Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3312

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2842
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AIO, inrichtingsnorm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2842

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door [A] , werkzaam bij de Kessler Stichting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt vanaf 1 september 2009 een gekort alleenstaandenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij woont sinds 21 oktober 2018 in de maatschappelijke opvang van de Kessler Stichting op het adres [adres] te Den Haag.

2. Verweerder heeft op 15 november 2018 eisers aanvraag om een AIO-aanvulling ontvangen. In verband met deze aanvraag heeft verweerder eiser bij brief van 19 november 2018 gevraagd om onder meer door middel van een verzekeringspolis of taxatierapport de waarde van de auto’s, die op naam van eiser staan, aan te tonen. Op 5 december 2018 heeft eiser schriftelijk een verklaring gegeven over de waarde van zijn auto’s. Omdat verweerder deze verklaring niet voldoende vond, is eiser bij brief van 10 december 2018 opnieuw gevraagd om de waarde van zijn auto’s aan te tonen. Eiser heeft hierop niet gereageerd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser om een AIO-aanvulling afgewezen op de grond dat eiser niet de volledige informatie heeft verstrekt, zodat het recht van eiser op een AIO-aanvulling niet kan worden vastgesteld.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag van eiser om een AIO-aanvulling, na bezwaar gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser verblijft in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, ten tweede, van de Pw en dat daarom voor eiser de inrichtingsnorm zoals die is genoemd in artikel 23 van de Pw geldt. Voor eiser is dit een bedrag van € 359,72 per maand. Omdat het inkomen van eiser ter hoogte van € 756,70 boven deze norm ligt heeft eiser volgens verweerder geen recht op een AIO-aanvulling.

5. Eiser voert aan dat hij wel recht heeft op een AIO-aanvulling. Hij betoogt dat hij tijdelijk verblijft bij de Kessler Stichting te Den Haag. Zijn verblijf betreft een kort verblijf welke niet onder de Wlz maar onder de Wmo valt. De Kessler Stichting heeft deze woonvorm ook maar daar maakt hij geen gebruik van. De inrichtingsnorm is dan ook niet van toepassing op hem. Zijn eigen bijdrage conform de Wmo Den Haag 2018, bijlage VIII, bedraagt per maand € 564,05. Als hij dit bedrag met zijn AOW-pensioen, dat

€ 735,64 bedraagt, moet betalen, kan hij zijn andere lasten zoals de kosten voor zorg niet neer betalen. Eiser betoogt verder dat de gemeente Den Haag aan anderen die kortdurend woonachtig zijn aan de [adres] een volledige alleenstaande uitkering verstrekt op grond van de Pw. Deze vorm van wonen wordt ook door de gemeente gezien als kortdurende maatschappelijke opvang. Verweerder wijkt hiermee af van de gemeente Den Haag, aldus eiser.

6. De te beoordelen periode begint op de datum van de AIO-aanvraag, 15 november 2018, en eindigt op de datum van het primaire besluit, 28 december 2018.

7.1.

Tussen partijen is in geschil of de Kessler Stichting een inrichting is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Pw.

7.2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Pw wordt onder een ‘inrichting’ verstaan: een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;

7.3.

In de memorie van toelichting bij deze bepaling (toen artikel 1, aanhef en onder g,

onder 2 van de Wet werk en bijstand) heeft de wetgever met betrekking tot het begrip inrichting het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 31):

