Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3226

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering voorrangsverklaring, niet levensontwrichtende/levensbedreigende situatie. Over niet leesbare medische stukken, niet vooraf kunnen reageren op GGD-advies en IVRK. Toepassing art 6:22 Awb. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5688

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R. Vingerling).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een voorrangsverklaring afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft op 8 maart 2018 samen met haar partner [A] verzocht om

een voorrangsverklaring wegens medische problematiek (psychische klachten) van haar partner. Bij besluit van 29 mei 2018 is voor de duur van drie maanden aan de partner van eiseres een voorrangsverklaring met een bepaald profiel verleend met ingang van

29 mei 2018, omdat hij voldoet aan het criterium sociaal en/of medisch levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie, vanwege medische omstandigheden. Met toepassing van de hardheidsclausule is het zoekgebied beperkt tot de gemeente Den Haag. Het gezin is per 5 juli 2018 verhuisd naar de huidige woonbuurt.

Eiseres heeft op 22 november 2018 een voorrangsverklaring aangevraagd wegens

haar eigen medische problematiek en die van haar partner (beide psychische klachten). Ten tijde van deze aanvraag was zij woonachtig met haar partner en hun minderjarige kind (tweede kind op komst).

1.2.

In het GGD-advies van 14 februari 2019 is vermeld dat eiseres en haar partner zijn

verschenen op het spreekuur en dat de anamnese is afgenomen. De partner heeft de brief van zijn GZ-psycholoog van 13 november 2018 overgelegd. De GGD-arts heeft op

12 februari 2019 telefonisch overleg gehad met de behandelend psycholoog van de partner van eiseres en de partner is besproken in een intercollegiaal overleg op 12 februari 2019.

De partner van eiseres is bekend met psychische klachten en hij heeft herbelevingen van gewelddadige gebeurtenissen in zijn jeugd, waarvan hij getuige is geweest. De partner heeft meegedeeld dat hij zich daarom sinds enkele maanden weer onder behandeling heeft gesteld van de GGZ. De behandelaar heeft aangegeven dat de behandeling inmiddels is beëindigd, omdat de partner niet op de afspraken verscheen. De partner van eiseres heeft medicatie. De GGD-arts heeft vermeld dat de klachten in de vorige woonomgeving bestonden en ook nu nog bestaan. Nu de partner zich aan behandeling onttrekt, kan verdere diagnostiek en behandeling niet meer plaatsvinden. Een verband met de woonomgeving kan dan ook niet worden aangetoond. Voorts is vermeld dat eiseres psychische klachten heeft ontwikkeld sinds zij in deze buurt woont. Zij heeft slaapproblemen, voelt zich depressief en is onder behandeling van de PoH-GGZ. Eiseres is zwanger van een tweede kind. Geconcludeerd is dat verhuizing prettig zou zijn, maar de aard en de ernst van de klachten is niet zodanig dat er een medische urgentie voor verhuizen bestaat. Ook bestaat er geen gebiedsbeperking. Het verband tussen de klachten en de woonomgeving is onvoldoende aangetoond.

1.3.

Bij het primaire besluit is de aanvraag van eiseres om afgifte van een voorrangsverklaring afgewezen, omdat sprake is van een ernstige, maar niet levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie.

2. Bij het bestreden besluit is de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het advies

van de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) van 22 juli 2019 wordt daarbij gevolgd.

3. Eiseres beschouwt hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht hier als herhaald en ingelast. Zij heeft in beroep voorts nadere gronden aangevoerd waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit.

4. Een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen is in de bijlage, die onderdeel is van deze uitspraak, opgenomen.

