Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3246

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
09/083665-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor een winkeldiefstal gevolgd door geweld of bedreiging met geweld en heeft een gevangenisstraf van zes maanden gekregen.

De verdachte werd op heterdaad betrapt bij een winkeldiefstal en heeft, toen hij werd vastgepakt omdat hij wilde vluchten, meerdere keren geroepen: “ik heb corona, blijf van mij af.”

De uitlatingen van de verdachte vallen onder het begrip geweld of bedreiging met geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/083665-20

Datum mondelinge uitspraak: 8 april 2020

Tegenspraak

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de p.i. Rotterdam, locatie Hoogvliet,

[adres]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 april 2020.

De verdachte is vanwege de coronacrisis waardoor het vervoer van gedetineerden zoveel mogelijk beperkt wordt, in overleg met diens gevolmachtigd raadsman mr. P. B. Spaargaren, niet verschenen maar telefonisch gehoord, een en ander zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting.

De officier van justitie mr. B.R. Koenders heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding impliciet primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts is de gevangenhouding gevorderd op dezelfde gronden als toegewezen door de rechter-commissaris.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2020 te Delft diverse stukken vlees, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [supermarkt] (vestiging [adres] ), heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] en/of [getuige] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, door bij zijn aanhouding meermalen luid te

zeggen/te roepen "Ik heb corona, blijf van me af!";

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft erkend dat hij in de supermarkt vlees heeft gestolen. Hij is het er echter niet mee eens dat hij een diefstal met geweld of dreiging met geweld heeft gepleegd, zoals ook door zijn raadsman op de zitting uiteen is gezet. De politierechter overweegt daarover het volgende.

Oogmerk

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tijdens zijn aanhouding voor een winkeldiefstal meerdere keren heeft geroepen: “ik heb corona, blijf van me af.” Dat blijkt uit de verklaringen van aangever [aangever] en de [getuige] . De verdachte heeft in zijn politieverklaring ook min of meer erkend dat hij deze woorden heeft gebruikt. Over de reden van dit woordgebruik lopen de verklaringen van de verdachte enerzijds en de aangever en getuige anderzijds, uiteen. De politierechter volgt in deze de verklaringen van [aangever] en [getuige] in samenhang met de verklaring van [aangever] . Die komen erop neer dat de verdachte wilde vluchten, in bedwang moest worden gehouden en naar de grond werd gewerkt. Het tijdens de huidige coronacrisis geldende gezondheidsadvies van het houden van anderhalve meter afstand werd daarbij niet gerespecteerd omdat fysiek contact nodig was teneinde de verdachte te beletten om te vluchten. Tijdens deze aanhouding heeft de verdachte de gewraakte uitlatingen gedaan. De politierechter is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte met deze uitlatingen degenen die hem overmeesterden heeft willen bewegen om afstand van hem te nemen ‘teneinde zichzelf de vlucht mogelijk te maken’ nadat hij op heterdaad werd betrapt op het plegen van diefstal. Het opzet van de verdachte – het oogmerk – was dus op die vlucht gericht.

Beoordelingskader ‘geweld of bedreiging met geweld’

Deze zaak spitst zich toe op de vraag of de tenlastegelegde uitlatingen moeten worden aangemerkt als geweld of bedreiging met geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze rechtsvraag is niet met een eenvoudig ja of nee te beantwoorden. Omdat de rechter-commissaris op dit onderdeel de ernstige bezwaren niet aanwezig achtte en de officier van justitie en de verdediging vrijspraak hebben gevorderd respectievelijk bepleit, acht de politierechter het aangewezen om zijn oordeel uitgebreider dan te doen gebruikelijk, te motiveren.

