Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3273

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
09-837192-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek tussentijdse toetsing ISD-maatregel. Rechtbank acht zich niet bevoegd zich uit te spreken over verzoek van veroordeelde om de duur van het voorarrest in mindering te brengen. De rechter kan op de voet van artikel 38n, tweede lid, Sr bij het bepalen van de duur van de maatregel rekening houden met het voorarrest. Genoemd wetsartikel betreft het moment waarop de rechter de maatregel oplegt: de tussentijdse toetsing ziet slechts op de noodzaak van het voortduren van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/837192-18

Raadkamernummer: 20/68

Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige kamer in strafzaken, op grond van artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie

Hoogvliet,

(hierna: de veroordeelde).

Het procesverloop

De rechtbank heeft op 30 november 2018 de veroordeelde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de maatregel) voor de duur van 2 (twee) jaren opgelegd.

De veroordeelde heeft een verzoek ingediend, ingekomen op 8 januari 2020, tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak tot het voorzetten van de maatregel.

De stukken

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die zijn vermeld in de bijlage.

De behandeling op zitting

De rechtbank heeft het verzoek op 18 februari 2020 op een openbare terechtzitting behandeld.

De veroordeelde en zijn raadsman mr. M.R. Mantz zijn gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman gehoord. Daarnaast is namens de penitentiaire inrichting (hierna: de PI) [deskundige] , casemanager, als deskundige gehoord.

Het rapport

Uit de “Verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD maatregel (ex artikel 38s Sr)” van de PI van 12 februari 2020 (hierna: het rapport) blijkt het volgende.

Op 11 juli 2019 is de veroordeelde in verband met een sluiting van de ISD Scheveningen overgeplaatst voor een verslavingsbehandeling naar de [kliniek] te Zutphen. In december 2019 is de behandeling geëindigd, omdat de veroordeelde een psycholoog in het gezicht spuugde.

Het verblijf van de veroordeelde in Zutphen is wisselend verlopen. Hoewel de veroordeelde zich gemotiveerd toonde, is gebleken dat hij nog onvoldoende vaardigheden heeft om op een adequate dan wel fatsoenlijke manier met spanningen en irritaties om te gaan. Hij is geneigd tot zeer grof taalgebruik en dreigende uitspraken wanneer de boosheid oploopt. Ook heeft de veroordeelde nog onvoldoende controle over zijn agressieve impulsen, aldus de rapporteur.

Na terugplaatsing in de PI heeft de veroordeelde op 14 januari 2020 een intake bij [kliniek] gehad, die goed is verlopen. Hij heeft te kennen gegeven graag in aanmerking te komen voor een agressieregulatiebehandeling. Omdat [kliniek] niet voorziet in een dergelijke behandeling, terwijl die wel nodig is, zal de PI de veroordeelde aanmelden voor wekelijkse gesprekken voor een behandeling in Den Haag, die hij bij plaatsing in [kliniek] kan voortzetten.

Mocht plaatsing in [kliniek] binnen drie maanden geen doorgang vinden, dan zal getracht worden met tussenkomst van […] , waar de veroordeelde op de wachtlijst staat voor een forensische woning, hem met behulp van ambulante begeleiding (FACT) in de woning te plaatsen, waarvandaan hij zijn behandeling kan vervolgen, met dagbesteding en reclasseringstoezicht. Tevens kan de veroordeelde zijn behandeling bij [kliniek] voortzetten.

Hoewel de veroordeelde gemotiveerd is om zijn leven ten goede te keren, zijn er volgens de PI nog heel wat stappen te zetten alvorens er sprake zou kunnen zijn van een veilige situatie voor zowel de maatschappij als voor de veroordeelde zelf. Er dient bij de behandeling van de veroordeelde aandacht te worden besteed aan zijn probleeminzicht, impulsiviteit, antisociaal gedrag, sociale vaardigheden en copingvaardigheden.

In het rapport wordt de conclusie getrokken dat bij onmiddellijke beëindiging van de maatregel sprake is van een hoog risico op destabilisatie en op gewelddadig gedrag. Gelet daarop adviseert de PI dan ook de maatregel te continueren.

