Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3212

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/6043 en AWB 19/6044
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

intrekking van een verblijfsvergunning onder de beperking 'arbeid als kennismigrant'. Eiser kreeg te weinig loon uitbetaald, waardoor hij niet aan het looncriterium voldeed. Dat het loon is gecorrigeerd maakt niet dat alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan. De intrekking is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van zijn beleidsregels had moeten afwijken. De intrekking is niet in strijd met artikel 8 EVRM, dan wel artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/6043 (beroep)

AWB 19/6044 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,

eiser 1,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

eiseres,
en,

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum 3] ,

eiser 2,

allen van Armeense nationaliteit,

tezamen: eisers,

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.E.M. Van Wingerden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunningen van eisers ingetrokken.

Bij besluit van 15 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 17 januari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is referent verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling het volgende. Aan eiser 1 is met ingang van 1 november 2012 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’, geldig tot 1 september 2015. Deze vergunning is verlengd tot 1 september 2020. De verblijfsvergunning is gebaseerd op het dienstverband van eiser 1 bij ‘ [naam 1] VOF (hierna: erkend referent).
    Eiseres heeft een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [eiser 1] ’, geldig tot 1 september 2020, hun minderjarige kind [naam 2] heeft een van eiseres afhankelijke verblijfsvergunning. Eiser 2 is de oudste minderjarige zoon van eisers. Hij heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser 1] ’ die geldig is tot 1 september 2020 en is daarnaast zelfstandig in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

  2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eisers met terugwerkende kracht per 1 september 2015 ingetrokken, omdat eiser 1 per deze datum niet aan het looncriterium voldoet. De intrekking is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eisers voeren aan dat het intrekken van de vergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het onjuist uitbetalen van het overeengekomen loon berust op een misverstand van de kant van referent. Referent is te goeder trouw en het loon is inmiddels verhoogd en gevolgd door een nabetaling. Eisers erkennen dat nabetaling van het loon sinds 1 januari 2014 in juridische zin niet meer als correctie wordt aanvaard, maar verweerder dient dit wel in de evenredigheidsbeoordeling te betrekken. Eiser 1 krijgt inmiddels wel maandelijks voldoende loon uitbetaald. Eisers zijn als gevolg van het besluit genoodzaakt Nederland te verlaten en alles dat zij hier hebben opgebouwd, zoals hun woning, werk en studie, op te geven. Daarnaast zijn hun kinderen in Nederland geboren, gaat hun oudste zoon in Nederland naar school en speelt zijn sociale leven zich hier af. Ook de omstandigheden uit de Afdelingsjurisprudentie over boeteopleggingen op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav) spelen mee, aangezien de Wav en de Vreemdelingenwet niet los van elkaar staan.

3.1.

Eisers voeren verder aan dat verweerder op grond van bovengenoemde omstandigheden gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij is tevens van belang dat slechts €71,- per maand te weinig is uitbetaald, dat geen sprake is van opzet en geen financieel voordeel is behaald.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het feit dat een nabetaling heeft plaatsgevonden niet maakt dat alsnog aan het looncriterium wordt voldaan. De intrekking is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser 1 wist van de onjuiste betalingen en heeft ervoor gekozen om de onjuiste uitbetaling in stand te houden. Met de intrekking van de verblijfsvergunning wordt slechts beoogd de situatie te herstellen zoals deze rechtens zou zijn geweest op grond van de werkelijke situatie. Opzet van de vreemdeling is voor intrekking niet vereist. Verder is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan vasthouden aan de regels in dit geval onevenredig zou zijn.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het loon dat eiser 1 feitelijk uitbetaald kreeg per 1 september 2015 onder het looncriterium lag. Ook staat tussen partijen vast dat een nabetaling van te weinig uitbetaald salaris niet tot gevolg heeft dat alsnog aan het looncriterium wordt voldaan. Daarom staat ook vast dat eiser 1 ten tijde van de verlengingsaanvraag van zijn verblijfsvergunning niet aan de voorwaarden voor de beperking “verblijf als kennismigrant” voldeed. Tussen partijen is wel in geschil of de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser, en daarmee samenhangend de verblijfsvergunningen van eiseres en hun zoon, evenredig is.

