen, wordt dan ook niet gevolgd. Voor zover verweerder daarbij heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2564) wordt overwogen dat het in die uitspraak ging om de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15 van de Awb. Een dergelijke opschorting geschiedt, in tegenstelling tot het verdagen van de beslistermijn, van rechtswege.

5.3

Aangezien de verdagingsbeslissing een besluit is, dient deze te worden genomen door het daartoe bevoegde bestuursorgaan dan wel functionaris. Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen eiser daarover in bezwaar en beroep heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat die verdagingsbeslissing bevoegdelijk is genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat aan de mededeling tot verdaging een besluit van het bevoegde bestuursorgaan ten grondslag ligt. Voorts is de rechtbank, ook na ambtshave raadpleging van de Mandaatregeling Raad voor Rechtsbijstand geldend vanaf 23 juni 2016, evenmin gebleken dat verweerder de bevoegdheid tot het nemen van procedurele beslissingen ter voorbereiding van een besluit, zoals onderhavige verdagingsbeslissing, heeft gemandateerd aan haar medewerkers, in het bijzonder aan het “Secretariaat bezwaar en beroep”. Bovendien is onduidelijk welke medewerker van het “Secretariaat bezwaar en beroep” de brief van 27 maart 2018 heeft ondertekend. Voor zover het secretariaat wel gemandateerd zou zijn blijft onduidelijk of de betreffende ondertekenaar in het kader van zodanig mandaat ondertekeningsbevoegd was.

5.4

Nu de rechtbank niet is gebleken van een bevoegd genomen verdagingsbeslissing, komt aan de verdagingsmededeling in de brief van 27 maart 2018 geen betekenis toe (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY9944). De beslistermijn is dan ook geëindigd op onderscheidenlijk 27 juni en 2 juli 2020. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling van eiser van 14 juli 2018 prematuur was. Verweerder heeft op 23 oktober 2018 en derhalve te laat beslist op de bezwaren van eiser en daarmee dwangsommen verbeurd.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd behoeft geen nadere bespreking. Aangezien de rechtbank niet beschikt over alle benodigde onderliggende stukken om de hoogte van de dwangsom te kunnen vaststellen, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 50,90, waarvan € 4,90 aan reiskosten en € 46,- aan verletkosten.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 50,90,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.