Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3330

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
NL20.7389
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel in de grensprocedure. De rechtbank stelt vast dat zij tijdens deze procedure ten aanzien van het horen van de vreemdeling geen onderzoek heeft verricht conform de door de Afdeling genoemde voorgeschreven wijze, genoemd in haar uitspraak van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991. De rechtbank kan hiervan dus ook geen blijk geven in haar uitspraak. In dit specifieke geval is de maatregel onrechtmatig vanaf datum sluiting onderzoek. Voorliggende periode is rechtmatig. Schadevergoeding. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7389


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft partijen op 31 maart 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus gevraagd om de beroepsgronden en het verweer zoveel mogelijk schriftelijk in te dienen. Daarnaast heeft de rechtbank partijen gevraagd te laten weten of zij de zaak schriftelijk of via een telefonische verbinding willen laten behandelen.

Eiser heeft op 2 april 2020 de beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 3 april 2020 een reactie op de beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft de gemachtigden op 6 april 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Colombiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser voert allereerst aan dat de rechtbank eiser op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw had moeten horen. Het niet horen van eiser is in strijd met de artikelen 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De maatregelen die zijn genomen ten aanzien van het coronavirus, bieden geen rechtvaardiging om eiser het fundamentele recht om te worden gehoord over zijn bewaring te ontzeggen. Indien zou blijken dat het in verband met de maatregelen niet mogelijk is om een persoon te horen, dan dient te worden nagegaan of er andere praktische oplossingen zijn, waaronder de mogelijkheid om eiser te horen via een telehoor-verbinding.

2.1

De rechtbank heeft in dit geval afgezien van het horen van eiser, hoewel dat op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw is voorgeschreven. De reden daarvoor is dat op dit moment het horen van een vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding in technische en praktische zin vanwege ontbrekende capaciteit (bijna) onmogelijk en verder ook onwenselijk is, gelet op alle maatregelen die de overheid heeft getroffen in verband met het tegengaan van de verdere verspreiding van het coronavirus en het dringende advies tot het bewaren van onderlinge afstand (social distancing) dat ook de rechtbank, de betreffende detentie-instelling en de verder betrokken personen, waaronder de tolk, in acht moeten nemen. In dit geval heeft de rechtbank besloten de gemachtigden telefonisch te horen via een conference call. De gemachtigde van eiser heeft zich er uitdrukkelijk tegen verzet dat eiser niet zelf wordt gehoord.

2.2

De Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (de Afdeling) heeft recentelijk op 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991, uitspraak gedaan over de vraag of het recht van de vreemdeling om te worden gehoord door behandeling van zijn beroep op (onder meer) de wijze waarop dat in deze zaak is gebeurd, is geschonden.

De Afdeling overweegt dat in artikel 94, vierde lid, van de Vw is geregeld dat de rechtbank een vreemdeling oproept om ‘in persoon dan wel in persoon of bij raadsman’ te verschijnen om te worden gehoord en dat dit voorschrift zich direct richt tot de rechtbank en een uitwerking is van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van het Handvest. Het recht om te worden gehoord is een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die de vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Maar het grondrecht om te worden gehoord is niet absoluut. Er zijn omstandigheden, zoals de uitzonderlijke maatregelen die in Nederland zijn genomen in het kader van de bestrijding van de uitbraak van het coronavirus, waaronder beperkingen toelaatbaar zijn en naar een alternatief mag worden gezocht voor de manier om bewaringszaken te behandelen.

2.3

De Afdeling heeft ten aanzien van de situatie zoals die zich voordoet in deze zaak, waarin de gemachtigde van de vreemdeling onder opgave van redenen geen afstand doet van het recht van de vreemdeling om zelf door de rechtbank te worden gehoord, in rechtsoverweging 7 en verder bepaald dat de rechtbank zich zo veel mogelijk moet inspannen om de vreemdeling de mogelijkheid te bieden om in persoon de rechtbank te woord te staan. Ten eerste moet de rechtbank onderzoeken of horen via videoconferentie in dit geval niet toch mogelijk kan worden gemaakt. Daarbij spelen de omstandigheden en beschikbaarheid van de faciliteiten in het detentiecentrum een rol. Als blijkt dat een videoconferentie niet tot de mogelijkheden behoort, moet de rechtbank ten tweede onderzoeken of de vreemdeling met een vorm van videobellen kan worden gehoord. Als ook dat niet mogelijk is, dan moet de rechtbank ten derde onderzoeken of telefonisch horen mogelijk is. Bij dit alles is het aan verweerder om in het detentiecentrum de benodigde faciliteiten beschikbaar te (laten) stellen. Het is aan de rechtbank om na te gaan welke inspanningen door zowel verweerder als de gemachtigde van de vreemdeling zijn verricht om het horen van de vreemdeling toch mogelijk te maken, waarom dat eventueel niet tot het gewenste resultaat heeft geleid en of hieraan consequenties worden verbonden en zo ja, welke. Bij de afweging of het niet-horen van de vreemdeling te rechtvaardigen is, moet de rechtbank ten slotte ook onderzoeken of de kern van het recht van de vreemdeling op een procedure op tegenspraak overeind blijft.

