Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3216

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C-09-557980-HA ZA 18-882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Omgang biologische vader en dochter. Artikel 8 EVRM. Vraag of de Staat, Jeugdbescherming en voormalig partner van eiser onrechtmatig tegenover eiser hebben gehandeld. Onrechtmatige rechtspraak? Onvoldoende inspanning van Jeugdbescherming om omgang te stimuleren? Welke verplichtingen heeft Jeugdbescherming tegenover eiser?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/557980 / HA ZA 18-882

Vonnis in hoofdzaak van 8 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M. Simons te Geertruidenberg,

tegen

1 STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZUID-HOLLAND,

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.I. Assink te Rijswijk Zuid-Holland,

2. [de moeder],

te [plaats 1] , België,

gedaagde,

niet verschenen,

3. STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN, SPORT),

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] , [de moeder] , Jeugdbescherming West Zuid- Holland en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 7 augustus 2018, waarbij de zaak is verwezen naar team handel;

  • -

    de rolbeslissing van 3 oktober 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het herstelexploit van 16 oktober 2018 tot oproeping van [de moeder] om ter rolzitting van 28 november 2018 te verschijnen;

  • -

    de rolbeslissing van 5 december 2018, waarbij verstek tegen [de moeder] is verleend;

  • -

    het tussenvonnis van 2 januari 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 24 juni 2019, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van 5 augustus 2017, waarbij het verzoek tot wraking is afgewezen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 24 juni 2019, met het verdere verloop van de zitting.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen met het verdere verloop van de zitting is na de wrakingsbeslissing van 5 augustus 2019 buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele onjuistheden binnen twee weken na ontvangst van het proces-verbaal kenbaar te maken. Bij brieven van 25 september 2019, respectievelijk 27 september 2019 hebben mrs. Assink en Simons gereageerd op het proces-verbaal. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van hun opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de biologische vader van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ). Hij heeft [de minderjarige] niet erkend. [de moeder] is de moeder van [de minderjarige] en van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de moeder] had ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] twee kinderen uit een eerdere relatie.

2.2.

[eiser] en [de moeder] hebben elkaar eind 2009 ontmoet en een affectieve relatie gehad. Tijdens de geboorte van [de minderjarige] woonden zij samen in [geboorteplaats] . De relatie is in juni 2011 geëindigd, waarna [eiser] in [plaats 2] is gaan wonen.

2.3.

[de moeder] heeft een nieuwe partner gekregen, [A] (hierna: [A] ). [de minderjarige] is op [datum 1] 2012 erkend door [A] . Op enig moment is de achternaam van [de minderjarige] gewijzigd van [de moeder] in [A] .

2.4.

[de moeder] is in de zomer van 2013 bevallen van een kind van [A] . Op [datum 2] 2014 is zij met haar gezin, waaronder [de minderjarige] , in Belgïe gaan wonen.

2.5.

Sinds 2012 heeft [eiser] vele procedures tegen [de moeder] gevoerd die mede tot doel hadden contact te krijgen en houden met [de minderjarige] . [eiser] heeft in vervolg op een door de rechter bepaalde voorlopige omgangsregeling in het Omgangshuis [plaats 2] vijf keer omgang met [de minderjarige] gehad. De laatste keer is op 14 augustus 2013. [de minderjarige] heeft met ingang van 20 december 2013 tot 9 oktober 2014 onder toezicht gestaan van (destijds) de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, dat (voor zover relevant) is overgegaan in (nu) Jeugdbescherming. In het kader van de ondertoezichtstelling is op 6 maart 2014 een omgangsafspraak gepland. Deze is niet doorgegaan. Vanaf 18 juli 2014 heeft tussen [eiser] en [de minderjarige] wel omgang plaats gevonden. Na de verhuizing van [de moeder] met [de minderjarige] naar België op [datum 2] 2014 heeft [eiser] [de minderjarige] drie keer gezien.

2.6.

[eiser] heeft ook andere procedures gevoerd. Voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft hij als biologische vader van [de minderjarige] een aantal klachten ingediend tegen Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland en een procedure in kort geding tegen Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland en bestuursrechtelijke procedures tegen Jeugdbescherming gevoerd. Hij is verder als biologische vader van andere kinderen betrokken geweest bij civiele en bestuursrechtelijke procedures tegen andere instanties.

2.7.

Het verloop van de gevoerde procedures is, samengevat en in aanvulling op het vorenstaande, als volgt.

Omgang en ondertoezichtstelling

2.8.

[eiser] heeft de rechtbank Rotterdam verzocht om de vaststelling van een omgangsregeling met [de minderjarige] . Bij tussenbeschikking van 18 september 2012 (zaak-/rekestnummer: 399597/F2 RK 12-555) heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam tussen hem en [de minderjarige] een voorlopige omgangsregeling bepaald, waarbij [eiser] in de gelegenheid is gesteld om [de minderjarige] te ontmoeten op een door de rechtbank bepaalde locatie voor begeleide omgang, waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door medewerkers van het [plaats 2] Omgangshuis, na overleg met de ouders. Blijkens de beschikking is sprake van een diepe vertrouwensbreuk tussen de ouders. Volgens de kinderrechter is geen sprake van contra-indicaties die in de weg staan aan de omvang tussen [eiser] en [de minderjarige] . De zaak is pro forma aangehouden in afwachting van schriftelijke informatie van de raadslieden van de ouders over het verloop van de begeleide contacten.

2.9.

Bij tussenbeschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2013 in de in 2.8 genoemde procedure is de voorlopige omgangsregeling voortgezet en is [de moeder] veroordeeld tot nakoming op straffe van verbeurte van een dwangsom. Blijkens de beschikking volhardt [de moeder] in haar weigering om mee te werken aan uitvoering van de beschikking van 18 september 2012. De zaak is opnieuw pro forma aangehouden in afwachting van schriftelijke informatie van de raadslieden van de ouders over het verloop van de begeleide contacten.