“De in artikel 1, onderdeel g, onder 2, opgenomen begripsomschrijving strekt ertoe om ten aanzien van de voorzieningen voor maatschappelijke opvang een objectief waarneembare scheidslijn te trekken tussen datgene dat als, al dan niet begeleid, zelfstandig wonen, kan worden beschouwd en datgene dat als verblijf in een inrichting moet worden bezien. Het gaat daarbij om voorzieningen waarbij aan personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van psychosociale of maatschappelijke aard in ieder geval slaapgelegenheid wordt geboden in opvangcentra en -tehuizen, anders dan in de vorm van zelfstandige huisvesting, tezamen met de mogelijkheid van begeleiding en hulpverlening gedurende meer dan de helft van ieder etmaal. Onder hulpverlening en begeleiding in de zin van het begrip inrichting dient te worden verstaan de inzet van beroepskrachten die door de instelling zijn aangesteld voor het bieden van verzorging en verpleging dan wel voor het door hen toepassen van agogische methodieken. Wordt hulpverlening en begeleiding in deze betekenis gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aangeboden, dan is sprake van een inrichting in de zin van artikel 1, onderdeel g, onder 2. Een instelling voor maatschappelijke opvang kan meerdere voorzieningen omvatten. Als een voorziening voor maatschappelijke opvang wel de mogelijkheid van hulpverlening en begeleiding omvat, maar de betreffende cliënt hiervan geen gebruik maakt, dan is voor deze voorziening toch sprake van een inrichting in de zin van deze wet en is artikel 23 van de Pw van toepassing.”

8. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij bij de Kessler Stichting een eigen kamer met een bed en televisie heeft. De overige voorzieningen, zoals toilet, badkamer etc. worden gedeeld met anderen. De Kessler Stichting verzorgt het ontbijt, de lunch en het avondeten. Gelet hierop richt de Kessler Stichting zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden op het bieden van slaapgelegenheid, anders dan in de vorm van zelfstandige huisvesting. Daarnaast is ter zitting van de zijde van de Kessler Stichting verklaard dat zij 24 uurs begeleiding aanbiedt en dat de begeleiding plaatsvindt door beroepskrachten. Verder is ter zitting gebleken dat eiser een persoonlijke begeleider heeft, die hem onder meer begeleidt bij het vinden van werk of vrijwilligerswerk, huisvesting en het beheren van zijn budget. Voorts komt uit de voorhanden zijnde stukken naar voren dat de locatie van de Kessler Stichting niet valt onder een Wlz-voorziening.

9. Uit overweging 8 volgt dat de Kessler Stichting moet worden gekwalificeerd als een inrichting in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede van de Pw. Dit betekent dat verweerder in het geval van eiser bij de vaststelling van eisers recht op een AIO-aanvulling uit dient te gaan van de inrichtingsnorm van een alleenstaande als vermeld in artikel 23 van de Pw. Nu de inrichtingsnorm in de hier te beoordelen periode € 359,72 per maand bedroeg en de hoogte van het AOW-pensioen € 756,70 per maand, ligt het inkomen van eiser dus boven de voor hem geldende inrichtingsnorm. Gelet hierop heeft eiser geen recht op een AIO-aanvulling. De door eiser gestelde omstandigheid dat hij niet in een verpleeghuis verblijft doet aan het voorgaande niet af, omdat niet in geschil is dat geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw.

10. Voor zover eiser met zijn betoog dat de gemeente Den Haag aan anderen die kortdurend woonachtig zijn bij de Kessler Stichting een volledige alleenstaande uitkering verstrekt op grond van de Pw, bedoeld heeft een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat eiser zijn betoog niet heeft onderbouwd met concrete gegevens. Het betoog van eiser kan reeds daarom niet slagen. In wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit voor onjuist te houden.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door eiser gevraagde AIO-aanvulling terecht afgewezen.

12. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ter zitting door verweerder is opgemerkt dat uit het afschrift van de bepaling eigen bijdrage door de Kessler Stichting van 23 november 2018 naar voren lijkt te komen dat de Kessler Stichting ervan uitgaat dat eiser een AIO-aanvulling ontvangt, terwijl dat niet het geval is. Ter zitting is van de zijde van de Kessler Stichting verklaard dat nagegaan zal worden of er inderdaad bij de vaststelling van de eigen bijdrage van eiser rekening wordt gehouden met een inkomen dat eiser niet ontvangt en dat als dat het geval zou zijn, de hoogte van de eigen bijdrage van eiser gecorrigeerd zal worden.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.