Anders dan men mogelijk zou verwachten, staat in het Wetboek van Strafrecht niet vermeld wat men precies onder ‘geweld’ moet verstaan.1 Het is daarom aan de rechter om het begrip ‘geweld’ in de zin van genoemde bepaling te interpreteren. Daarbij kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de taalkundige betekenis van het begrip, de wetsgeschiedenis, de vakliteratuur, de strekking van de bepaling en jurisprudentie voor zover deze beschikbaar is. Ook kan aansluiting worden gezocht bij andere regelingen die het begrip ‘geweld’ omschrijven.

Omdat een beknopt onderzoek naar de wetsgeschiedenis in de korte tijdsspanne die beschikbaar was voor de voorbereiding van deze zaak onvoldoende concrete aanknopingspunten bood, heeft de politierechter acht geslagen op de ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Deze regeling kent in artikel 1, derde lid, onder b, wel een omschrijving van het begrip geweld:

“Elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken.”

Hoewel het voor de hand ligt dat aan het onderdeel ‘dwangmatige’ in deze regeling mogelijk een voor de doelgroep specifieke betekenis toekomt, kan een dergelijk begrip aansluiten bij bestaande rechtspraak dat het geweld, voor zoveel het tegen personen gericht is, geëigend zal moeten zijn de weerstand, die de wederpartij kan bieden, te breken. De definitie uit de ambtsinstructie lijkt wel ruimer dan besproken in gezaghebbende literatuur waarin wordt opgemerkt dat de meest algemene betekenis van ’geweld’ de aanwending is van fysieke kracht (tegen personen of goederen), welke met zo’n hevigheid geschiedt, dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen.2 Dat alleen fysieke kracht onder het begrip valt, volgt echter niet uit deze omschrijving. De politierechter is van oordeel dat het geweldsbegrip van het Wetboek van Strafrecht naast fysiek geweld ook andersoortig geweld in kan houden zoals psychologisch of verbaal geweld. In de rechtspraak zijn immers voorbeelden bekend van psychologisch geweld.3 Uiteenlopende verbale uitingen kunnen onder omstandigheden ook een gewelddadig karakter hebben aangezien zij een substantiële bijdrage kunnen leveren aan een openlijke geweldpleging.4

Ten aanzien van het begrip ‘bedreiging’ is veel jurisprudentie met betrekking tot artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht voor handen. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Voorts moet het opzet van de verdachte zijn gericht op zowel het daadwerkelijk op de hoogte raken van de bedreiging door de bedreigde als op het ontstaan van die vrees bij de bedreigde.5 Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen.6 De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is.7 Het zich bedreigd voelen door de bedreigde moet dus ook door de rechter redelijkerwijs voorstelbaar worden geacht. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat bij het vereiste van redelijke vrees moet worden uitgegaan van een contextuele benadering. De aard van een uitlating of gedraging kan op zichzelf voldoende zijn om bij de bedreigde in redelijkheid de vrees te doen ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Is de aard van een uitlating of gedraging op zichzelf onvoldoende om als bedreiging te kunnen aangemerkt,8 dan kunnen de omstandigheden zodanig zijn dat zij, bezien in de context waarin die uitlating is gedaan of die gedraging heeft plaatsgevonden, aan die uitlating of gedraging het bedreigende karakter geven.9 Uit de bewijsvoering moeten dan wel vaststellingen blijken met betrekking tot de aan bewijsmiddelen ontleende omstandigheden en context.10

Overwegingen aan de hand van het beoordelingskader en slotsom

Uit de hiervoor genoemde feiten blijkt dat de verdachte tegen degenen die hem aanhielden meerdere keren heeft geroepen: “ik heb corona, blijf van mij af.”

Tot voor kort was over Covid-19, oftewel het coronavirus, onder het grote publiek niet meer bekend dan dat het hooguit een zware griep zou betreffen. Bij een aanhouding roepen “ik heb een zware griep, blijf van me af” zou gelet op het hiervoor uiteengezette beoordelingskader niet leiden tot een bewezenverklaring van geweld of bedreiging met geweld. Het valt ook niet uit te sluiten – en te hopen – dat aan de woorden “ik heb corona, blijf van me af” in de toekomst minder of geen zeggingskracht toekomt.