2.4

De rechtbank stelt vast dat zij tijdens deze procedure geen onderzoek heeft verricht conform de door de Afdeling in de rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.2 voorgeschreven wijze. De rechtbank kan hiervan dus ook geen blijk geven in haar uitspraak. Gelet op de omstandigheid dat de wettelijke uitspraaktermijn in deze zaak eindigt op 10 april 2020 ziet de rechtbank geen mogelijkheid dit onderzoek alsnog te verrichten en eiser alsnog te horen indien uit het onderzoek blijkt dat dit mogelijk is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om in dit specifieke geval de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de datum waarop het onderzoek is gesloten, te weten 6 april 2020, onrechtmatig te achten en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel te bevelen met ingang van vandaag.

3. Het beroep is daarom reeds gegrond.

4. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de vrijheidsontnemende maatregel over de periode van 21 maart 2020 tot 6 april 2020 rechtmatig is geweest en of eiser over die periode in aanmerking dient te komen voor schadevergoeding.

5. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel berust op een onjuiste grondslag nu de asielaanvraag van eiser ten onrechte in de grensprocedure wordt behandeld omdat hij het Schengengebied nooit heeft verlaten. Eiser bevond zich niet op luchthaven Schiphol omdat hij van buiten het Schengengebied het Nederlandse grondgebied wenste te betreden, maar omdat hij geprobeerd heeft vanuit Nederland naar Kroatië te reizen en daarin niet is geslaagd. Indien een buitengrens van het Schengengrondgebied geografisch niet is overschreden, is het Schengengebied niet verlaten.

Een derdelander die het voornemen had het Schengengrondgebied te verlaten, maar daar feitelijk nog niet in geslaagd is, bevindt zich nog in het Schengengrondgebied.

Ook in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 20014/15, 34 088, nr. 3, p.30) wordt expliciet vermeld dat de grensprocedure niet aan de orde is voor personen die reeds toegang tot Nederland hadden verkregen, dan wel zich toegang tot Nederland hadden verschaft.

Eiser heeft in zijn beroepsgronden onder meer verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1503, waarin de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over waar de grenzen van het Schengengebied precies liggen.

5.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel berust op een juiste grondslag. Zoals verweerder in zijn verweerschrift en op de telefonische hoorzitting heeft aangegeven, bevond eiser zich niet meer in het Schengengebied op het moment dat hij zijn asielaanvraag deed. Uit de stempels in het paspoort van eiser blijkt dat hij op 6 februari 2020 het Schengengebied via Spanje is ingereisd en dat hij op 19 maart 2020 de buitengrens van het Schengengebied weer is gepasseerd. In zijn paspoort staat namelijk een uitreisstempel van Amsterdam Schiphol van 19 maart 2020. Eiser is dus door de paspoortcontrole en de douane gekomen en bevond zich op dat moment in de internationale lounge. Daar bleek dat zijn vlucht naar Kroatië was geannuleerd. Na een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2020. Gesteld noch gebleken is dat eiser na 19 maart 2020 het Schengengebied weer is ingereisd. Eisers verwijzing naar de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld, treft geen doel, nu dit een andere situatie betreft. Die vragen zien namelijk op de uitleg van de Schengengrenscode indien het een zeevarende betreft die aanmonstert op een zeeschip dat al is gelegen in een zeehaven, zijnde een buitengrens. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

6. Eiser voert voorts aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt omdat hij heeft besloten de rust- en voorbereidingstijd (RVT) te verlengen. Het is dus niet aannemelijk dat er in de grensprocedure voortvarend zal worden gehandeld, hetgeen verplicht is op grond van paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), en dat de asielaanvraag binnen de termijn van de grensprocedure van 28 dagen wordt afgedaan. De verlenging van de RVT is ook in strijd met het legaliteitsbeginsel, de due diligence, het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel en het verbod van willekeur.