2.10.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 20 maart 2013 de verzoeken in hoger beroep van [de moeder] en incidenteel hoger beroep van [eiser] van de tussenbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2012 (zie hiervoor in 2.8) afgewezen. Het belang van [de moeder] en [eiser] ontbreekt, aldus het hof, gezien de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2013 (zie hiervoor in 2.9).

2.11.

Bij beschikking van 20 december 2013 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam is [de minderjarige] op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) onder toezicht gesteld tot 9 oktober 2014. Volgens de kinderrechter staat vast dat er ernstige zorgen zijn over [de minderjarige] en het gezin waarin zij opgroeit. De moeder heeft, aldus de kinderrechter, te kampen met persoonlijke problematiek, waardoor het moeilijk is beschikbaar te zijn voor haar kinderen en in het vrijwillig kader is al hulp ingezet, maar dit heeft tot op heden niet tot het gewenste resultaat geleid. [de moeder] heeft ingestemd met de ondertoezichtstelling. [eiser] is gehoord en heeft zich niet verzet tegen het verzoek om ondertoezichtstelling. [eiser] heeft gezien zijn ervaringen in het verleden wel kanttekeningen geplaatst bij de begeleiding en de ondersteuning die door een gezinsvoogd kunnen worden geboden. Verder vindt hij een uithuisplaatsing noodzakelijk gezien de problemen die bij de moeder spelen.

2.12.

Bij eindbeschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2014 in de in 2.8 genoemde procedure is bepaald dat de duur en de frequentie van de contactregeling door de gezinsvoogd in overleg met [eiser] en [de moeder] zal worden bepaald. Dit op voorstel van Bureau Jeugdzorg Stadsregio [plaats 2] en met instemming van [eiser] en [de moeder] . Volgens de kinderrechter zijn door dit voorstel de belangen en de veiligheid van [de minderjarige] gewaarborgd. [eiser] moet [de minderjarige] halen en brengen omdat [de moeder] geen rijbewijs heeft. De mogelijkheid van Bureau Jeugdzorg om aanwijzingen aan [de moeder] te geven gezien de ondertoezichtstelling, moet volgens de kinderrechter voor [de moeder] voldoende prikkel zijn om afspraken ten aanzien van de omgangsregeling na te komen, zodat de door [eiser] verzochte oplegging van een dwangsom is afgewezen.

2.13.

[eiser] en [de grootmoeder] ( [de grootmoeder] , grootmoeder van [de minderjarige] aan vaderszijde) hebben bij de rechtbank Rotterdam een verzoek om de vaststelling van een omgangsregeling met [de minderjarige] ingediend. [de grootmoeder] heeft haar verzoek ingetrokken. De kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 september 2014 het verzoek van [de grootmoeder] afgewezen en [eiser] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Volgens de kinderrechter liggen geen van de gronden van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan het verzoek ten grondslag. Ter zitting heeft [eiser] de gronden van zijn verzoek aangevuld. [de moeder] is verhuisd naar Belgïe en Bureau Jeugdzorg Stadsregio [plaats 2] is na beëindiging van de ondertoezichtstelling niet langer in beeld. De kinderrechter slaat geen acht op deze aanvullende gronden omdat deze niet schriftelijk zijn aangevoerd en op een zodanig laat tijdstip dat [de moeder] in haar procesbelang is geschaad.

2.14.

[eiser] is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 december 2013 strekkende tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] (zie hiervoor 2.11). Hij is bij beschikking van 2 april 2014 van het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hij geen ouder met gezag is en [de minderjarige] ook niet verzorgt en opvoedt als behorende tot zijn gezin.

2.15.

[eiser] is ook in hoger beroep gekomen van de omgangsbeschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 september 2014 (zie hiervoor in 2.13). Bij beschikking van 8 juli 2015 heeft het gerechtshof Den Haag hem ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, de bestreden beschikking vernietigd en het inleidend verzoek van [eiser] afgewezen. Het hof acht contact met [eiser] in het belang van [de minderjarige] . Wel dient deze omgang eerst onder begeleiding plaats te vinden, nu [eiser] en [de minderjarige] al geruime tijd geen contact meer hebben gehad en de communicatie tussen [eiser] en [de moeder] moeizaam verloopt. Ook is er volgens het hof weinig bekend over de thuissituatie van [eiser] en is onbekend in hoeverre hij tegemoet kan komen aan de behoeften van [de minderjarige] . Van onbegeleide omgang kan volgens het hof nu geen sprake zijn. Het hof ziet op dit moment echter geen mogelijkheden om begeleide omgang tussen [eiser] en [de minderjarige] te bewerkstelligen. Het hof wijst op de verhuizing van [de moeder] met haar gezin naar België en het verzet van [de moeder] tegen de verzochte omgangsregeling, de beëindiging van de ondertoezichtstelling waardoor Jeugdbescherming de omgang niet langer kan begeleiden en de omstandigheid dat [eiser] de kosten van begeleiding door een derde partij (bijvoorbeeld Devotas) niet kan dragen, terwijl het hof geen reden ziet om deze kosten door [de moeder] of Jeugdbescherming te laten voldoen.

2.16.

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 18 december 2015 het cassatieberoep van [eiser] tegen de beschikking van het gerechtshof van 8 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Dit gezien artikel 80a lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.

Erkenning

2.17.

Op verzoek van [eiser] heeft de kinderrechter in de rechtbank [plaats 2] bij beschikking van 28 oktober 2013 (zaak-/rekestnummer c/10/415305/F1 RK 12-4547) de erkenning van [de minderjarige] door [A] vernietigd en [eiser] vervangende toestemming verleend voor erkenning van [de minderjarige] . [eiser] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om gezamenlijk gezag.

