Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2309
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot beëindiging Ziektewet-uitkering. Volgens verweerder kan eiseres ten minste één van de eerder in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling geduide functies verrichten. Eiseres stelt dat haar klachten na deze beoordeling zijn verergerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat de gestelde verergering van klachten niet medisch te objectiveren is. Verweerder heeft terecht besloten de Ziektewet-uitkering van eiseres te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2309

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Boesjes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: F.J. Latenstein).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiseres ontving ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 18 januari 2019.

Bij besluit van 1 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was laatstelijk werkzaam als medewerker catering voor 37,5 uur per week. Na twee eerdere ziekmeldingen heeft eiseres zich op 26 september 2016 opnieuw ziekgemeld. Bij besluit van 23 december 2016 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend met ingang van dezelfde datum. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling is bij besluit van 27 februari 2018 de ZW-uitkering van eiseres beëindigd per 28 maart 2018. Bij besluit van 30 juli 2018 is het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 februari 2018 ongegrond verklaard. Tegen het besluit op bezwaar van 30 juli 2018 heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2

Eiseres heeft zich vanuit de Werkloosheidswet op 2 augustus 2018 opnieuw ziekgemeld met ingang van 26 juli 2018 met klachten aan de linkerenkel. Eiseres heeft op 20 september 2018 een operatieve ingreep hiervoor ondergaan. Bij besluit van
7 december 2018 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend met ingang van
25 oktober 2018.

2. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit, waarin de ZW-uitkering van eiseres is beëindigd met ingang van 18 januari 2019, gehandhaafd. Dit berust op het standpunt dat eiseres per 18 januari 2019 geschikt is voor de eerder in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geduide functies.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres kan de bij de eerstejaars ZW-beoordeling geduide functies niet verrichten wegens haar rug- en enkelklachten. Zij is het niet eens met het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat haar arbeidsvermogen ongewijzigd is ten opzichte van de in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 juli 2018. Na het opstellen van deze FML zijn de klachten van eiseres verergerd en ondanks een operatie blijven bestaan. In de FML zijn onvoldoende beperkingen opgenomen. Gelet hierop is eiseres niet in staat de geduide functies te verrichten.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

In artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

5.2

Met het eigen werk wordt bedoeld: het laatste voor de ziekmelding verrichte werk. In dit geval geldt als maatstaf gangbare arbeid de arbeid zoals die nader geconcretiseerd is bij de eerstejaars ZW-beoordeling. Bij die beoordeling is een aantal functies voor de betrokken verzekerde geschikt geacht. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Dit is conform de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), verwoord in de uitspraak van 22 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1212).

6. De rechtbank heeft te beoordelen of het standpunt van verweerder dat eiseres per

18 januari 2019 geschikt is om ten minste één van de eerder in het kader van de eerstejaars Zw-beoordeling geduide functies te vervullen, juist is. Voor zover de beroepsgronden gericht zijn tegen de FML van 13 juli 2018 stelt de rechtbank vast dat tegen de beslissing op bezwaar van 30 juli 2018 in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit besluit, alsmede de FML, in rechte vast is komen te staan. Daarmee zijn de functies die in het kader van die procedure zijn geduid de maatstaf geworden bij de beoordeling of eiseres geschikt is tot het verrichten van arbeid. Via deze procedure kan niet worden opgekomen tegen de FML van 13 juli 2018 en de beslissing op bezwaar van 30 juli 2018.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de rapporten van de verzekeringsartsen mag volgen als aan drie voorwaarden is voldaan. De rapporten moeten zorgvuldig zijn opgesteld, ze mogen niet tegenstrijdig zijn en ze moeten begrijpelijk zijn. Als eiseres vindt dat het rapport niet aan deze voorwaarden voldoet, dan moet zij uitleggen waarom zij dat vindt. Als eiseres het niet eens is met de beoordeling van de verzekeringsartsen, dan moet zij een rapport van een andere arts inbrengen waaruit blijkt dat de beoordeling onjuist is. De rechtbank vindt het niet genoeg als eiseres alleen haar gezondheidsklachten noemt.