Dat ligt anders in de context van het huidige tijdsgewricht waarin zich een pandemie afspeelt. Inmiddels kan als algemeen bekend worden verondersteld dat het coronavirus een ernstige infectie kan veroorzaken die fataal af kan lopen. Ook is bekend dat de ziekte zeer besmettelijk is, dat voor de ziekte nog geen vaccin voorhanden is en dat er nog geen specifieke medicijnen zijn of behandeling is voor deze ziekte. Verder wordt overwogen dat er dagelijks berichten zijn over het aantal ziektegevallen en het aantal doden. Ook worden burgers dagelijks geconfronteerd met verslaggeving over ernstig zieke mensen. Er is vooral ook veel onbekend over deze ziekte en de mogelijkheden tot testen zijn beperkt, hetgeen kan leiden tot gevoelens van onzekerheid over de gezondheid. Er ging kort gezegd ten tijde van het plegen van het delict, door de besmettelijkheid, de mogelijke gevolgen en de onzekerheid een grote dreiging uit van deze ziekte.

Er zijn om verspreiding van de ziekte af te remmen maatregelen van kracht die eraan bij moeten dragen dat sociale distantie zoveel mogelijk in acht wordt genomen. Ook geeft de rijksoverheid het gezondheidsadvies om op afstand te blijven van anderen waarbij een afstand van anderhalve meter als maatstaf wordt gehanteerd. De verdachte was daar blijkens zijn eigen verklaring van op de hoogte.

De politierechter is van oordeel dat niet onderschat moet worden welke kracht er onder de genoemde omstandigheden ten tijde van het plegen van het delict, uitging van het roepen dat je corona hebt, als je wordt aangehouden en degenen die je aanhouden zich op dat moment in je directe nabijheid – dus binnen die straal van anderhalve meter – bevinden. [aangever] heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde door deze woorden omdat het coronavirus erg actueel en zeer besmettelijk is.

Met zijn woorden heeft de verdachte op [aangever] dan ook een dwangmatige (verbale) kracht uitgeoefend van meer dan geringe betekenis. De uitlatingen van de verdachte waren geëigend om de weerstand van [aangever] te breken zodat [aangever] zou doen wat de verdachte wilde: loslaten en fysiek afstand nemen zodat hij kon ontkomen aan de aanhouding.

Hier komt nog bij dat [aangever] gelet op de geschetste context die deels van algemene bekendheid is11 en voor het andere deel uit de bewijsmiddelen volgt, ook alle reden had om zich bedreigd te voelen. Bij [aangever] kon in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij door in de directe nabijheid van de verdachte te verkeren die beweerde aan corona te lijden, besmet kon raken met Covid-19. Dat de verdachte opzet had op het aanjagen van die vrees, blijkt uit zijn eigen verklaring. Hij wist dat je anderhalve meter afstand moest houden en vond dat de medewerkers van de supermarkt dichtbij kwamen.

De politierechter komt dan ook tot de slotsom dat wettig en overtuigend bewezen is dat de diefstal waarop de verdachte op heterdaad werd betrapt, gevolgd werd door geweld of bedreiging met geweld (met het oogmerk om aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken).

Ten overvloede wordt nog overwogen dat de delictsomschrijving van artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet dwingt tot het maken van een keuze tussen geweld of bedreiging met geweld. Het ene is immers net zo strafbaar als het andere omdat het onder dezelfde strafbedreiging valt. De politierechter laat het daarom in het midden.

De bewijsmiddelen

De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Tenzij anders vermeld, wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020086210, van de politie eenheid Den Haag, district Westland, Delft - Basisteam Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 27).

