Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3291

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/4778
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Intrekking frauduleus verkregen verblijfsvergunning nav intern onderzoek IND”

“De verblijfsvergunning is ingetrokken ogv art. 19 in samenhang met art. 18, lid 1, onder c en f van de Vw. Naar aanleiding van ambtshalve opgekomen info is de IND een intern onderzoek gestart naar een individuele medewerker. Uit het onderzoek zijn 16 zaken naar voren gekomen die allemaal één of meer kenmerken hebben die onderling overeenkomen. Vwr heeft voldaan aan bewijslast intrekkingsgrond. Eiser brengt daar onvoldoende tegenin. De intrekking is niet in strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4778

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: S.Q. Sandifort Msc.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “privéleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” ingetrokken met terugwerkende kracht tot 7 september 2016. Tevens heeft verweerder bij dit besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Bij besluit van 23 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is op 12 december 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM”. De vergunning is verleend met ingang van 7 september 2016, met een geldigheidsduur tot 7 september 2021. Op 12 oktober 2018 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken. Eiser heeft hierop bij brief van 12 november 2018 gereageerd. Op 15 maart 2019 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. Hierop heeft eiser bij brief van 29 maart 2019 gereageerd, waarna het primaire besluit is genomen.

2.1.

Aan het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder ten grondslag gelegd artikel 19 van de Vw in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c en f van de Vw. Naar aanleiding van ambtshalve opgekomen (handhavings)informatie is Bureau Integriteit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2018 een intern onderzoek gestart naar een individuele medewerker in verband met mogelijke frauduleuze afgifte van verblijfsvergunningen. Uit het onderzoek zijn 16 zaken naar voren gekomen, waar het dossier van eiser er één van is. De zaken die zijn onderzocht hebben allemaal één of meer kenmerken die onderling overeenkomen, maar die alle sterk afwijken van de dagelijkse praktijk bij dergelijke aanvragen en vergunningverleningen.

2.2.

Enkele voorbeelden daarvan zijn volgens verweerder de betrokkenheid van de desbetreffende IND medewerker en de wijze waarop de administratieve handelingen zijn verricht en de correspondentie is aangemaakt, het feit dat geen leges zijn betaald of dat een bedrag is betaald dat qua hoogte niet paste bij de gevraagde verblijfsvergunning, het ontbreken van een aanvraag of van een volledig ingevulde aanvraag in het dossier (bijvoorbeeld persoonlijke contactgegevens die ontbraken), het ontbreken van bewijs-stukken en een begeleidend schrijven ter onderbouwing van de aanvraag en het feit dat in het systeem opgetekende gegevens over de loketafhandeling/aanvraag niet met de werkelijkheid overeenkwamen. De betreffende vergunningen bleken ook onder eenzelfde soort beperking te zijn verleend, die gebruikelijk gebaseerd is op een aanvraag met veel bewijs- en dossierstukken.

2.3.

Volgens verweerder zijn in het dossier van eiser ongerijmdheden en onregelmatig-heden geconstateerd die duiden op een onterecht verleende verblijfsvergunning. Ook is niet gebleken dat eiser op enig moment heeft voldaan aan de voorwaarden van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Er is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden om van intrekking van de verblijfsvergunning af te zien.

3. De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit, in onderlinge samenhang gelezen met het verweerschrift en de toelichting daarop ter zitting van verweerder, voldoende blijkt dat hij aan de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning ten grondslag heeft gelegd artikel 19 van de Vw in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c én f van de Vw. In het primaire besluit, zoals is gehandhaafd bij het bestreden besluit, staat dat niet is gebleken dat eiser op enig moment aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van “privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM” heeft voldaan en daarbij zou moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Dat deze zinsnede enkel zou zijn vermeld om in het kader van de belangenafweging vast te stellen of verweerder van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik kan maken, volgt de rechtbank niet. De betreffende zinsnede in het bestreden besluit spreekt namelijk helemaal niet over een belangenafweging. Ook verder zijn er geen aanknopingspunten om eiser hierin te volgen.

4. De beroepsgrond dat verweerder de intrekkingsgronden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, faalt.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van een verblijfsvergunning een belastend besluit is, waarbij het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Verweerder dient aannemelijk te maken dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid (18, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw) of dat niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden (18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw). Als door verweerder aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan eiser om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.