5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:206), mag een bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

5.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat niet is gebleken dat de woonsituatie als levensontwrichtend dan wel levensbedreigend kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag, die zich onder de gedingstukken bevindt, enkele medische stukken zijn gevoegd, die niet leesbaar zijn. Dit betreft een brief van de psycholoog van Impegno GGZ van 13 november 2018 ten aanzien van de partner van eiseres en een brief van de psycholoog PoH-GGZ van [gezondheidscentrum] ten aanzien van eiseres zelf. In het GGD-advies (overweging 1.2.) is evenwel vermeld dat haar partner voornoemde brief van 13 november 2018 heeft overgelegd. Nu hierbij geen bijzonderheden zijn vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de GGZ-arts bij zijn beoordeling beschikte over een leesbaar exemplaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat uit de betreffende brief van Impegno valt af te leiden dat de partner zich heeft aangemeld voor behandeling vanwege depressieve- en angstklachten. De partner heeft sinds drie jaar last van somberheidsklachten. Deze zijn in de laatste maanden toegenomen nadat hij is verhuisd van [wijk 1] naar zijn oude wijk, bij de [wijk 2] . De spanningsklachten zijn toegenomen en hij heeft meer moeite het huis uit te gaan. Hij ervaart veel spijt dat hij de keuze heeft gemaakt voor deze verhuizing. Het is voor het herstel en een voorspoedige behandeling van groot belang dat de partner een andere woning vindt, waardoor hij niet wordt geassocieerd met het verleden. De vraag voor urgentie voor een andere woning buiten deze wijk wordt onderschreven.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft eiseres de rechtbank een meer leesbaar deel van de brief van haar psycholoog PoH-GGZ ingezonden, waarin is vermeld dat de basisdiagnose depressieve klachten is en dat de woonsituatie bijdraagt aan een versterking van de stoornis, waarbij stress een grote factor is. Deze psycholoog stelt de vraag of er een mogelijkheid is om de woonsituatie van eiseres te veranderen. Voor zover ervan zou moeten worden uitgegaan dat de GGD-arts niet over een leesbaar exemplaar beschikte, stelt de rechtbank in dit geval vast dat eiseres bij de anamnese hetzelfde naar voren heeft gebracht als in de brief van haar psycholoog is vermeld. Uit het vorenstaande volgt dat de GGD-arts beschikte over de medische informatie van eiseres en haar partner. Voorts is er contact geweest met Impegno en er is een collegiaal overleg gevoerd ten aanzien van de partner.

Naar het oordeel van de rechtbank is het GGD-advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze opgesteld, zodat verweerder in beginsel van de juistheid van dit advies mocht uitgaan. In het advies is onderkend dat de partner psychische klachten heeft. Uit de bevindingen van de GGD-arts noch de brief van 13 november 2018 volgt dat de psychische klachten zodanig verband houden met de huidige woonomgeving dat geoordeeld had moeten worden dat sprake is van levensbedreigende of levensontwrichtende omstandigheden. Een verdere inschatting kon niet worden gemaakt, omdat de partner zich aan behandeling had onttrokken. Dat voor de partner op 21 mei 2019 weer een intakegesprek met Impegno was gepland, maakt dit niet anders. Voor eiseres geldt dat haar psychische klachten in het GGD-advies eveneens zijn onderkend, maar uit de bevindingen van de GGD-arts noch uit de brief van haar psycholoog PoH-GGZ volgt dat de psychische klachten zodanig ernstig zijn dat geoordeeld had moeten worden dat sprake is van levensbedreigende of levensontwrichtende omstandigheden.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat in het GGD-advies gemotiveerd had moeten worden waarom van de brieven van de behandelend psychologen is afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat de brieven van de behandelend psychologen, in relatie tot de overige bevindingen, kenbaar en afdoende zijn meegewogen.

Op het standpunt van eiseres in bezwaar dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het GGD-advies, heeft verweerder de overweging in het advies van de commissie gevolgd. De commissie heeft overwogen dat het feit dat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren, niet maakt dat het besluit onzorgvuldig is. Het advies is een van de gronden voor het besluit tot afwijzing van de aanvraag. Wanneer eiseres het daarmee niet eens is, kan zij daartegen bezwaar maken, hetgeen ook is gebeurd. Eiseres heeft in bezwaar geen onafhankelijk tegenadvies ingebracht. De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep dit standpunt van verweerder niet heeft weerlegd.