1. een proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2020 (blz. 4-5) voor zover daarin staat vermeld:

Plaats delict: [adres] , [postcode] Delft

Pleegdatum/tijd: Op vrijdag 27 maart 2020 om 18:12 uur

Ik, [verbalisant] hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Op vrijdag 27 maart 2020 om 18:48 uur, kwam ik ter plaatse van het misdrijf op de

locatie [adres] , [postcode] Delft, bij een persoon die aangifte deed namens het slachtoffer:

Rechtspersoon naam: [supermarkt]

Naam conform KvK: [supermarkt]

[adres]

Postcode plaats: [postcode] Delft

en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict, op vrijdag 27 maart 2020 om 18:12 uur.

"Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte.

Voor de aangifte verwijs ik u verder naar het landelijk aangifteformulier

winkeldiefstal, welke is bijgevoegd aan dit dossier. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

2. Het aangifteformulier waarnaar in bewijsmiddel 1 wordt verwezen (blz. 6-7) voor zover daarin staat vermeld:

Ondergetekende ( [aangever] heeft gezien: Ik was aan het surveilleren in de winkel. Ik zag de verdachte met een winkelkar en een plastictas liep. Ik herkende de verdachte van een eerder voorval van drie dagen terug. Op het moment dat ik hem binnen zag komen ben ik achter het camerasysteem gaan bekijken. Ik zag dat de

verdachte bij de vleespad producten in zijn tas stopte en ik heb toen een teamleider gevraagd om de verdachte te volgen. Ik ben direct naar de uitgang gaan staan om te kijken of de verdachte nu wel de goederen ging afrekenen. Ik zag dat de verdachte via de zelfscan met een volle boodschappentas de zelfscanklaphekjes passeerde zonder dat hij de goederen had afgerekend bij de zelfscankassa. Ik zag dat de verdachte zich begaf naar de uitgang. Ik zag dat de man in mijn richting keek en ik zag bij hem een schrikreactie. Ik ben toen naar hem toegelopen en heb hem vastgepakt. Ik zei meteen samen met een van de andere collega's dat de verdachte was aangehouden ter zake winkeldiefstal. Ik voelde dat hij zich wilde bewegen in de richting van de uitgang. Hierop heb ik de man samen met een aantal andere

medewerkers naar de grond gebracht en hem daar onder controle gehouden. Ondertussen werd door de teamleider van de kassa direct de politie gebeld. Ik zag dat de tas die hij bij zich had op de grond viel en dat hieruit diverse pakken vlees vielen. Ik herkende de goederen als goederen uit deze winkel.

3. een proces-verbaal aangifte door [aangever] d.d. 28 maart 2020 (blz. 24-25) voor zover daarin staat vermeld:

Op vrijdag 27 maart 2019 te 18.12 uur is [verdachte] aangehouden ter zake winkeldiefstal in het filiaal van de [supermarkt] te Delft. Na (de politierechter begrijpt: tijdens) de aanhouding van [verdachte] trachtte hij weg te rennen. Hierbij liet [verdachte] zijn tas met weggenomen goederen vallen. Hierbij riep hij op zeer luide stem door het filiaal "Ik heb corona, ik heb corona, ik heb corona. Toch is [verdachte] naar de grond gewerkt en aangehouden. Doordat het corona virus erg actueel is en zeer besmettelijk voel ik mij bedreigd door de woorden.

4. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige] , d.d. 28 maart 2020 (blz. 25-26) voor zover daarin staat vermeld:

Ik ben als teamleider werkzaam bij de [supermarkt] , gelegen aan de [adres]

te Delft. Op vrijdag 26 maart 2019 omstreeks 18.15 werd door medewerkers van de [supermarkt] een (verdachte) aangehouden genaamd [verdachte] . Bij de aanhouding hoorde ik [verdachte] luid zeggen "Ik heb corona, blijf van me af". Dit heeft hij twee tot drie keer gezegd. Ik zag dat [verdachte] zich agressief gedroeg. Vervolgens zag ik dat de verdachte naar de grond werd gewerkt in afwachting van de politie. Totdat de politie aankwam, is [verdachte] in toom gehouden.