2.18.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 22 juli 2015 de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2013 (zie hiervoor 2.17) vernietigd ten aanzien van de erkenning. Het heeft, voor zover relevant, de inleidende verzoeken van [eiser] tot vernietiging van de erkenning en het verlenen van vervangende toestemming afgewezen. Het hof weegt de omstandigheden die de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, te weten de niet-stabiele relatie van [de moeder] en het chronologisch verloop van de feiten, anders.

Kinderontvoering en verzoek om onderzoek Raad voor de Kinderbescherming
2.19. [eiser] heeft sinds de verhuizing van [de moeder] met [de minderjarige] naar België veelvuldig contact gehad met de Centrale autoriteit zoals bedoeld in de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Hij heeft onder meer verzocht om informatie te verstrekken, de omgang vast te stellen en de teruggeleiding in gang te zetten. De Centrale autoriteit heeft het verzoek van [eiser] om een internationale omgangsregeling op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 vast te stellen doorgeleid naar de Belgische Centrale autoriteit. Bij besluit van 31 maart 2017 heeft de Centrale autoriteit op het daartoe strekkende verzoek van de man tot teruggeleiding op grond van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (het Verdrag) beslist dat zij dit verzoek niet in behandeling zal nemen nu niet is gebleken dat sprake is van internationale kinderontvoering in de zin van het Verdrag.

2.20.

Het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van de Centrale autoriteit van 31 maart 2017 heeft de rechtbank Den Haag bij beschikking van 12 juni 2017 ongegrond verklaard. De Centrale autoriteit heeft volgens de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat er klaarblijkelijk geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Verdrag, zodat het verzoek van [eiser] terecht niet in behandeling is genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een verzoek van een biologische vader, zonder gezag, wiens dochter op het moment van de verhuizing onder toezicht stond van (destijds) Bureau Jeugdzorg. Het verzoek van [eiser] in bezwaar om een onderzoek door de Raad te gelasten heeft de rechtbank afgewezen omdat, nog afgezien van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, een dergelijk verzoek in de bezwaarschriftprocedure niet aan de orde is.

2.21.

Bij vonnis van 22 december 2017 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie familie- en jeugdrechtbank, kamer AF9, vastgesteld dat [eiser] en [de moeder] tot een voorlopig akkoord zijn gekomen met betrekking tot de gevraagde contacten tussen hem en [de minderjarige] . Zij heeft akte verleend van dit akkoord en de overeengekomen regeling bekrachtigd zoals bepaald in het vonnis. De rechtbank Antwerpen heeft bepaald dat, vooraleer over de grond van de zaak te oordelen, de volgende voorlopige maatregel zal gelden. Behoudens andersluidende overeenkomst heeft [eiser] een recht op persoonlijk contact met [de minderjarige] op zaterdag van 14.00 tot 16.00 uur waarbij de moeder in de nabijheid van kind blijft.

Klachten en kort geding tegen Bureau Jeugdzorg Stadsregio [plaats 2] , behorend tot Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland en Jeugdbescherming

2.22.

[eiser] heeft geklaagd over, kort gezegd, de handelwijze van medewerkers van Bureau Jeugdzorg, waaronder de gezinsvoogd en vervangend gezinsvoogd van [de minderjarige] . De Klachtencommissie van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Zuid Holland/Haaglanden heeft in een uitspraak van 20 juni 2014 zeven klachten van [eiser] ongegrond bevonden. Een klacht is niet in behandeling genomen omdat dit feitelijk geen klacht was.

2.23.

[eiser] heeft ook bij het College van Toezicht van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers geklaagd over de handelwijze van de jeugdzorgwerkers die gezinsvoogd, respectievelijk vervangend gezinsvoogd waren van [de minderjarige] . Op 31 oktober 2014 heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. [eiser] is in hoger beroep gegaan. Het College van Beroep van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) heeft bij uitspraak van 4 mei 2015 negen klachten van [eiser] ongegrond verklaard en één klacht niet-ontvankelijk.

2.24.

[eiser] is daarnaast een procedure in kort geding tegen Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland begonnen. Bij vonnis van 22 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de vorderingen van [eiser] om hem op straffe van een dwangsom het Plan van Aanpak te doen toekomen en een indicatiebesluit te hebben genomen, een familienetwerkberaadmedewerker te benoemen, een zeswekelijkse evaluatie te doen plaatsvinden in samenspraak met [eiser] en [eiser] volledig toegang tot de dossiers en contactjournaals te verschaffen afgewezen. De voorzieningenrechter verwijst naar de klachten van [eiser] bij de klachtencommissie van Bureau Jeugdzorg en de tuchtrechter voor jeugdwerkers. De inhoud van die klachten stemt volgens de voorzieningenrechter overeen met de inhoud van de vorderingen van [eiser] . Hij heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd waarin het spoedeisend belang van zijn vorderingen is gelegen. Het gerechtshof Den Haag heeft het hoger beroep van [eiser] tegen dit vonnis bij arrest van 2 december 2014 ongegrond bevonden en het vonnis bekrachtigd.

Andere procedures

2.25.

[eiser] heeft ook andere civiele en bestuursrechtelijke procedures aanhangig gemaakt tegen Jeugdbescherming en andere instanties, betreffende [de minderjarige] , maar ook in verband met andere kinderen waarvan [eiser] de biologische vader is. Blijkens een uitspraak van 8 september 2017 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam , team bestuursrecht, heeft [eiser] ongeveer 500 verzoeken op grond van de Wet openbaarheid bestuur bij de gemeente [de Gemeente] en 589 informatieverzoeken bij Jeugdbescherming ingediend. In deze uitspraak heeft de rechtbank Rotterdam ambtshalve verder vastgesteld dat er vanaf eind 2013 meer dan 70 door [eiser] uitgelokte uitspraken – waaronder tussenbeslissingen en andere procesincidenten – zijn gedaan door de rechtbank Rotterdam en andere rechtscolleges. In de bestuursrechtelijke zaken tegen Jeugdbescherming die in de uitspraak van 8 september 2017 zijn beoordeeld, heeft de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard, respectievelijk het beroep van [eiser] niet ontvankelijk verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag dat [eiser] feitelijk weer een omgangsregeling heeft met zijn dochter van minimaal twee uur per maand, en hen hoofdelijk te veroordelen tot een bedrag van € 968 aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.

[eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatige daad wegens schending van de artikelen 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 9 lid van het Internationaal Verdrag tot bescherming van de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 24 lid 3 van het Handvest van de Europese Unie (het Handvest) en het ongeschreven recht en, wat betreft [de moeder] (kennelijk), haar wettelijke verplichtingen als juridisch ouder van [de minderjarige] . Hij verwijt [de moeder] en Jeugdbescherming te hebben nagelaten rechterlijke uitspraken na te komen en de omgang tussen hem en zijn dochter te hebben gefrustreerd. Hij verwijt de Staat dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen in de rechterlijke uitspraken die zijn gewezen tussen hem en [de moeder] en dat de feitenrechters en de Hoge Raad onvoldoende invulling hebben gegeven aan hun inspanningsverplichting om omgang mogelijk te maken.

3.3.

Jeugdbescherming en de Staat voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[de moeder] heeft haar woonplaats in België. De rechtbank moet derhalve ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht zij moet toepassen in de zaak tegen [de moeder] . Voor zover [eiser] stelt dat [de moeder] onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij de door (de Nederlandse rechters bepaalde) omgangsregeling met [de minderjarige] heeft gefrustreerd, heeft het schadeveroorzakende feit zich in Nederland voorgedaan. Het gestelde nalaten ten aanzien van die regeling heeft in Nederland plaatsgevonden omdat de regeling in Nederland werd uitgevoerd, althans zou worden uitgevoerd. Op grond van artikel 7 EEX-vo heeft de Nederlandse rechter derhalve rechtsmacht. Het toepasselijke recht is Nederlands recht op grond van artikel 4 lid 1 van Rome II omdat de gestelde schade zich hier in Nederland voordoet.

4.2.

Inhoudelijk zal de rechtbank hierna achtereenvolgend de gestelde aansprakelijkheid van de Staat, Jeugdbescherming en [de moeder] beoordelen.

4.3.

Vooraf merkt de rechtbank op dat [eiser] geen beroep toekomt op artikel 9 lid 3 IVRK, noch op artikel 24 lid 3 van het Handvest. Beide bepalingen beschermen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met zijn of haar belang. Zij beschermen niet het recht van een biologische vader. [eiser] komt in deze procedure op voor zijn eigen belang. Hij procedeert niet als wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] en kan dat ook niet omdat hij juridisch geen zeggenschap over [de minderjarige] heeft.

4.4.

De rechtbank zal hierna derhalve alleen ingaan op de door [eiser] gestelde schending van artikel 8 EVRM en het ongeschreven recht en, wat betreft [de moeder] , haar wettelijke verplichtingen als juridisch ouder.

De gestelde aansprakelijkheid van de Staat

4.5.

[eiser] verwijt de Staat blijkens de toelichting ter zitting dat de rechters die zijn zaken hebben behandeld niet verderstrekkende maatregelen hebben genomen om de omgang tussen hem en [de minderjarige] op gang te brengen. Het was, aldus [eiser] , duidelijk dat de moeder niet meewerkte en de rechters hadden hier meer adequaat op moeten reageren.

4.6.

Hiermee grondt [eiser] zijn vorderingen voor zover deze zijn gericht tegen de Staat op onrechtmatige rechtspraak. Alleen indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen (bijvoorbeeld hoor en wederhoor) zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel open staat en heeft opengestaan, kan de Staat met een vordering op grond van onrechtmatige rechtspraak aansprakelijk worden gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade (HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6788 (Hotel Jan Luyken/Staat)).

4.7.

[eiser] heeft geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat aan de genoemde criteria voor onrechtmatige rechtspraak is voldaan. Die feiten zijn ook niet gebleken. Daarop faalt ook het beroep van [eiser] op schending van artikel 8 EVRM.

4.8.

Hierop stuiten de vorderingen van [eiser] tegen de Staat af.

De gestelde aansprakelijkheid van Jeugdbescherming

4.9.

[eiser] verwijt Jeugdbescherming mede blijkens de toelichting ter zitting het volgende. Jeugdbescherming heeft, aldus [eiser] :

  • -

    a) geweigerd met hem in overleg te treden;

  • -

    b) hem een niet-onderhandelbare omgangsregeling voorgelegd, waarbij [eiser] aanzienlijk werd beperkt voor wat betreft tijd en frequentie van de omgangsmomenten, waarvoor Jeugdbescherming geen legitieme reden heeft gegeven;

  • -

    c) tot tweemaal toe omgangsmomenten toegezegd, die zonder geldige reden niet zijn nagekomen;

  • -

    d) de zorgen die hij heeft geuit over de ontwikkeling van [de minderjarige] niet serieus genomen;

  • -

    e) haar medewerkers niet deugdelijk opgeleid doordat zij niet de training “Omgang met gescheiden ouders” hebben gevolgd;

  • -

    f) nagelaten de in het jaarverslag van 2012 genoemde medewerker die gespecialiseerd is om een familienetwerkberaad te begeleiden in te zetten;

  • -

    g) hem niet de gelegenheid gegeven bij aanvang van de ondertoezichtstelling een plan van aanpak op te stellen en
    (h) nagelaten zijn belangen mee te wegen bij de beslissing om [de moeder] te laten verhuizen.

4.10.