Voor zover eiseres in beroep heeft aangevoerd dat het gezin vrijwel nooit meer buiten komt, dat de kinderen nooit buiten kunnen spelen en dat ook om die reden sprake is van een levensontwrichtende situatie, overweegt de rechtbank dat de aanvraag alleen ziet op de medische problematiek van eiseres en haar partner. Voorts is dit standpunt niet met stukken onderbouwd.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat eiseres geen medische informatie heeft ingebracht die maakt dat verweerder niet van het GGD-advies uit mocht gaan.

Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres en haar partner zich niet in een levensontwrichtende situatie bevinden zodat zij niet voor een voorrangsverklaring in aanmerking dienen te komen.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor toepassing van de in artikel 46 van de Verordening opgenomen hardheidsclausule, omdat de situatie van eiseres en haar partner zich onvoldoende onderscheidt van andere, schrijnende woonsituaties. Zij verkeerden niet in een acuut levensbedreigende of levensontwrichtende situatie.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit in strijd met artikel 3, 4 en 27 van het

Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is, dat verweerder in het bestreden besluit alleen is ingegaan op artikel 3 van het IVRK en ten onrechte niet is ingegaan op artikel 4 en 27 van het IVRK.

7.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 24 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:201) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.

Verweerder heeft overwogen dat bij een aanvraag altijd naar de gezinssituatie wordt gevraagd, juist om de belangen van eventuele gezinsleden te betrekken in de besluitvorming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet concreet heeft onderbouwd op welke manier door de weigering van de voorrangsverklaring de rechten van de kinderen of hun levensstandaard in het geding zijn. De kinderen hebben woonruimte, derhalve is geen sprake van een acute noodsituatie. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van eiseres en haar partner. De belangen van de kinderen zijn meegewogen, maar hebben verweerder er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de voorrangsverklaring.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op artikel 4 van het IVRK. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat dit artikel zich niet leent voor rechtstreekse toepassing. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu eiseres en haar partner door dit gebrek niet in hun belangen zijn geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 4 van het IVRK zich niet leent voor rechtstreekse toepassing. Uit deze bepalingen valt overigens ook geen verplichting af te leiden voor verweerder tot het verlenen van een voorrangsverklaring. Hiermee volgt de rechtbank de uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van

19 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12472) en van 9 januari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:114).

Het beroep op dit artikel faalt.

7.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op artikel 27 van het IVRK. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat dit artikel geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu eiseres en haar partner door dit gebrek niet in hun belangen zijn geschaad.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie genoemde uitspraak van

24 januari 2019 bevat artikel 27 van het IVRK geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

10 december 2018 ECLI:NL:RVS:2018:4162) zijn deze normen niet voldoende concreet en behoeven derhalve geen nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving.

Het beroep op dit artikel faalt.

8. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020 door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019 (de Verordening)

In artikel 29, eerste lid, is bepaald dat, voor zover woningzoekenden zelf een daartoe strekkend verzoek indienen, burgemeester en wethouders een voorrangsverklaring verlenen aan woningzoekenden die voldoen aan de criteria onder a tot en met g.

Artikel 29, voor zover hier van belang:

2. Een voorrangsverklaring volgens het eerste lid wordt verleend

b. indien een woonsituatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders door sociale en/of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden dreigt dan wel dat één of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting uit het geheel waar betrokkene deel van uitmaakt, optreedt en zelf niet in staat is dit op te lossen.

Artikel 46

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

Artikel 3

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 4:

De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen om de in dit Verdrag erkende rechten te verwezenlijken. Ten aanzien van economische, sociale en culturele rechten nemen de Staten die Partij zijn deze maatregelen in de ruimste mate waarin de hun ter beschikking staande middelen dit toelaten en, indien nodig, in het kader van internationale samenwerking.

Artikel 27:

1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.