De verlenging is in strijd met het legaliteitsbeginsel omdat er geen noodwetgeving is vastgesteld en voor de verlenging een wettelijke basis ontbreekt. De RVT mag slechts in drie gevallen, die genoemd staan in paragraaf C1/2.5, worden verlengd, te weten als er nader onderzoek noodzakelijk is naar (1) de identiteit, nationaliteit of reisroute, (2) mogelijk misbruik van de asielprocedure of naar mogelijke fraude en (3) de mogelijkheid om een asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, de openbare orde of op grond van de nationale veiligheid.

Verweerder heeft weliswaar binnen de grensprocedure 28 dagen om te beslissen op een asielaanvraag, maar die ruimte wordt aan verweerder verleend met een doel, te weten het verrichten van onderzoek ten behoeve van een asielverzoek in detentie.

De verlenging is in strijd met het verbod van willekeur omdat niet in alle grensprocedures de RVT wordt verlengd. Sommige asielaanvragen worden direct naar de verlengde asielprocedure gestuurd, voor andere aanvragen geldt de normale RVT. Dit is in strijd met artikel 5 EVRM.

Eiser wijst er voorts op dat er geen medische noodzaak bestaat voor een verlenging van de RVT als een soort quarantaineperiode. Niet gebleken is dat deze quarantaineperiode is voorgeschreven door het RIVM en dat de vreemdelingen die op Schiphol asiel aanvragen meteen getest worden op het coronavirus. Een quarantaineperiode zou dan ook niet zinvol zijn.

6.1

Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de asielaanvragen in de grensprocedure onverminderd doorgang vinden maar dat er in deze zaken als tijdelijke maatregel een langere RVT van zeventien dagen wordt aangehouden. Artikel 3.109, eerste lid, van het Vb, houdt de mogelijkheid open om een langere RVT aan te houden dan de in die bepaling genoemde termijn van zes dagen. Van een quarantaineperiode is geen sprake. De langere RTV is ook geen beletsel met betrekking tot het contact tussen de rechtshulpverleners en de vreemdeling. Dit neemt echter niet weg dat het aanhouden van een langere RTV met zich brengt dat een beter beeld bestaat van de gezondheidssituatie van de vreemdeling op het moment dat het onderzoek naar de asielaanvraag aanvangt.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder in een geval als het onderhavige alleen gebonden is aan de in artikel 3, zevende lid, van de Vw genoemde termijn van maximaal 28 dagen. Het staat verweerder vrij om in iedere procedure te bezien of er een langere RVT wordt toegepast, of de asielaanvraag af te doen in de verlengde asielprocedure. Dit is een afweging die verweerder op individuele basis maakt. Verweerder baseert deze afweging op de vraag of het aannemelijk is dat hij de asielaanvraag binnen de wettelijke termijn kan afdoen, zoals paragraaf C1/2.5 van de Vc voorschrijft. Bij brief van 26 maart 2020 heeft verweerder eiser een planning gestuurd, waaruit blijkt dat het eerste gehoor zal plaatsvinden op 8 april 2020, het nader gehoor op 10 april 2020 en dat de laatste dag van de AA-termijn 15 april 2020 is. De asielaanvraag wordt dus naar verwachting binnen de wettelijke termijn van 28 dagen afgedaan. Gelet op het voorgaande meent verweerder dat hij niet onvoldoende voortvarend werkt en de verlenging niet in strijd is met de door eiser genoemde beginselen.

6.2

De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:1451) volgt dat verweerder een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van een vreemdeling. Voorts stelt verweerder terecht dat hij in elke zaak een individuele afweging maakt, met andere woorden op zijn eigen merites beoordeelt. De omstandigheid dat in een zaak een termijnoverschrijding wordt verwacht door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden of capaciteitsgebrek, waarna de asielaanvraag naar de verlengde asielprocedure wordt verwezen, betekent niet dat dat in alle zaken ook het geval is. In dit geval is er, gelet op de

planning voor de behandeling van de aanvraag van eiser (de brief van 26 maart 2020), geen reden om ervan uit te gaan dat de termijn van 28 dagen niet gehaald zal worden. De beroepsgrond van eiser, voor zover die ziet op de 28 dagen termijn, slaagt daarom niet.