4.2.

Uit de stukken blijkt dat eisers dossier naar voren is gekomen in verband met een in 2018 gestart onderzoek naar fraude ten aanzien van verleende verblijfsvergunningen met eenzelfde beperking als aan eiser is verleend. Uit het onderzoek dat vervolgens is uitgevoerd is gebleken dat in het dossier van eiser geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat hij in aanmerking kwam voor vrijstelling van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf of waaruit volgt dat hij voldoet aan de voorwaarden van verlening van de verblijfsvergunning. Op grond van deze gegevens, in onderlinge samenhang bezien met de (in zoverre niet gemotiveerd betwiste) feiten zoals hiervoor opgenomen in 2.1 tot en met 2.3, heeft verweerder voldaan aan zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser niet voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw. Verweerder hoefde dan ook geen nadere gegevens over te leggen met betrekking tot het in 2018 door Bureau Integriteit van de IND opgestarte interne onderzoek naar een individuele medewerker in verband met mogelijke frauduleuze afgifte van verblijfsvergunningen om aan te tonen dat geen sprake is van een eenmalige ambtelijke misslag.

4.3.

Nu verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan eiser om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen. Hij heeft hieraan niet voldaan. Eiser heeft de bevindingen van verweerder niet gemotiveerd betwist. Zo heeft hij tot op heden niet kunnen aantonen dat hij destijds voldeed aan de voorwaarden voor vergunningverlening en dat hij in dat kader stukken heeft overgelegd. Gelet hierop heeft verweerder gebruik kunnen maken van zijn intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 19 van de Vw in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw. Of verweerder ook de c-grond van artikel 18, eerste lid, van de Vw aan de intrekking ten grondslag heeft kunnen leggen, kan in het midden blijven.

5. De beroepsgrond dat de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen zich verzetten tegen de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, faalt.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat in beginsel geen beroep mogelijk is op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel wanneer aan de vereisten van artikel 19 van de Vw in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c of f van de Vw wordt voldaan. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3313), dient een vreemdeling die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, er immers steeds rekening mee te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden. Evenwel kunnen zich zodanige bijzondere feiten en/of omstandigheden voordoen dat de desbetreffende vreemdeling er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een verleende verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat deze rechtspraak ook van toepassing is op zaken waarin op andere gronden sprake is geweest van vergunningverlening zonder dat aan de voorwaarden voor verlening wordt voldaan.

5.2.

Eiser heeft geen bijzondere feiten en/of omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, gesteld op grond waarvan hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de aan hem verleende verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken. De enkele stelling dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt, is daartoe onvoldoende. Ook is gebleken dat in de brief in eisers dossier waarin wordt verzocht om leges te betalen, een onjuist legesbedrag wordt genoemd voor het aangevraagde verblijfsdoel. Daarnaast komen eisers verklaringen in het memo van het loketbezoek niet overeen met zijn verklaringen over dit bezoek tijdens de hoorzitting. Ook werpt verweerder eiser niet ten onrechte tegen dat hij niet (meer) weet wat er precies op de aanvraag staat aangekruist en dat hij ook niet weet of het zijn handtekening is die onder de aanvraag staat. Verder blijkt uit het dossier dat eiser de naam van zijn advocaat niet meer weet te noemen en dat hij niet meer in contact kan komen met de tussenpersoon die hem heeft geholpen bij het indienen van de verblijfsaanvraag. Onder deze omstandigheden, in samenhang bezien met de (in zoverre niet gemotiveerd betwiste) feiten zoals hiervoor opgenomen in 2.1 tot en met 2.3, kan bij eiser redelijkerwijs niet het vertrouwen gewekt zijn dat de aan hem verleende vergunning niet zou worden ingetrokken. Daar komt bij dat verweerder nooit expliciet aan eiser heeft meegedeeld dat de verblijfsvergunning nooit zou worden ingetrokken, zodat geen sprake is van een concrete en ondubbelzinnige toezegging. Daarnaast heeft verweerder door het verlenen van die verblijfsvergunning ook niet impliciet bij eiser het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zijn verblijfspositie in Nederland niet in het geding was (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3220).

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzitter, en mr. I. Bouter en mr. M. van Veelen, leden, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is gedaan op 8 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het

Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra

het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar

uitgesproken.

de griffier is verhinderd de de voorzitter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.