Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3341

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6983
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA-dagloon, loon in referteperiode na intrekking WW-uitkering en herstel van die uitkering buiten het refertejaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.M. Koorn-Harkema),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: R. Boonstra).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van
28 januari 2019 een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarnaast heeft verweerder de hoogte van eisers uitkering vastgesteld op € 1.261,20 bruto per maand, gebaseerd op een dagloon van € 83,50.

Bij besluit van 23 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 31 maart 2020. In verband met de maatregelen rondom het coronavirus is die zitting niet doorgegaan. Per email van

27 maart 2020 heeft eisers gemachtigde (met instemming van eisers bewindvoerder) desgevraagd toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Verweerder heeft per toestemmingsformulier van 24 maart 2020 eveneens toestemming gegeven voor een schriftelijke afdoening van de zaak.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1.1.

Eiser was laatstelijk werkzaam voor Vroom Offshore Services B.V. (Vroom) als kok. Op 22 juni 2015 heeft eiser een vaststellingsovereenkomst gesloten met Vroom. De overeenkomst betreft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2015.

1.2.

Op 9 juli 2016 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Aan hem is met terugwerkende kracht tot 1 mei 2016 een WW-uitkering toegekend. Deze uitkering is bij besluit van 8 november 2016 met ingang van 1 augustus 2016 beëindigd. Eiser heeft namelijk geen inzage gegeven in zijn financiële situatie.

1.3.

Bij besluit van 30 januari 2017 - dat is genomen na contact tussen eisers familie en het Uwv - is de beslissing van 8 november 2016 ingetrokken. In eisers geval is namelijk sprake van een bijzondere situatie en dat betekent dat hij met ingang van 1 augustus 2016 recht heeft op een WW-uitkering.

1.4.

Op 30 januari 2017 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld. Aan hem is vanaf 1 mei 2017 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.5.

Bij beschikking van 18 juli 2017 heeft de kantonrechter in Den Haag eiser wegens zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid onder bewind gesteld. Sinds 18 juli 2017 worden eisers financiën door mevrouw [A] beheerd.

1.6.

Op 18 oktober 2018 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit te nemen.

1.7.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser met ingang van 28 januari 2019 een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Eiser is 80 tot 100% arbeidsongeschikt en volgens verweerder is bij hem geen of een geringe kans op herstel. Daarnaast heeft verweerder de hoogte van eisers uitkering vastgesteld op € 1.261,20 bruto per maand, gebaseerd op een dagloon van € 83,50.

2.1.

Eiser heeft zich in bezwaar gekeerd tegen de hoogte van het WIA-dagloon. De WIA-uitkering wordt herleid vanuit zijn inkomen over 2016, aldus eiser. Zijn totale WW-uitkering over 2016 bedraagt volgens eiser € 19.820,59 bruto, terwijl verweerder uitgaat van een jaarinkomen voor de WIA van € 10.407,64. Nadat eiser vanaf 30 januari 2017 weer zijn WW-uitkering ontving, is de hoogte van die uitkering onveranderd gebleven. Eiser doet een beroep op artikel 64, elfde lid, van de WIA.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust aldus eveneens op het standpunt dat eiser recht heeft op een IVA-uitkering ter hoogte van € 1.261,20 bruto per maand en gebaseerd op een dagloon van € 83,50. Voorts heeft verweerder geconcludeerd dat geen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Ook kent het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) geen hardheidsclausule.

Standpunten partijen

3.1.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij voert – samengevat weergegeven – aan dat verweerder het dagloon onjuist heeft berekend. Voor de correcte berekening van het dagloon verwijst eiser naar zijn aanvullend bezwaarschrift. Daarnaast betoogt eiser dat zijn WIA-dagloon geen redelijke weerspiegeling is van zijn welvaartsniveau en daarom zal volgens hem toepassing moeten worden gegeven aan de algemene hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar twee uitspraken, van de rechtbank Amsterdam en de Centrale Raad van Beroep (CRvB).1

3.2.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het refertejaar in eisers geval loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB stelt verweerder dat voor de berekening van het dagloon het moment van uitbetalen van de WW-uitkering bepalend is.2 Eiser heeft volgens verweerder in het refertejaar € 7.285,00 aan WW-uitkering. Bij de vaststelling van het dagloon heeft verweerder dat bedrag vermenigvuldigd met 100/70 en volledig meegenomen. Vervolgens heeft verweerder het bedrag gedeeld door 131; het aantal dagloondagen vanaf ingangsdatum WW (1 mei 2016) tot en met 31 december 2016 minus 44 (dagloondagen september en oktober 2016 waarin geen uitkering betaalbaar is gesteld). Dit leidt tot de volgende berekening: € 10.407,64 / 131 = € 79,45. Geïndexeerd naar de ingangsdatum van de WIA-uitkering bedraagt het dagloon, aldus verweerder, € 83,50. Doordat rekening is gehouden met alle uitkeringen die in het refertejaar door eiser zijn genoten is volgens verweerder het dagloon een redelijke afspiegeling van eisers welvaartsniveau.