De rechtbank moet beoordelen of sprake is van schending van de verplichtingen die op Jeugdbescherming krachtens artikel 8 EVRM en het ongeschreven recht rusten. Het is aan [eiser] om voldoende feiten te stellen, gelet op de betwisting van Jeugdbescherming, die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van de gestelde beroepsfouten en daarmee van onrechtmatig handelen van Jeugdbescherming. Voor aansprakelijkheid van Jeugdbescherming op grond van onrechtmatig handelen is daarnaast vereist dat vast staat dat [eiser] (vermogens- of immateriële) schade heeft geleden en sprake is van causaal verband tussen de gemaakte fouten en de schade die [eiser] daardoor stelt te hebben geleden.

4.11.

Op grond van artikel 8 EVRM rust op de nationale autoriteiten tussen een ouder en een kind waarbij sprake is van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM een positieve verplichting om maatregelen te treffen ter effectuering daarvan. Het EHRM omschrijft die verplichting als volgt: “The obligation of the national authorities to take measures to facilitate meetings between a parent and his or her child is not absolute, especially where the two are still strangers to one another. Such access may not be possible immediately and may require preparatory measures being taken to this effect. The nature and extent of such preparation will depend on the circumstances of each case, but the understanding and cooperation of all concerned will always be an important ingredient. While national authorities must do their utmost to facilitate such cooperation, any obligation to apply coercion in this area must be limited, since the interests (as well as the rights and freedoms) of all concerned must be taken into account, as must the best interests of the child and his or her rights under Article 8 of the Convention. Where contact with the parent might appear to threaten those interests or interfere with those rights, it is for the national authorities to strike a fair balance between them. What is decisive is whether the national authorities have taken all necessary steps to facilitate access as can reasonably be demanded in the special circumstances of each case (see Nuutinen, cited above, § 128). In this context, the adequacy of a measure is to be judged by the swiftness of its implementation, as the passage of time can have irremediable consequences for relations between a child and a parent who do not cohabit (see Zoltán Németh, cited above, § 45).”( EHRM 2 oktober 2018 (definitief: 2 januari 2019) A.B.V. tegen Rusland, nr. 56987/15). Deze verplichtingen gelden ook in het geval van een niet-juridische ouder zoals [eiser] als biologische vader, die, naar niet in geschil is, ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM heeft met [de minderjarige] . Gelet op artikel 8 EVRM moet dus getoetst worden of de nationale autoriteiten, in dit geval Jeugdbescherming, alle noodzakelijke stappen hebben genomen om de omgang te stimuleren die in de bijzondere omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd.

4.12.

Naar Nederlands recht verwijt [eiser] Jeugdbescherming in de kern beroepsmatig onzorgvuldig handelen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of Jeugdbescherming (en haar medewerkers) tegenover [eiser] als biologische vader van [de minderjarige] gehandeld heeft (hebben) zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelende jeugdzorginstelling (en haar jeugdzorgwerkers) mag worden verwacht.

4.13.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verwijten die [eiser] Jeugdbescherming in deze procedure maakt materieel eerder beoordeeld zijn in een of meerdere van de procedures hiervoor in 2.22 - 2.24 genoemde procedures tegen (voorheen Bureau Jeugdzorg, nu) Jeugdbescherming. Geen van deze procedures heeft ertoe geleid dat de [eiser] inhoudelijk in het gelijk is gesteld, ook niet op onderdelen.

4.14.

[eiser] heeft in deze procedure geen nieuwe feiten naar voren gebracht.

4.15.

De rechtbank verwerpt de stelling van [eiser] dat Jeugdbescherming onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Zij verwijst naar de uitspraken van in de eerdere procedures tegen (voorheen Bureau Jeugdzorg, nu) Jeugdbescherming. Deze uitspraken bevatten geen feitelijke aanknopingspunten voor de conclusie dat Jeugdbescherming in strijd met artikel 8 EVRM of het ongeschreven recht heeft gehandeld. Daarnaast acht zij acht het volgende van belang.

4.16.

De rechtsverhouding tussen Jeugdbescherming en [eiser] kenmerkt zich door de omstandigheid dat [eiser] geen juridisch ouder is. Hij heeft [de minderjarige] niet erkend en heeft (alleen daarom al) ook geen gezag over haar. Als biologische vader is hij bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling door Jeugdbescherming ook geen belanghebbende partij. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat hij geen belanghebbende is in de procedure waarin de Raad heeft verzocht om ondertoezichtstelling. De maatregel van ondertoezichtstelling heeft gevolgen voor de rechtsbetrekking tussen de ouders die met het gezag zijn bekleed en de minderjarige. Die maatregel raakt niet de rechten en verplichtingen van de niet met gezag belaste ouder en derhalve niet [eiser] als biologische vader van [de minderjarige] . [eiser] had in de procedure tot ondertoezichtstelling als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als hij als niet-ouder [de minderjarige] gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin zou hebben verzorgd en opgevoed. Aan die periode-eis is niet voldaan. Dat [eiser] geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 en 806 lid 1 Rv bij de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft ook het hof in die procedure beslist (de beschikking van 2 april 2014, hiervoor 2.14). Het hof heeft daarnaast in kort geding het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd omdat [eiser] geen belanghebbende bij de ondertoezichtstelling is (arrest van 2 december 2014, zie 2.24). Bovendien heeft de rechtbank Den Haag de beslissing van de Centrale autoriteit dat met de verhuizing van [de moeder] geen sprake is geweest van ongeoorloofde overbrenging bevestigd omdat [eiser] geen gezag heeft (beschikking van 12 juni 2017, zie 2.20).

4.17.

Een en ander betekent dat Jeugdbescherming tegenover [eiser] niet de verplichtingen heeft die zij tegenover een juridische ouder en of een ouder die met gezag is bekleed wel heeft. Een belangrijk deel van de verwijten van [eiser] stuit hierop af. Die verwijten gaan uit van verplichtingen van Jeugdbescherming die zij niet op grond van artikel 8 EVRM, noch op grond van het ongeschreven recht heeft tegenover [eiser] als biologische vader van [de minderjarige] . Dit is anders voor zover de verwijten van [eiser] gebaseerd zijn op zijn recht op omgang met [de minderjarige] . Op Jeugdbescherming rust immers de inspanningsverplichting om de omgang tussen [eiser] en [de minderjarige] te stimuleren, zoals artikel 8 EVRM vereist. Deze verwijten van [eiser] falen echter ook. Niet gezegd kan worden dat Jeugdbescherming zich onvoldoende heeft ingespannen om de omgang te stimuleren. Ter verdere toelichting overweegt de rechtbank als volgt.