5. een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 28 maart 2020 (blz. 18 t/m 22) voor zover daarin staat vermeld:

(toelichting politierechter: V: betreft een – deel van een – vraag door een opsporingsambtenaar; A: betreft een – deel van een – antwoord van de verdachte)

V: in welke winkel was je gisteren rond 18.05 uur?

A: bij de [supermarkt] .

V: wat lag er in de winkelwagen?

A: een [plastic tasje] .

V: wat heb je gepakt uit de vleeswarenafdeling?

A: wat vlees.

V: welke vleeswaren waren dat?

A: biefstuk en zo, ik had het niet moeten doen.

V: heb jij deze goederen afgerekend?

A: nee.

V: waarom heb jij deze goederen niet afgerekend?

A: omdat ik geen geld had om het af te rekenen, ik ben stom geweest.

V: je zou de winkel hebben verlaten, hoe heb jij de winkel verlaten?

A: ik ben over het hekje gestapt.

V: was dit een hekje voor de uitgang of de ingang?

A: volgens mij was dit een automatische kassa, ik denk dat als je de pinbon voor de

scanner houdt, het hekje open gaat.

V: wat gebeurde er nadat je de winkel had verlaten?

A: er kwamen van alle kanten mensen aan (…). Je moet toch anderhalve meter afstand houden.

V: je zou (…) hebben geroepen "Ik heb corona", wat kan je daarover verklaren?

A: het kan wel, ze kwamen heel dicht bij mij.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de politierechter de overtuiging bekomen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2020 te Delft diverse stukken vlees, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele die aan een ander toebehoorden, te

weten aan [supermarkt] (vestiging [adres] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] en/of [getuige],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, door bij zijn aanhouding meermalen luid te

zeggen/te roepen "Ik heb corona, blijf van me af!";

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring (in cursief) verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Diefstal, gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

De op te leggen straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De straf is ook gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van vlees met een verkoopwaarde van in totaal circa € 140,-. Deze diefstal vond plaats in een supermarkt. Toen hij op heterdaad werd betrapt, heeft de verdachte geprobeerd te vluchten. Dat wilden medewerkers van de supermarkt beletten, waardoor zij de verdachte in bedwang moesten houden. De verdachte heeft deze winkelmedewerkers – waarvan er één aangifte wegens bedreiging heeft gedaan – van ‘zich af willen schudden’ door meerdere keren te roepen: “Ik heb corona, blijf van me af.” Het wordt de verdachte ten eerste aangerekend dat hij, toen hij werd aangehouden, heeft willen vluchten waardoor het nodig was dat medewerkers van de supermarkt hem fysiek onder bedwang moesten houden. Daardoor kon het gezondheidsadvies van het houden van anderhalve meter afstand niet in acht worden genomen. Het wordt de verdachte ten tweede zwaar aangerekend dat hij medewerkers van de supermarkt ook nog angst heeft aangejaagd door meerdere keren te roepen dat hij corona had. Het is in het bijzonder in deze tijd van crisis van groot maatschappelijk belang dat medewerkers van een supermarkt hun werk zo veilig mogelijk kunnen doen. De verdachte heeft daar ernstig afbreuk aan gedaan. Hij heeft zich (zeer waarschijnlijk vanwege zijn verslaving) laten leiden door eigen belang en zich niets gelegen laten liggen aan de veiligheid van anderen toen hij besloot om een winkeldiefstal te plegen, met alle risico’s van dien. Door meerdere keren te roepen dat hij corona had, terwijl de medewerkers die hem aanhielden zich in zijn directe nabijheid bevonden, heeft hij vanwege het besmettingsgevaar bij [aangever] gevoelens van onzekerheid over zijn gezondheid veroorzaakt en mogelijk ook bij andere medewerkers die bij de aanhouding betrokken waren. Deze gevoelens van onrust en onzekerheid vanwege het besmettingsrisico kunnen heftig zijn omdat een besmetting ook consequenties kan hebben voor (kwetsbare) naasten van de betrokken medewerkers.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 30 maart 2020 blijkt dat de verdachte vele malen onherroepelijk is veroordeeld. Dit ‘strafblad’ telt inmiddels 53 pagina’s. De verdachte loopt in meerdere proeftijden. Verder blijkt dat de verdachte een zaak heeft lopen bij het gerechtshof in verband met een door de rechtbank opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaar waartegen hij in beroep is gegaan. Het gerechtshof heeft zijn voorwaardelijke hechtenis in die zaak in november 2019 geschorst onder voorwaarde (onder meer) dat hij zich zou laten behandelen voor zijn verslaving en daartoe opgenomen zou worden in [kliniek] .