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

4.2.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

4.3.

De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juli 2015 is gewijzigd.

4.4.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder refertejaar verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.

4.5.

Op grond van artikel 14, aanhef, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit omvat mede een WW-uitkering.

4.6.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.7.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA de uitkomst van de volgende berekening:

[(A–B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft
genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261.

4.8.

Op grond van artikel 16, vierde lid, van het Dagloonbesluit wordt indien het loon in het refertejaar geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering voor de toepassing van het eerste lid het bedrag van de uitkering vermenigvuldigd met 100/70.

Referteperiode

5.1.

Voor het vaststellen van de referteperiode voor de Wet WIA is de eerste dag van arbeidsongeschiktheid (het verzekerde risico voor de Wet WIA) bepalend, te weten
30 januari 2017, en niet het moment van arbeidsurenverlies in 2015. Verweerder heeft de referteperiode bepaald over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de vaststelling van de referteperiode als zodanig. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de referteperiode onjuist zou hebben berekend. De referteperiode is dus de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.

De hoogte van het dagloon

6.1.

Eiser heeft gedurende een deel van de referteperiode betalingen van zijn WW-uitkering ontvangen, namelijk over de periode mei, juni, juli, augustus en september 2016. Bij besluit van 8 november 2016 is de WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2016 beëindigd omdat eiser niet de gewenste informatie had verstrekt. Vervolgens is die beslissing bij besluit van 30 januari 2017 ingetrokken, omdat in eisers geval sprake was van een bijzondere situatie. De rechtbank leidt uit de voorhanden zijnde betalingsspecificaties af dat de WW-uitkering over de periode oktober, november en december van het jaar 2016 in 2017 en dus na de referteperiode aan eiser is nabetaald. Over de wijze waarop de uitbetaling van de WW-uitkering bij de berekening van het dagloon is meegenomen, verschillen partijen van mening. Het standpunt van eiser komt erop neer dat de in 2017 nabetaalde WW-uitkeringsbedragen moeten worden toegerekend aan de maanden in 2016 waarop de uitkering betrekking had en dat die bedragen daarmee in de berekening van het dagloon moeten worden meegenomen.

6.2

De rechtbank volgt eiser niet en is van oordeel dat het WIA-dagloon op de juiste wijze is berekend. De rechtbank motiveert dat hierna als volgt.

6.3

Eiser heeft een beroep gedaan op twee uitspraken. De eerste uitspraak is van de CRvB met het ECLI-nummer als opgenomen in voetnoot 1. De vergelijking van de nu voorliggende zaak met die uitspraak gaat niet op. In die uitspraak ging het om een situatie waarin het Uwv een fout had gemaakt, waardoor de hoogte van het dagloon negatief was beïnvloed. De CRvB oordeelde dat met deze handelwijze van het Uwv op een onaanvaardbare manier afbreuk wordt gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de werknemersverzekeringen en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van de betrokkene. In de nu voorliggende zaak gaat het er, anders dan in de uitspraak van de CRvB waarop eiser zich beroept, om dat eisers WW-uitkering was beëindigd omdat hij had verzuimd om desgevraagd voldoende informatie aan het Uwv te verstrekken. Ten gevolge daarvan heeft het Uwv de WW-uitkering over de maanden oktober, november en december 2016 niet in de betreffende maanden uitgekeerd, maar – na het besluit van 30 januari 2017 dat in eisers geval sprake was van een bijzondere situatie – als nabetaling en pas in 2017. Daarmee is geen sprake van een negatief effect ten gevolge van een fout aan de zijde van het Uwv.

6.4

De tweede uitspraak waarop eiser zich beroept is van de rechtbank Amsterdam (ECLI-nummer opgenomen in voetnoot 1), welke uitspraak in hoger beroep is bevestigd door de CRvB bij uitspraak van 19 april 2017.3 Uit die uitspraken blijkt dat het meetellen van stakingsdagen als dagloondagen, zonder daar (vervangend) loon tegenover te stellen bij de berekening van het dagloon, in strijd is met het stakingsrecht in het Europees Sociaal Handvest. Van een dergelijke of vergelijkbare situatie is in de zaak van eiser geen sprake.