[deskundige] heeft in aanvulling op het rapport ter zitting naar voren gebracht dat de veroordeelde het tempo van zijn behandeling wil bepalen. Hij heeft zelf hulp van [kliniek] ingeschakeld, maar dat is niet de bedoeling. Het functionele verlof van de veroordeelde om naar [kliniek] te gaan is reeds geregeld, terwijl de veroordeelde sinds kort is aangemeld voor plaatsing in [kliniek] .

Het standpunt van de veroordeelde

De veroordeelde heeft verklaard dat hij vóór de tenuitvoerlegging van de maatregel al een plan voor de behandeling van zijn problemen had opgesteld en had geregeld dat hij bij [kliniek] en [kliniek] terecht kon. Hij heeft naar voren gebracht dat de oplegging van de maatregel dit plan heeft doorkruist en er geen vooruitgang is, aangezien er geen hulp voor hem is opgestart. De veroordeelde vreest dat de maatregel straks eindigt zonder dat hij enige hulp heeft gehad.

De raadsman heeft primair verzocht de maatregel te beëindigen. Het voortduren van de maatregel dient geen enkel belang van de veroordeelde en heeft enkel nog een bewaarfunctie. Subsidiair heeft de raadsman gevraagd rekening te houden met het voorarrest en de duur ervan op de maatregel in mindering te brengen. De raadsman heeft voorts naar voren gebracht dat het ook mogelijk is om tot aanhouding van de behandeling van de zaak over te gaan, zodat half juni kan worden beoordeeld wat de stand van zaken is.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de maatregel. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen redenen voor beëindiging naar voren zijn gebracht en de kans op recidive nog steeds hoog is. De PI heeft voortvarend gehandeld en doet dit nog steeds. De veroordeelde zal zich moeten schikken naar het tempo dat door de PI wordt bepaald. Voor aftrek van voorarrest is geen grond. Evenmin is er reden de behandeling van de zaak tot juni aan te houden voor een (herhaalde) tussentijdse toets.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het als hoog ingeschatte risico op agressief en gewelddadig gedrag maakt dat voortzetting van de maatregel onverminderd noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van overlast.

Bovendien kan niet gezegd worden dat voortzetting van de maatregel niet zinvol is voor de oplossing van de agressieproblemen van de veroordeelde. Uit het rapport van de PI en de bespreking ter zitting is gebleken dat het ISD-traject op dit moment nog volop in ontwikkeling is. De veroordeelde staat inmiddels op de wachtlijst voor plaatsing in [kliniek] voor verdere behandeling van zijn (agressie)problematiek. Ook is er een plan voor het geval tijdige plaatsing in [kliniek] uitblijft. In dat geval wordt de veroordeelde, met tussenkomst van […] , in een forensische woning geplaatst en zal hij van daaruit ambulant worden begeleid. Intussen kan de veroordeelde een behandeling bij [kliniek] ondergaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel vereist is.

Anders dan door de raadsman (subsidiair) is verzocht, zal de rechtbank zich er niet over uitspreken of de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de duur van de maatregel. De rechtbank acht zich daartoe thans niet bevoegd. Op de voet van artikel 38n, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechter bij het bepalen van de duur van de maatregel rekening houden met het voorarrest. Genoemd wetsartikel betreft het moment waarop de maatregel door de rechter wordt opgelegd en is thans niet van toepassing. De tussentijdse beoordeling ziet slechts op de noodzaak van het voorduren van de maatregel.

Voor zover de raadsman nog in overweging heeft gegeven om de zaak aan te houden teneinde in juni 2020 de stand van zaken te beoordelen, ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe en wordt het verzoek afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

beslist dat de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt voortgezet.

Aldus beslist in Den Haag door:

mr. J.C. U-A-Sai, voorzitter,

mr. J. Snoeijer, rechter,

mr. R.J. de Bruijn, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.N.A. Wooning, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.

Bijlage

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

­ het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 30 november 2018;

­ de verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel (ex artikel 38s Sr) van de penitentiaire inrichting van 12 februari 2020;

­ het verzoekschrift van de veroordeelde, ingekomen op 8 januari 2020.