De reclassering heeft over de verdachte onder meer het volgende gerapporteerd.

GGZ Reclassering Fivoor heeft onderzoek gedaan naar een 46-jarige man. (…) Het ten laste gelegde maakt onderdeel uit van een delictpatroon aan vermogensdelicten . Het overtreden van de (schorsings)voorwaarden maakt eveneens onderdeel uit van een patroon. Alle leefgebieden worden aangemerkt als criminogene factoren waarop ingezet moet worden om de hoge kans op recidive te verkleinen. Er is getracht om middels een schorsing van preventieve hechtenis betrokkene klinisch te laten behandelen bij de FVK van de [kliniek] . Dit om te voorkomen dat betrokkene uiteindelijk de ISD maatregel voor de vierde keer onvoorwaardelijk opgelegd zou krijgen. Betrokkene heeft zich per 26 februari 2020 aan de behandeling onttrokken en is nu aangehouden (…). Het ten laste gelegde laat zien dat betrokkene zich niet aan de voorwaarden kan houden en ook niet delictvrij kan blijven. De reclassering ziet (…) ten aanzien van de politierechterzitting die zal volgen geen meerwaarde om bijzondere voorwaarden op te leggen en adviseert de betrokkene in deze zaak onvoorwaardelijk af te straffen (…). De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om via voorwaarden de hoge kans op recidive te verkleinen.

De politierechter is het eens met het advies van de reclassering en ziet behalve in het taakstrafverbod dat in deze zaak van toepassing is, in het bijzonder vanwege de grote kans op herhaling reden om aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf op te leggen. Die straf dient lang genoeg te zijn om te waarborgen dat winkels en winkelmedewerkers voorlopig gevrijwaard blijven van het risicovolle gedrag van de verdachte.

Voor de eenheid in straftoemeting is het van belang dat verdachten in soortgelijke zaken, gelijksoortige straffen opgelegd krijgen. Daarom is bij het bepalen van de strafmaat, met behoud van maatwerk, rekening gehouden met de Oriëntatiepunten Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) van 6 maart 2020.12 Vanwege de veelvuldige recidive kan in deze zaak een gevangenisstraf van 5 maanden als uitgangspunt worden genomen (categorie d). In het ‘coronadreigement’ ziet de politierechter aanleiding om een zwaardere straf op te leggen.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een hierna te noemen duur.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De beslissing

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Diefstal, gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenhouding van de verdachte (afzonderlijk geminuteerd).

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.J. de Bruijn, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Otter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 8 april 2020.

1 Noyon, Langemeijer, Remmelink, Strafrecht, art. 81 Sr, aantekening 6.

2 Noyon, a.w.

3 Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof Den Haag, 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539.

4 Zie bijvoorbeeld de [naam] zaak, Rechtbank Amsterdam 26 maart 2004, NJ 2004/289 en 300.

5 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4474.

6 HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309.

7 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228, m.nt. N. Keijzer.

8 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096 en HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2215.

9 HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:881 (art. 81 lid 1 RO); HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701; HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802 en HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309).

10 HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, NJ 2013/564, m.nt. N. Keijzer en HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400.

11 In de zin van artikel 339, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

12 https://www.rechtspraak.nl/sitecollectiondocuments/orientatiepunten-en-afspraken-lovs.pdf