6.5

In de kern komt eisers betoog erop neer dat het in zijn geval onredelijk is om nabetalingen die in 2017 door het Uwv zijn gedaan maar die betrekking hebben op maanden in 2016, niet mee te nemen bij de vaststelling van het dagloon. De rechtbank merkt nog eens op dat tussen partijen niet in geschil is dat de referteperiode in dit geval loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Gelet op het eerste lid van artikel 15 van het Dagloonbesluit wordt eiser geacht het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover (in dit geval) het Uwv van de betaling van die uitkering aangifte heeft gedaan. Niet bestreden is dat het Uwv niet eerder dan in 2017 en dus buiten de referteperiode aangifte heeft gedaan van de betaling van de WW-uitkering over de maanden oktober 2016 tot en met december 2016. Dat betekent, gelet op het eerste lid van artikel 13 van de Wet WIA, dat die uitkeringsbedragen niet tot het voor de dagloonvaststelling in aanmerking te nemen loon kunnen worden gerekend. In vaste rechtspraak heeft de CRvB geoordeeld dat de besluitgever (van het Dagloonbesluit) er welbewust voor heeft gekozen dat de opgave van (hier) de uitkeringsinstantie aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 augustus 2018.4 Weliswaar ligt aan de dagloonregelingen, zoals ook eiser betoogt, het beginsel ten grondslag dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis, maar in het Dagloonbesluit is geen hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling opgenomen die ruimte biedt om in geval van een ongunstige of onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Dat in eisers geval op 30 januari 2017 een eerdere beslissing over zijn WW-uitkering is ingetrokken omdat sprake was van een bijzondere situatie, maakt niet dat daarmee nabetalingen uit 2017 in strijd met het dwingende regime van de dagloonvaststelling kunnen worden toegerekend aan maanden in 2016.

6.6.

Volgens vaste rechtspraak is voor de vaststelling van het welvaartsniveau het loon bepalend dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode die geldt voor de Wet WIA. Hierdoor hebben de maanden waarin geen WW-uitkering is ontvangen tijdens de referteperiode in eisers geval invloed op de hoogte van het dagloon. Het betoog van eiser dat de algemene hardheidsclausule van artikel 4:84 van de Awb moet worden toegepast omdat het berekende dagloon in verhouding tot zijn inkomen geen redelijke weerspiegeling van zijn welvaartsniveau is, slaagt niet. De rechtbank neemt hiertoe in overweging dat artikel 4:84 van de Awb in dit geval niet van toepassing is; die bepaling ziet immers op de toepassing van beleidsregels en daarvan is hier geen sprake. Voor zover eiser heeft bedoeld om ook in de beroepsfase artikel 64, elfde lid, van de WIA in te roepen, stuit dit al af op het feit dat genoemd artikellid is bepaald dat het recht op een WIA-uitkering op grond van deze wet niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend en dat het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin kan afwijken. Die situatie is in deze zaak niet aan de orde.

6.7.

De conclusie uit het voorgaande luidt dat de Wet WIA en het Dagloonbesluit geen ruimte bieden om voor eiser een andere referteperiode in acht te nemen dan die waarvan verweerder is uitgegaan. Verweerder heeft het dagloon van eiser terecht gebaseerd op het in het refertejaar 2016 daadwerkelijk door eiser genoten loon en met juistheid bepaald op

€ 83,50. Dat dit geen redelijke weerspiegeling oplevert van eisers welvaartsniveau in de referteperiode is de rechtbank niet gebleken.

6.8.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij wel begrip heeft voor het standpunt van eiser dat de wijze waarop het Uwv het WIA-dagloon in zijn geval heeft vastgesteld, onredelijk is, omdat daarbij niet de WW-uitkeringen van de laatste 3 maanden van de referteperiode zijn meegenomen. De rechtbank is zich in dat licht bewust van de nadelige gevolgen die het intrekken van de WW-uitkering over die maanden en het herstel en nabetalen daarvan in 2017, heeft gehad voor de hoogte van eisers WIA-uitkering. De rechtbank begrijpt in dit verband dat de toepassing van de wettelijke bepalingen daarmee voor eiser onredelijk en onbillijk aanvoelt, zoals uit de stukken blijkt. De wetgever heeft echter voor deze systematiek gekozen. De systematiek van de regelgeving pakt in dit geval voor eiser nadelig uit. Dat is echter een gevolg van de uitdrukkelijke keuze van de wetgever en het is in een dergelijke (dwingendrechtelijke) situatie niet aan de rechter, maar aan de wetgever om eventuele onredelijke gevolgen teniet te doen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 16 april 2020 gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Lemmen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBAMS:2015:2111 en ECLI:NL:CRVB:2012:BY4335.

2 ECLI:NL:CRVB:2019:3593.

3 ECLI:NL:CRVB:2017:1575

4 ECLI:NL:CRVB:2018:2361