Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
19/4213
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Mvv-nareis. Arrest E. Motiveringsgebrek in tussenuitspraak hersteld. PKV-veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4213

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder

(gemachtigde: mr. L. Kersten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging voorlopig verblijf (mvv) aan [belanghebbende 2] (door verweerder ook geschreven als [belanghebbende 1] , hierna te noemen: belanghebbende) voor het doel “nareis asiel” bij eiser afgewezen.

Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Tevens is B. Habte Essaias, tolk, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 20 november 2019 heeft deze rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen.

Verweerder heeft bij aanvullend besluit van 12 december 2019 het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd.

Eiser heeft op 8 januari 2020 op het aanvullend besluit zijn zienswijze gegeven.

Beide partijen hebben niet aangegeven een nadere zitting te willen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor een uiteenzetting van de voor deze zaken van belang zijnde en aan de tussenuitspraak voorafgaande feiten omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder niet heeft voldaan aan de in de uitspraak van 28 december 2018 (zaaknummer AWB 17/7839) genoemde opdracht van de rechtbank. Verweerder heeft niet expliciet de inhoud van de verklaringen die eiser en belanghebbende hebben afgelegd op 12 maart 2019 betrokken, waaruit volgens eiser zijn huwelijk met belanghebbende blijkt. Verweerder heeft niet mede aan de hand van de verklaringen gemotiveerd waarom volgens hem het huwelijk niet aannemelijk is gemaakt.

3. In het aanvullende besluit van 12 december 2019 heeft verweerder zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat belanghebbende haar identiteit en familierechtelijke relatie met eiser niet heeft aangetoond met officiële documenten. De door eiser overgelegde indicatieve bewijsmiddelen, te weten een doopakte van belanghebbende, een kerkelijke huwelijksakte, een UNHCR-verklaring van het kantoor in Ethiopië, het schoolrapport, foto’s van het gestelde huwelijk, kopieën van de identiteitsbewijzen van de ouders van belanghebbende, een kopie van de bewonerspas van de vader van belanghebbende en een aantal getuigenverklaringen, overtuigen volgens verweerder ook niet. Voorts heeft verweerder overwogen dat eiser en belanghebbende op cruciale punten tegenstrijdig hebben verklaard. Verweerder heeft overwogen dat tussen eiser en belanghebbende eerder sprake is geweest van een schijnhuwelijk, nu hun verklaringen ook erop wijzen dat zij niet het dagelijks leven met elkaar hebben gedeeld.

3.1

Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat belanghebbende geen officiële identiteitskaart heeft overgelegd. Belanghebbende heeft altijd zonder identiteitskaart kunnen reizen doordat de controles in noordelijke richting vanaf haar dorp niet streng waren. Controles in de zuidelijke richting wel omdat dan wordt vermoed dat men het land wil verlaten. Belanghebbende reisde alleen in noordelijke richting vanaf haar dorp. Ook heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat belanghebbende niet beschikt over bepaalde indicatieve documenten, zoals een woningregistratiekaart en een schoolpas. Er is geen verplichting om uit te leggen waarom belanghebbende bepaalde indicatieve documenten wel/niet heeft. Verweerder heeft geen gevolgen verbonden aan het feit dat belanghebbende vaag over haar schoolopleiding heeft verklaard. Bovendien heeft belanghebbende een verklaring gegeven voor het feit dat zij niet meer weet hoe oud zij was toen zij naar school ging, namelijk dat het lang geleden is en zij daarom niet alles meer weet. Belanghebbende heeft wel verklaard over haar school. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het schoolrapport de twijfel over haar identiteit niet kan wegnemen. Dat belanghebbende minderjarig was, stond aan een rechtsgeldig huwelijk niet in de weg. De foto’s en de tekst op het spandoek alsmede de kledij van eiser en belanghebbende op de foto zijn wel degelijk een bewijs van hun huwelijk nu elke Eritreeër aan de hand van de kleding op de foto kan herkennen wie de bruid en de bruidegom is, omdat zij anders gekleed zijn dan de anderen.

Voorts bestrijden eiser en belanghebbende dat zij op punten tegenstrijdig hebben verklaard. Dat eiser bijvoorbeeld niet precies de huwelijksdatum, de leeftijd van belanghebbende en haar broers en zussen wist, heeft ermee te maken dat voor hem data en leeftijden niet belangrijk zijn. Datzelfde geldt ook voor belanghebbende.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het arrest E. het algemene toetsingskader in nareiszaken op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn uiteen is gezet en nader is toegelicht1. De rechtbank neemt de Gezinsherenigingsrichtlijn en dit arrest daarom als algemeen uitgangspunt bij de beoordeling.

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag niet heeft afgewezen op de grond dat eiser dan wel belanghebbende de op hen rustende samenwerkingsverplichting overduidelijk niet zijn nagekomen of op de grond dat duidelijk blijkt dat sprake is van een frauduleus verzoek om gezinshereniging zoals bedoeld in rechtsoverweging 67 van voornoemd arrest E.. Nu daarvan geen sprake is, moeten het ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de identiteit en gezinsband blijkt en het eventuele gebrek aan plausibiliteit van de daarover gegeven uitleg enkel worden aangemerkt als elementen waarmee door verweerder rekening moet worden gehouden bij de individuele beoordeling van alle relevante elementen van het geval tezamen.