3.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in punt 3.2. weergegeven motivering draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eisers niet onevenredig is. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang. Ten tijde van de aanvraag voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning voldeed eiser 1 niet aan de voorwaarden, omdat hij niet aan het looncriterium voldeed. Indien verweerder hiervan op de hoogte zou zijn geweest, dan had verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Verweerder heeft voor de definiëring van een kennismigrant gekozen voor één objectief criterium, te weten het salariscriterium (zie de nota van toelichting bij artikel 1d besluit uitvoering Wav, Staatsblad 2004/481). Er is geen wettelijke regeling die mogelijkheid biedt om van dit criterium af te wijken. Eiser 1 was op de hoogte van de onjuiste uitbetaling, hij heeft dit niet gemeld en hij heeft daarmee niet aan zijn informatieplicht voldaan. De omstandigheid dat het in dit geval om een gering bedrag gaat en dat sprake zou zijn van een misverstand, maakt niet dat intrekking onevenredig is. Intrekking brengt de situatie terug zoals deze had behoren te zijn ten tijde van de aanvraag. In die situatie had eiser geen recht op de gevraagde vergunning.
De jurisprudentie met betrekking tot de boetes op grond van de Wav is niet van toepassing, omdat het daarin gaat om een punitieve sanctie. Dat is een wezenlijk andere situatie dan het huidige geval. Bij de oplegging van een boete bestaat bijvoorbeeld de mogelijkheid tot matiging, waardoor verzachtende omstandigheden een rol kunnen spelen. Dat is bij de verlening of intrekking van een vergunning niet het geval.

3.3.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat ook het beroep van eisers op de inherente afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4:84 Awb niet slaagt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de intrekking van de verblijfsvergunning tot onaanvaardbare gevolgen leidt die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Op grond van paragraaf B1/6.3 van de vreemdelingencirculaire trekt verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht in, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Dat eisers een eigen woning hebben, zij in Nederland zijn ingeburgerd en dat het verschil in het salaris gering is, zijn naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden waardoor het voor hen heel moeilijk zal zijn om Nederland te moeten verlaten. Dit zijn echter geen omstandigheden die zodanig bijzonder zijn dat verweerder op grond daarvan van zijn beleid had moeten afwijken.

4. Eisers voeren aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom door de intrekking van de verblijfsvergunningen geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Op verweerder rust een positieve verplichting om aan eisers hier te landen verblijf toe te staan. De belangen van eisers dienen zwaarder te wegen dan het algemeen belang van de staat.
Eisers voeren verder aan dat de verblijfsvergunningen van eiseres en het jongste zoontje van eiseres niet ingetrokken hadden mogen worden. Eiseres is langer dan vijf jaar in het bezit geweest van een verblijfsvergunning bepaalde tijd van niet tijdelijke aard, is ingeburgerd en heeft recht op voortgezet verblijf. Aan eiser 2 is reeds voortgezet verblijf toegekend. Op grond van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), C-557/17 (Y.Z. e.a.) dient voorafgaand aan intrekking een geïndividualiseerd onderzoek plaats te vinden, waarbij een evenwichtige en redelijke beoordeling van de belangen moet worden verricht. Ter zitting hebben eisers hierop aangevuld dat verweerder, gelet op bovengenoemd arrest, ten onrechte geen belangenafweging op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft gemaakt. Deze belangenafweging verschilt namelijk van de belangenafweging die op grond van artikel 8 EVRM wordt gemaakt.

4.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM dezelfde is als een belangenafweging in de zin van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. In het bestreden besluit zijn in deze belangenafweging alle omstandigheden meegewogen en is terecht geconcludeerd dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 EVRM.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de belangen van eisers afdoende heeft afgewogen en niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de intrekking van de verblijfsvergunningen geen schending van artikel 8 EVRM oplevert. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Armenië voort te zetten. Daarbij hebben eisers geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij zodanig zijn geworteld in Nederland dat intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met hun privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:982) dat criteria die worden betrokken in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM overeenkomen met de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hetgeen eisers in het kader van artikel 8 EVRM naar voren hebben gebracht is door verweerder meegewogen in zijn belangenafweging. Eisers hebben niet nader geconcretiseerd op welke manier verweerder deze belangen in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in dit geval anders had moeten wegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de belangen van eisers voldoende in het bestreden besluit heeft betrokken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

7. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.