4.18.

De verwijten (a) tot en met (d) gaan over de omgang met [de minderjarige] . Verwijt (h) gaat over het nalaten van Jeugdbescherming de belangen van [eiser] te betrekken bij het verlenen van toestemming aan [de moeder] om te verhuizen. Dit verwijt is mede geplaatst in het kader van de omgang met [de minderjarige] . Het staat vast dat het ook in de periode waarin [de minderjarige] onder toezicht is gesteld en Jeugdbescherming met de uitvoering daarvan was belast niet is gelukt om structurele omgang tussen [eiser] en [de minderjarige] tot stand te brengen. Dit is zonder meer triest. Die omstandigheid maakt evenwel niet dat Jeugdbescherming niet de noodzakelijke stappen heeft genomen die in de bijzondere omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om de omgang te stimuleren.

4.19.

Het feitelijk verloop van de handelwijze van (toen nog) Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (hierna: Jeugdzorg) is blijkens de stukken - samengevat en voor zover relevant - als volgt geweest.
- Nadat [de minderjarige] onder toezicht is gesteld op 20 december 2013, heeft de kinderrechter op verzoek van [eiser] in de procedure betreffende de omgang met [de minderjarige] op 14 februari 2014 bepaald dat de duur en de frequentie van de contactregeling door de gezinsvoogd in overleg met [eiser] en [de moeder] zal worden bepaald.
- Een eerste kennismakingsgesprek met [eiser] vindt plaats op 23 januari 2014, waarin hij is geïnformeerd over de werkwijze van Jeugdzorg, waaronder het opstellen van een plan van aanpak. De inhoud van het plan is op hoofdlijnen met hem besproken, dat wil zeggen dat hij ervan op de hoogte is gesteld welke hulpverlening is ingezet voor [de minderjarige] . Er is geen afschrift van het plan van aanpak verstrekt omdat dit zonder toestemming van [de moeder] als ouder met gezag niet aan hem kan worden overhandigd.
- Vervolgens heeft Jeugdzorg bij brief van 27 februari 2014 een omgangsvoorstel aan [eiser] gestuurd en is een omgangsafspraak voor 6 maart 2014 gepland. Het streven was om elke maand een begeleid bezoek te organiseren tussen [eiser] en [de minderjarige] en daarna te bezien of uitbreiding voor [de minderjarige] passend was. Deze afspraak is niet doorgegaan omdat [eiser] het voorstel niet acceptabel achtte. [eiser] heeft onder meer een tegenvoorstel gedaan, om een nieuw voorstel gevraagd en voorwaarden gesteld, waaronder de begeleiding door een door Jeugdzorg te bekostigen externe partij.
- Jeugdzorg heeft op 25 maart 2014 met [eiser] , in aanwezigheid van zijn advocaat, de gezinsvoogd en een gedragswetenschapper, een gesprek met [eiser] gevoerd en bij brief van 4 april 2014 een tweesporenbeleid voorgesteld, namelijk dat gestart zou worden met de omgang én dat het voorstel van Jeugdzorg in een gerechtelijke procedure zou worden getoetst. Nadat [eiser] dit voorstel aanvankelijk onder protest heeft aanvaard, heeft hij Jeugdzorg opnieuw voorgesteld om een derde deskundige partij in te schakelen (Devotas). Jeugdzorg heeft haar voorstel van één uur begeleide omgang op de locatie te [plaats 3] gehandhaafd. Daarbij zou ook de gedragswetenschapper observeren en evaluatie plaatsvinden na vier bezoeken en bekeken worden of uitbreiding passend was voor [de minderjarige] .
- In de periode nadien heeft [eiser] op diverse wijzen kenbaar gemaakt dat hij niet tevreden was met de handelwijze van Jeugdzorg en hebben de eerder genoemde klacht- en tuchtprocedures tegen Jeugdzorg en procedure in kort geding plaatsgevonden. Jeugdzorg heeft consequent aangegeven dat het omgangsvoorstel blijft gelden en [eiser] op elk moment hierop kan ingaan.
- Op 30 juni 2014 heeft Jeugdzorg [eiser] laten weten dat [de moeder] voornemens is met haar gezin te verhuizen naar België. [eiser] uit zijn zorgen over de omgangsregeling met [de minderjarige] en wat de verhuizing betekent. Ondanks dat hij het niet eens is met de omgangsregeling en de verhuizing, wil hij toch starten met de omgang.
- Een begeleide omgangsafspraak op 11 juli 2014 te [plaats 4] is niet doorgegaan omdat [de moeder] geen vervoer had om te komen. De afspraak is verzet naar 18 juli 2014.
- Op 18 juli 2014 heeft begeleide omgang met [de minderjarige] plaatsgevonden te [plaats 4] in aanwezigheid van de eerder genoemde gedragswetenschapper. Ondanks de langere reistijd voor [de minderjarige] is gekozen voor een nieuwe locatie gezien het eerdere (stroeve) verloop van de contacten tussen [eiser] en Bureau Jeugdzorg op de locatie in [plaats 3] .
- Jeugdzorg heeft in overleg met [de moeder] via de Centrale autoriteit de overdracht van de hulpverlening na haar verhuizing naar België georganiseerd. De Nederlandse Centrale autoriteit heeft de Belgische Centrale autoriteit verzocht om onderzoek te doen naar de situatie van de kinderen van [de moeder] . [de minderjarige] is naar een basisschool in België gegaan en uit een opgevraagde rapportage blijkt dat zij het redelijk tot goed doet. Jeugdzorg heeft voor een uitgebreide schriftelijke overdracht gezorgd.
- Op 8 oktober 2014 is de ondertoezichtstelling geëindigd, waarbij conform de wettelijke regeling de Raad is geïnformeerd. Na afloop van de ondertoezichtstelling heeft Jeugdzorg geen begeleide bezoeken meer georganiseerd. Wel heeft zij geprobeerd beide ouders te motiveren voor bezoeken van [de minderjarige] aan [eiser] in een vrijwillig kader onder professionele begeleiding. Dit is niet van de grond gekomen.