Ten aanzien van de RVT overweegt de rechtbank dat artikel 3.109, eerste lid, van het Vb ook voor behandeling van asielaanvragen in de grensprocedure de mogelijkheid openlaat voor het aanhouden van een langere RVT dan de in die bepaling genoemde termijn van zes dagen. Dat zoals eiser op de telefonische hoorzitting heeft gesteld aanvankelijk door verweerder in deze zaak, al dan niet abusievelijk, is gesproken over een incubatietijd maakt dat niet anders. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 2 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3015, rechtsoverweging 3.2. De stelling van eiser dat slechts om drie redenen mag worden afgeweken van de RVT, slaagt niet omdat dit naar het oordeel van de rechtbank niet volgt uit artikel 3.109 van het Vb. Daarbij merkt de rechtbank op dat de voorwaarden die zijn genoemd in paragraaf C1/2.5 van de Vc waar eiser op doelt, van toepassing zijn voor de verlenging van de termijnen in de AA-procedure, hetgeen hier niet aan de orde is. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

7. Eiser voert verder aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat zicht op uitzetting naar Colombia binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er wordt vanwege het coronavirus niet meer op dat land gevlogen. Naar analogie van de Dublinclaimanten die zich in vreemdelingenbewaring bevinden, dient ook in eisers geval de bewaring zo kort mogelijk te duren en de vrijheidsontnemende maatregel te worden opgeheven. Eiser heeft hierbij onder meer verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 26 maart 2020 (NL20.5463) en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2020 (NL20.7204).

7.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich tijdens de telefonische hoorzitting, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2001), terecht op het standpunt gesteld dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De bewaring op deze grondslag is immers niet opgelegd met het oog op uitzetting, maar om eiser te beletten het land op onrechtmatige wijze binnen te komen tijdens de behandeling van de asielaanvraag. De beroepsgrond dat het zicht op uitzetting ontbreekt, slaagt reeds daarom niet. Hetgeen eiser daar verder over heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer.

8. Eiser voert tot slot aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel nu hij op een goed bevonden nationaal paspoort van Colombia is ingereisd en verweerder ten onrechte niet eerst heeft getoetst aan de toegangsvoorwaarden van de Schengengrenscode. Bovendien kan er in detentie geen 1,5 meter afstand van elkaar worden gehouden.

8.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom in het geval van eiser niet had moeten worden volstaan met de oplegging van een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft deze motivering niet betwist. De rechtbank merkt hierbij op dat de toegangsvoorwaarden in de Schengengrenscode niet relevant zijn, aangezien eiser aan de grens een asielaanvraag heeft gedaan. Dit betekent dat het besluit over de toegang tot Nederland op grond van artikel 43 van de Procedurerichtlijn is uitgesteld voor de duur van het onderzoek in de grensprocedure voor maximaal 28 dagen. Voor zover eiser stelt dat de detentieomstandigheden vanwege het coronavirus in strijd zijn met de artikelen 3 en 5 van het EVRM en artikel 6 van het Handvest, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in haar uitspraak van 12 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY1542) heeft geoordeeld dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. De rechtbank is, gelet op deze uitspraak, niet bevoegd zich uit te laten over het in het DTC geldende regime. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, kan eiser daarover klagen bij de daartoe geëigende instantie.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in detentie een groter risico loopt op schade aan zijn gezondheid als gevolg van de uitbraak van het coronavirus dan in de vrije maatschappij. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 3 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3073. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

9. De rechtbank concludeert gezien het voorgaande dat de vrijheidsontnemende maatregel over de periode van 21 maart 2020 tot 6 april 2020 rechtmatig is geweest. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiser over die periode een schadevergoeding toe te kennen.

10. De rechtbank ziet gezien hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.4 op grond van artikel 106 van de Vw aanleiding om aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige bewaring van 5 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) =

€ 400,-.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de telefonische hoorzitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 april 2020;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Pronk, griffier.

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 400,- uit te betalen.

Gedaan op 10 april 2020, door mr. W.B. Klaus, rechter.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus wordt deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.