Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4836
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKW en ingezetene

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor haar kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het 1e kwartaal van 2019.

Bij besluit van 3 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres

ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft van 23 december 2004 tot en met 29 mei 2013 in Nederland gewoond. Vervolgens is zij vertrokken naar Suriname. Op 8 november 2018 is eiseres vanuit Suriname naar Nederland gekomen met haar kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, hebben de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige 2] gaat sinds 23 november 2018 in Nederland naar school.

2. Op 31 december 2018 heeft eiseres kinderbijslag op grond van de AKW aangevraagd voor haar twee kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf het eerste kwartaal van 2019.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om kinderbijslag over het eerste kwartaal afgewezen op de grond dat eiseres nog geen duurzame band met Nederland heeft. Eiseres was volgens verweerder op 1 januari 2019 bekend op een zogenaamd briefadres en woonde volgens haar eigen opgave sinds 29 januari 2019 in een crisiswoning. Ook werkte eiseres niet in Nederland en ontving zij geen uitkering.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiseres voert aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij en haar kinderen de Nederlandse nationaliteit bezitten. Zij heeft op 20 december 2018 een bijstandsuitkering aangevraagd. De gemeente Leiden heeft ook erkend dat zij een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend. Verder voert eiseres aan dat haar partner sinds januari 2019 in Nederland werkt. Door verweerder is ook erkend dat haar partner vanaf 23 januari 2019 is verzekerd voor de Wlz. Haar gezin woont in Nederland en haar kinderen gaan ook in Nederland naar school. Zij en haar gezin beschikken via Stichting De Binnenvest sinds 3 december 2018 over een zelfstandige woonruimte, waarin zij geen voorzieningen met derden hoeven te delen. Eiseres betoogt dat zij gelet op deze feiten en omstandigheden en op grond van de Beleidsregels van verweerder wel degelijk een ingezetene van Nederland is en dat zij een duurzame persoonlijke band met Nederland heeft. Voorts voert eiseres aan dat verweerder niet heeft aangegeven waarom het ingezetenschap in Nederland langzaam weer wordt opgebouwd en hoe lang dit in haar geval, onder medeneming van alle door haar genoemde omstandigheden, zal duren. Verweerder had ook op 1 april 2019 en 1 juli 2019 dienen te bezien of zij aan de voorwaarden voor kinderbijslag voldeed.

5. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de AKW heeft recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is.

6. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van de AKW de eerste dag van een kalenderkwartaal de peildatum is. Dit betekent dat in dit geval 1 januari 2019 als peildatum moet worden gezien. In geschil is of eiseres aanspraak op kinderbijslag kan maken over het eerste kwartaal van 2019 voor haar kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

7. Ingezetene in de zin van de AKW is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011: BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2695.

8. Het is eveneens vaste rechtspraak van de CRvB dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen. Voorts wordt bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland met name de duur van het verblijf in Nederland en de omstandigheid of iemand in Nederland al dan niet beschikt over zelfstandige woonruimte van belang geacht.

9. Bij besluiten op aanvraag ligt de bewijslast voor het aannemelijk maken van de (rechts)feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden in hoofdzaak bij de aanvrager. Daarvoor is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager, zoals in het onderhavige geval.

Dit betekent dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat op de peildatum van

1 januari 2019 sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen haar en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de AKW.

10. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er te weinig aanknopingspunten zijn om een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiseres en Nederland aan te nemen op de peildatum van 1 januari 2019. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres op de peildatum nog maar een korte tijd, namelijk iets minder dan twee maanden, in Nederland verbleef. Voorts beschikte eiseres op de peildatum niet over een zelfstandige woonruimte. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij vanaf 3 december 2018 via Stichting de Binnenvest verbleef in een hotel en dat zij vanaf eind januari 2019 in een crisiswoning woonde. Verder is gebleken dat eiseres op de peildatum geen werk en geen bijstandsuitkering had. Het enkele feit dat eiseres een bijstandsuitkering had aangevraagd, haar kind naar school ging en zij de Nederlandse nationaliteit heeft, is onvoldoende om de conclusie te trekken dat eiseres een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Deze door eiseres genoemde omstandigheden leggen onvoldoende gewicht in de schaal om op de peildatum ingezetenschap aan te nemen. Dat eiseres op de peildatum de intentie had om zich permanent in Nederland te vestigen en dat zij eerder 5,5 jaar in Nederland heeft gewoond, is onvoldoende om op de peildatum ingezetenschap aan te nemen. De voorheen bestaande band van persoonlijke aard tussen eiseres en Nederland is in ieder geval na eind mei 2013 verbroken door de toen door eiseres beoogde definitieve vestiging van eiseres bij haar partner in Suriname.

11. Anders dan eiseres betoogt kan het onderhavige geding geen betrekking hebben op latere aanspraken dan die over het eerste kwartaal van 1 januari 2019. In de AKW is immers bepaald dat het recht op kinderbijslag wordt bepaald aan de hand van de situatie op de peildatum. Dat is in dit geval de eerste dag van de eerste maand van een kwartaal, zijnde 1 januari 2019. De latere aanspraken van eiseres op kinderbijslag vallen daarom buiten de grondslag en reikwijdte van het bestreden besluit.

12. De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat op 1 januari 2019 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiseres en Nederland. Van ingezetenschap als bedoeld in artikel 6 van de AKW is op de peildatum dan ook geen sprake. Dit betekent dat eiseres over het eerste kwartaal van 2019 geen recht had op kinderbijslag.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2020 door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.