4.20.

De rechtbank verwerpt het verwijt (a) van [eiser] dat Jeugdbescherming geen overleg met hem heeft gepleegd. Vrijwel direct na de ondertoezichtstelling, in aanmerking genomen de kerstperiode, heeft er een kennismaking plaatsgevonden en is er overleg geweest met [eiser] naar aanleiding van zijn bezwaren tegen het omgangsvoorstel van Jeugdzorg. Hij is ook, binnen de mogelijkheden van Jeugdzorg, geïnformeerd over de aanpak en er is gereageerd op zijn verzoeken.

4.21.

De rechtbank verwerpt ook verwijt (b). Anders dan [eiser] meent, houdt de omgangsregeling zoals de kinderrechter in haar beschikking van 13 februari 2014 heeft bepaald, niet in dat [eiser] zich in een onderhandelingspositie bevond. Het was aan Jeugdbescherming om de duur en frequentie van de omgang, in het belang van [de minderjarige] , te bepalen. Daarbij diende zij te overleggen met [eiser] en [de moeder] , dat wil zeggen hen te raadplegen. Gezien de leeftijd van [de minderjarige] destijds (nog geen vier) en de ingangsdatum van de ondertoezichtstelling (twee maanden voordat het omgangsvoorstel is gedaan), die onder meer meebracht dat er nader zicht gekregen moest worden op de problemen in de gezinssituatie van [de moeder] en ook op [eiser] en zijn thuissituatie, kan niet gezegd worden dat de voorgestelde omgangsregeling onzorgvuldig of anderszins niet redelijk is geweest. Weliswaar is de voorgestelde regeling beperkter dan die in het Omgangshuis te [plaats 2] ,

4.22.

Het verwijt (c) van [eiser] treft ook geen doel. Er is twee keer een afspraak niet doorgegaan. De eerste keer (6 maart 2014) is de afspraak niet doorgegaan omdat [eiser] zelf geen zekerheid kon of wilde bieden over zijn komst. De tweede keer (11 juli 2014) is de afspraak niet doorgegaan omdat [de moeder] geen auto had en het openbaar vervoer voor [de minderjarige] vanuit België naar [plaats 4] te lang/omslachtig zou zijn. Er zijn geen feitelijke aanknopingspunten dat het aan Jeugdzorg heeft gelegen dat de omgang na 6 maart 2014 en voor 18 juli 2014 niet is gestart.

4.23.

Ten slotte geldt wat betreft verwijt (h) dat Jeugdzorg [eiser] heeft geïnformeerd zodra zij ervan op de hoogte was dat [de moeder] voornemens was te verhuizen, zij de overdracht op het gebied van hulpverlening aan instanties in België heeft georganiseerd en ook toen de omgang gedurende de ondertoezichtstelling is blijven stimuleren. Jeugdbescherming heeft hiermee met andere woorden alles gedaan wat binnen haar macht lag en in het belang van [de minderjarige] was met het oog op de omgang met [eiser] .

4.24.

De verwijten (d) tot en met (g) zien niet op de omgang met [de minderjarige] . Verwijt (h) ziet evenmin op de omgang voor zover [eiser] stelt dat Jeugdbescherming [de moeder] zonder rechterlijk akkoord geen toestemming had mogen verlenen om te verhuizen en hij door die toestemming ernstig tekort is gedaan. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

4.25.

Verwijt (d) houdt in dat Jeugdbescherming de zorgen die [eiser] heeft geuit over de ontwikkeling van [de minderjarige] niet serieus heeft genomen. Blijkens de stukken is dit verwijt mede ingegeven door de visie van [eiser] dat het niet in het belang van [de minderjarige] is dat zij opgroeit bij [de moeder] en uit huis zou moeten worden geplaatst. Jeugdbescherming heeft tegenover [de minderjarige] de verplichting in haar belang te handelen en in dat licht ook de verplichting om de afweging te maken of op grond van artikel 1:265 BW een machtiging uithuisplaatsing geïndiceerd is indien en voor zover daarvoor feitelijk aanleiding is. Jeugdbescherming heeft niet tot taak zich, bij de beoordeling van hetgeen het belang van het kind in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling vergt, te begeven in een afweging van de belangen van de moeder en de biologische vader van het kind. Zij dient slechts met de standpunten en belangen van [eiser] rekening te houden voor zover het belang van het kind daartoe aanleiding geeft. Op Jeugdbescherming rust echter geen rechtens afdwingbare verplichting tegenover [eiser] om te handelen in de door hem gewenste zin naar aanleiding van de door hem geuite zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] .

4.26.

Verwijt (e) houdt in dat de medewerkers van Jeugdbescherming onvoldoende geschoold zijn omdat zij een bepaalde specifieke training niet gevolgd hebben. De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen normen heeft geduid op grond waarvan moet worden aangenomen dat Jeugdbescherming volgens wet- of regelgeving, dan wel richtlijnen van de beroepsgroep van jeugdzorgwerkers gehouden is om met het oog op de omgang tussen een minderjarige en een biologische vader haar medewerkers deze training te laten volgen. Hiermee is de rechtbank ook niet ambtshalve bekend. Jeugdbescherming heeft een eigen beleids- en beoordelingsruimte ten aanzien van de trainingen die jeugdzorgwerkers (moeten) volgen. Gelet hierop en nu [eiser] geen feiten heeft gesteld waaruit kan volgen dat de bij [de minderjarige] betrokken jeugdzorgwerkers onvoldoende geschoold zijn geweest omdat zij de door hem genoemde training niet hebben gevolgd, faalt dit verwijt.