8.1

Op 15 januari 2019 heeft de primaire verzekeringsarts eiseres op het spreekuur gezien, waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht. Aan de hand van zijn bevindingen heeft de primaire verzekeringsarts geconcludeerd dat het arbeidsvermogen van eiseres ongewijzigd is ten opzichte van de FML van 13 juli 2018. Eiseres is in deze FML beperkt geacht in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Deze beperkingen houden met name verband met de rug- en enkelklachten. Eiseres is aangewezen op linkerenkelsparende arbeid en geschikt voor de geduide functies, aldus de primaire verzekeringsarts.

8.2

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) op 28 februari 2019 een rapport uitgebracht, gebaseerd op de hoorzitting/het spreekuur op 28 februari 2019 en dossieronderzoek. Na overlegd te hebben met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) over de belasting van de geduide functies stelt de verzekeringsarts b&b dat eiseres op 18 januari 2019, de datum in geding, geschikt was voor het verrichten van drie van de vier geduide functies in verband met een weke zwelling van de linkerenkel. Ten tijde van het onderzoek in bezwaar op 28 februari 2019 stelt hij dat eiseres geschikt is voor alle functies nu geen afwijkingen meer aan de enkel worden gevonden.

8.3

Na ontvangst van de aanvullende beroepsgronden heeft de verzekeringsarts b&b op 9 juli 2019 een aanvullend rapport opgesteld. In dit rapport stelt hij dat ten aanzien van de rugklachten door verschillende verzekeringsartsen alsmede een neuroloog geen afwijkingen zijn gevonden. Bij de ziekmelding op 2 augustus 2018 heeft eiseres geen toename van rugklachten vermeld.

9.1

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De primaire verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en eiseres psychisch en lichamelijk onderzocht. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat de primaire verzekeringsarts de ingebrachte medische informatie bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en eiseres lichamelijk onderzocht. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat alle klachten van eiseres in de beoordeling zijn betrokken. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien en alle beschikbare informatie is meegenomen in de beoordeling.

9.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat de beroepsgronden geen reden geven te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b. Er zijn met betrekking tot de rug-, been- en enkelklachten diverse beperkingen opgenomen in de FML van 13 juli 2018. De door eiseres gestelde verergering van de enkelklachten per de datum in geding is medisch niet te objectiveren. Volgens de verzekeringsarts b&b moet op de datum in geding, vier maanden na de operatie aan de enkel, het herstel zijn ingetreden. Op de datum in geding constateert de primaire verzekeringsarts slechts nog een weke zwelling van de linkerenkel. De verzekeringsarts b&b stelt op 28 februari 2019 een niet gezwollen maar slanke enkel vast, waarvan de functie niet meer duidelijk beperkt is. Ook een toename van de beperkingen aan de rug op de datum in geding is niet medisch te objectiveren. Eiseres heeft bij haar ziekmelding geen toename van rugklachten gemeld. Ook is niet gebleken van nieuwe onderzoeken/behandelingen voor de rugklachten van eiseres, waarbij toegenomen afwijkingen aan de rug zijn vastgesteld, zoals de verzekeringsarts b&b in zijn aanvullend rapport van 9 juli 2019 heeft toegelicht. Eiseres heeft in beroep ook geen nieuwe medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat per de datum in geding haar klachten zijn verergerd. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd toegelicht dat en waarom eiseres per de datum in geding geschikt is voor de drie in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geduide functies (productiemedewerker industrie, samensteller elektronische apparatuur/wikkelaar en administratief ondersteunend medewerker) die zittend kunnen worden verricht.

10. Uit het voorgaande volgt dat eiseres per 18 januari 2019 in staat moet worden geacht om tenminste één van de eerder in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geduide functies te verrichten. Verweerder heeft daarom terecht en op goede gronden besloten de ZW-uitkering van eiseres te beëindigen per 18 januari 2019.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.