Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
20.6250
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring – Corona –zicht op uitzetting

De rechtbank overweegt dat begrijpelijk is dat verweerder groot belang hecht aan verdere detentie van eiser om hem zodoende beschikbaar te houden voor gedwongen verwijdering en dat dit belang met name is gelegen in het verwijtbare gedrag van eiser die zijn uitzetting gedurende lange tijd frustreert. Desalniettemin concludeert de rechtbank dat eiser vanaf 11 maart 2020 gereed is om uitgezet te worden en dat overigens geen nadere handelingen meer zijn vereist. De enige omstandigheid die feitelijke uitzetting in de weg staat is het gegeven dat het luchtruim is gesloten. Verweerder is hiervoor niet verantwoordelijk, want vanaf oplegging van de eerste maatregel is de uitzetting steeds voortvarend ter hand genomen. Verweerder is evenmin gehouden om tot opheffing over te gaan omdat eiser in detentie gezondheidsrisco’s zou lopen. Hiervan is immers in het geheel niet gebleken. Echter nu vanaf 11 maart 2020 uitsluitend gewacht moet worden op een vertrekkende vlucht en er geen enkele zekerheid is dat vertrek op of kort na 19 april 2020 kan plaatsvinden overweegt de rechtbank, gelet op de specifieke omstandigheden van dit concrete geval, dat niet kan worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.

De rechtbank zal opheffing van de maatregel bevelen. De rechtbank betrekt hierbij niet alleen de lange aaneengesloten duur van de opvolgende bewaringsmaatregelen, de lange periode waarin geen uitzettingshandelingen zullen plaatsvinden en de onzekerheid over het kunnen vertrekken maar ook de omstandigheden waaronder de detentie thans plaatsvindt. Weliswaar zijn de beperkingen die ook eiser thans ondergaat zoals het niet kunnen ontvangen van bezoek en het minder participeren in activiteiten gerechtvaardigd gelet op de uitzonderlijke situatie. Dit laat echter onverlet dat detentie die thans wordt ondergaan zwaarder is omdat de vrijheden binnen detentie aanzienlijk minder zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1974, van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de taatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.N. Lorier).


Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

In verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het Coronavirus heeft er geen zitting plaatsgevonden. Eiser heeft op 22 maart 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 maart 2020 gereageerd. Op 24 maart 2020 hebben eiser en verweerder over en weer gereageerd op elkaar standpunten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 24 maart 2020 gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Eiser voert onder meer aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is omdat het Turkse luchtruim is gesloten en dit in ieder geval tot 19 april 2020 zo zal blijven.

3. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de maatregelen die thans zijn genomen in verband met de Corona-crisis slechts feitelijke beletselen van tijdelijke aard zijn en geen gevolgen hebben voor het zicht op uitzetting.

4. De rechtbank overweegt dat op 11 maart 2020 een vluchtakkoord is ontvangen voor een vlucht op 18 maart 2020. Deze vlucht is evenwel op 16 maart 2020 geannuleerd. Verweerder heeft in zijn tweede termijn aangegeven dat in sommige gevallen terugkeer met IOM mogelijk is en dat eiser zich inspanningen moet getroosten om zelf terug te keren. De rechtbank leidt uit de bijgevoegde informatie van verweerder echter af dat er nu juist geen gesprekken meer opgestart worden met vreemdelingen om met het IOM terug te keren. Ook voor het IOM heeft bovendien thans te gelden dat het luchtruim is gesloten en dat terugkeer niet kan worden gerealiseerd. De rechtbank overweegt dat begrijpelijk is dat verweerder groot belang hecht aan verdere detentie van eiser om hem zodoende beschikbaar te houden voor gedwongen verwijdering en dat dit belang met name is gelegen in het verwijtbare gedrag van eiser die zijn uitzetting gedurende lange tijd frustreert. Desalniettemin concludeert de rechtbank dat eiser vanaf 11 maart 2020 gereed is om uitgezet te worden en dat overigens geen nadere handelingen meer zijn vereist. De enige omstandigheid die feitelijke uitzetting in de weg staat is het gegeven dat het luchtruim is gesloten. Verweerder is hiervoor niet verantwoordelijk, want vanaf oplegging van de eerste maatregel is de uitzetting steeds voortvarend ter hand genomen. Verweerder is evenmin gehouden om tot opheffing over te gaan omdat eiser in detentie gezondheidsrisco’s zou lopen. Hiervan is immers in het geheel niet gebleken. Echter nu vanaf 11 maart 2020 uitsluitend gewacht moet worden op een vertrekkende vlucht en er geen enkele zekerheid is dat vertrek op of kort na 19 april 2020 kan plaatsvinden overweegt de rechtbank, gelet op de specifieke omstandigheden van dit concrete geval, dat niet kan worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De rechtbank zal opheffing van de maatregel bevelen. De rechtbank betrekt hierbij niet alleen de lange aaneengesloten duur van de opvolgende bewaringsmaatregelen, de lange periode waarin geen uitzettingshandelingen zullen plaatsvinden en de onzekerheid over het kunnen vertrekken maar ook de omstandigheden waaronder de detentie thans plaatsvindt. Weliswaar zijn de beperkingen die ook eiser thans ondergaat zoals het niet kunnen ontvangen van bezoek en het minder participeren in activiteiten gerechtvaardigd gelet op de uitzonderlijke situatie. Dit laat echter onverlet dat detentie die thans wordt ondergaan zwaarder is omdat de vrijheden binnen detentie aanzienlijk minder zijn. Dit brengt in dit geval mee dat het van 11 maart 2020 tot in ieder geval 20 april 2020 uitsluitend wachten op mogelijk vertrek beduidend zwaarder is dan het ondergaan van de maatregel voordat de Corona-crisis uitbrak.

5. Het beroep is reeds hierom gegrond en de rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden bevelen. De overige gronden van beroep behoeven geen nadere bespreking.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht in dit uitzonderlijke geval hiertoe geen gronden aanwezig en zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder steeds zeer voortvarend heeft gehandeld en heeft ondanks de niet meewerkende houding van eiser een vlucht gerealiseerd. Dat door zeer uitzonderlijke omstandigheden dat ondanks alle inspanningen van verweerder vertrek niet kan worden gerealiseerd leidt tot de conclusie dat voortzetting van de maatregel vanaf heden niet langer is gerechtvaardigd maar brengt geen recht op schadevergoeding mee.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op: 25 maart 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.