4.27.

Ook de verwijten (f) en (g) falen. Deze verwijten houden in dat Jeugdbescherming heeft nagelaten de in het jaarverslag van 2012 genoemde medewerker die gespecialiseerd is om een familienetwerkberaad te begeleiden in te zetten en hem in de gelegenheid te stellen bij aanvang van de ondertoezichtstelling een plan van aanpak op te stellen. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] geen ouder met gezag is. [eiser] maakt bovendien, zoals Jeugdbescherming ook naar voren heeft gebracht, geen deel uit van het netwerk van [de minderjarige] omdat hij tot nu toe slechts een zeer beperkte rol in haar leven heeft vervuld. Mede om die reden is er geen aanleiding [eiser] bij een familienetwerkberaad of het opstellen van een plan van aanpak te betrekken. Ook is geen sprake van een zodanige relatie tussen [de moeder] en [eiser] dat de inschakeling van [eiser] functioneel is bij het opzetten van een familieberaad en het maken van een plan van aanpak. Gelet hierop is geen sprake van onrechtmatig nalaten van Jeugdbescherming tegenover [eiser] zoals hij heeft gesteld.

4.28.

Wat betreft verwijt (h) geldt het volgende. Blijkens de stukken heeft Jeugdbescherming in de gezinssituatie van [de moeder] , hoe zorgelijk wellicht ook, geen aanleiding gezien om aan te sturen op (vrijwillige of gedwongen) uithuisplaatsing vanwege de (voorgenomen) verhuizing naar België, zoals Jeugdzorg in juni 2014 te horen kreeg. De rechtbank stelt voorts vast dat [de moeder] en Jeugdzorg (kennelijk) steeds contact hebben onderhouden en Jeugdzorg de hulp aan het gezin van [de moeder] in België heeft geborgd. Het stond [de moeder] als juridisch ouder verder op zichzelf vrij om te verhuizen met haar gezin, ook gedurende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en naar het buitenland. Dit zou slechts anders hebben kunnen zijn als het belang van [de minderjarige] in het kader van haar opvoedings- en ontwikkelingssituatie hieraan in de weg zou hebben gestaan. In dat kader weegt mee dat [eiser] zelf niet aan Jeugdzorg kenbaar heeft willen maken waar hij woont en Jeugdzorg alleen al hierom geen inschatting kon maken van zijn thuissituatie en in hoeverre deze tegemoet kwam aan de behoeften van [de minderjarige] . De verplichtingen van Jeugdbescherming in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling strekken er niet toe om [eiser] te beschermen tegen de nadelige gevolgen van een verhuizing van [de minderjarige] .

De gestelde aansprakelijkheid van [de moeder]
4.29. Tegen [de moeder] is verstek verleend. Vaststaat dat [de moeder] in het verleden niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van structurele omgang tussen [eiser] en [de minderjarige] . [de minderjarige] is inmiddels ruim negen jaar oud. [de moeder] heeft ter zitting meegedeeld dat hij [de minderjarige] na [datum 2] 2014 nog slechts drie keer heeft gezien. Tegelijkertijd heeft de rechtbank Antwerpen bij vonnis van 22 december 2017 een voorlopig akkoord vastgesteld op grond waarvan [eiser] een recht op persoonlijk contact met [de minderjarige] heeft op zaterdag van 14.00 tot 16.00 waarbij de moeder in de nabijheid van kind blijft. Dit is de laatste informatie waarover de rechtbank beschikt en die Jeugdbescherming haar heeft verschaft.

4.30.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [de moeder] in het Omgangshuis en gedurende de ondertoezichtstelling ook wèl heeft meegewerkt, en laatstelijk een voorlopig akkoord tussen [de moeder] en [eiser] is bereikt, heeft [eiser] zijn verwijt aan het adres van [de moeder] onvoldoende geconcretiseerd. Hij heeft onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht die specifiek betrekking hebben op [de moeder] (en niet op de Jeugdbescherming en de Staat) voor de vaststelling dat sprake is van toerekenbaar onrechtmatig handelen van [de moeder] tegenover hem door hem te frustreren in de totstandkoming van omgang met [de minderjarige] . De enkele omstandigheid dat eerder een dwangsom is opgelegd om [de moeder] tot medewerking te bewegen, acht de rechtbank, mede gelet op het tijdsverloop, onvoldoende voor die gevolgtrekking.

4.31.

Bovendien heeft [eiser] de door hem gestelde schade onvoldoende feitelijk toegelicht. Die schade is blijkens zijn stellingen immaterieel van aard. Voor vergoeding van immateriële schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een onderbouwing waaruit kan blijken dat hiervan in het geval van [eiser] sprake is, ontbreekt.

4.32.

Niettegenstaande het ontbreken van verweer van [de moeder] , moeten ook de vorderingen van [eiser] tegen [de moeder] derhalve als ongegrond worden afgewezen. Nu de Staat en Jeugdbescherming wel zijn verschenen wordt dit vonnis ook jegens [de moeder] beschouwd als op tegenspraak te zijn gewezen, zie art. 140 lid 3 Rv.

Slotsom
4.33. Al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van Jeugdbescherming en de Staat begroot op € 1.712 (€ 626 aan griffierecht en
€ 1.086 aan salaris advocaat) voor ieder van deze gedaagden afzonderlijk, derhalve in totaal € 3.424. Aan de zijde van [de moeder] worden deze kosten tot op heden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Jeugdbescherming en de Staat, tot op heden begroot op € 1.712 voor ieder van hen afzonderlijk een aan de zijde van [de moeder] tot op heden begroot op nihil

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 8 april 2020.1

1 type: 1772