4.2

Vast staat dat eiser en belanghebbende geen officiële, door de Eritrese autoriteiten afgegeven, identiteitsdocumenten of documenten die de feitelijke familieband aantonen, hebben overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door hen gegeven uitleg waarom zijn geen officiële of andere indicatieve documenten kunnen overleggen, onvoldoende is. Verweerder heeft de verklaringen van eiser en belanghebbende afgezet tegen de informatie in de algemene ambtsberichten van Eritrea, waarin onder meer vermeld staat dat ook de Eritreeërs die op het platteland wonen, doorgaans over meerdere identiteitsdocumenten beschikken. Ook gelet op de verklaring van belanghebbende dat zij naar school is gegaan en dat zij naar onder andere de stad [stad 1] reisde en vanaf vijftien jarige leeftijd naar eigen zeggen ook naar [stad 2] reisde, een plaatst die hemelsbreed op een afstand van 54 kilometer van haar woonplaats afligt, heeft verweerder het niet ten onrechte bevreemdend geacht dat belanghebbende geen enkel document (zoals een identiteitskaart, woonregistratiepas of een schoolkaart) heeft gehad of heeft aangevraagd om zich te kunnen identificeren, ook gelet op het feit dat controles worden uitgevoerd op de wegen van Eritrea. Nog los van de vraag of belanghebbende ten tijde van het gestelde huwelijk minderjarig was en of dat een rechtsgeldig huwelijk wel of niet in de weg stond, blijkt uit het Algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea van 21 juni 2018 dat alle huwelijken dienen te worden geregistreerd en binnen een maand in de burgerlijke stand moeten worden ingeschreven. Eiser en belanghebbende hebben daarom niet aannemelijk hebben gemaakt waarom zij niet beschikken over een officiële huwelijksakte.

4.3

Verweerder heeft voorts bij de beoordeling alle door eiser overgelegde documenten betrokken en gemotiveerd waarom deze niet kunnen worden aangemerkt als substantieel indicatieve documenten ter onderbouwing van de identiteit van belanghebbende of de familierechtelijke relatie tussen eiser en belanghebbende. Eiser heeft de conclusies van Bureau documenten in de rapporten van 14 februari 2018 en 7 maart 2019 ten aanzien van de doopakte en de kerkelijke huwelijksakte, namelijk dat deze niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, niet bestreden. Eiser heeft daarnaast niet onderbouwd waarom een contra-expertise niet mogelijk is. Evenmin heeft hij de conclusies van verweerder ten aanzien van de UNHCR-verklaring (dat deze op grond van eigen verklaringen van belanghebbende is afgegeven), de kopieën van de identiteitsbewijzen van de ouders van belanghebbende, de bewonerspas van de vader van belanghebbende en de getuigenverklaringen, bestreden. Verweerder heeft in tegenstelling tot eiser stelt, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gemotiveerd waarom het schoolrapport geen identificerend document is, omdat het makkelijk is na te maken en er geen geboortedatum van belanghebbende op staat. Anders dan eiser stelt, zijn ook de foto’s van het gestelde huwelijk geen substantieel indicatief bewijs van het huwelijk, nu deze niet gedateerd zijn, bewerkt of in scene gezet kunnen zijn of van een ander (huwelijks)feest kunnen zijn.

4.4

Uit het vorenstaande volgt dat eiser en belanghebbende hun huwelijk niet met documenten aannemelijk hebben gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat zij ook met de door hen afgelegde verklaringen het gestelde huwelijk niet aannemelijk hebben gemaakt, doordat zij daarover tegenstrijdige, afwijkende dan wel bevreemdende verklaringen hebben afgelegd.
Zo heeft verweerder eiser terecht tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de huwelijksceremonie, door tijdens het eerste gehoor in zijn asielprocedure te verklaren dat hij en belanghebbende voor de huwelijksceremonie niet naar de kerk zijn gegaan maar de priester bij hem in huis is gekomen en tijdens het gehoor op 12 maart 2019 te verklaren dat het huwelijk in de kerk van zijn dorp is voltrokken en dat hij daar samen met belanghebbende naar toe is gegaan. Eisers opmerking in de zienswijze dat zijn verklaring op 12 maart 2019 klopt en dat zijn verklaring tijdens het eerste asielgehoor niet klopt en verkeerd is genoteerd, is onvoldoende voor een ander oordeel, reeds omdat eiser de mogelijkheid heeft gehad en gebruikt correcties aan te brengen op wat in het verslag van het eerste gehoor is genoteerd over alles wat hij heeft verklaard, maar dat op dit punt niet heeft gedaan.

Verder heeft verweerder terecht bevreemdend gevonden dat eiser de leeftijd van belanghebbende niet weet, de datum en de dag van de week van het huwelijk niet en de leeftijden van de broers en zussen van belanghebbende niet. Ook belanghebbende weet niet hoe oud eiser was op het moment van het huwelijk. Verder heeft zij tegenstrijdig verklaard over de broers en zussen van eiser en weet zij niet te vertellen wat voor studie eiser precies volgde, of wat voor interesses hij had. Dat voor hen data en leeftijden niet belangrijk zouden zijn, doet er niet aan af dat, zoals verweerder in het aanvullend besluit heeft gesteld, dit wel elementen zijn waarvan van gestelde huwelijkspartners mag worden verwacht dat zij dit van elkaar weten.
Al op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat eiser en belanghebbende hun gestelde huwelijk ook door middel van het afleggen van verklaringen niet aannemelijk hebben gemaakt. Hetgeen verweerder in het aanvullende besluit verder in de beoordeling van die verklaringen heeft betrokken en wat eiser daartegen heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

5. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn aanvullend besluit van 12 december 2019 het motiveringsgebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1.312,50;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 174,- aan hem vergoedt;

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op

een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze

uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier op 3 april 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 13 maart 2019 in de zaak E. (ECLI:EU:C:2019:192)