Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3193

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/09/580846 / HA ZA 19-1030
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident in een zaak met twee gedaagden gevestigd in Venezuela en drie gedaagden gevestigd in Nederland. Is er sprake van misbruik van procesrecht? Kan de Nederlandse rechter ten aanzien van de Venezolaanse gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan artikel 7 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/580846 / HA ZA 19-1030

Vonnis in incident van 8 april 2020

in de zaak van

OI EUROPEAN GROUP B.V., te Schiedam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

PETROLEOS DE VENEZUELA S.A., te Caracas, Venezuela,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

BARIVEN S.A., te Caraas, Venezuela,

3. PROPERNYN B.V., te Den Haag,

4. PDVSA SERVICES B.V., te Den Haag,

5. (PETROLEOS DE VENEZUELA) PDV EUROPA B.V., te Den Haag,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. L.M. Graal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna OIEG, PDVSA, Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV genoemd worden. Met PDVSA c.s. worden hierna gedaagden/eiseressen in het incident gezamenlijk aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de exploten van dagvaarding van 5 juni 2019;

  • -

    de akte overlegging producties van OIEG van 2 oktober 2019, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van PDVSA c.s., met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident tot exceptie van onbevoegdheid, met producties.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

PVDSA is het staatsoliebedrijf van Venezuela en de moedermaatschappij van het concern waarvan Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV onderdeel van zijn.

2.2.

PVDSA is enig aandeelhouder van Bariven en Propernyn. Bariven houdt alle aandelen in PDVSA Services. Propernyn houdt alle aandelen in PDV.

2.3.

Bariven richt zich op de inkoop van materialen, apparatuur en diensten die nodig zijn voor de gas- en oliewinning.

2.4.

PVDSA Services houdt zich bezig met handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten en fungeert als agent voor Bariven.

2.5.

Propernyn is een houdstermaatschappij voor investeringen en houdt zich bezig met beleggingen in vaste activa.

2.6.

PDV houdt zich bezig met verkrijging van en het beheer van deelnemingen in andere vennootschappen.

2.7.

Alle aandelen in OIEG worden gehouden door de commanditaire vennootschap O-I Global Holdings C.V. (hierna: Global Holdings). Enig (beherend) vennoot van Global Holding is de Amerikaanse vennootschap Owens-Illinois, Inc. (hierna: O-I).

O-I is moedermaatschappij van het concern dat de grootste producent is van glazen verpakkingsmateriaal ter wereld.

2.8.

OIEG is medeaandeelhouder geweest van twee Venezolaanse vennootschappen, Owens-Illinois de Venezuela en Fabrica de Vidros Ios Andes C.A. Deze Venezolaanse vennootschappen hadden twee fabrieken die bestemd waren voor de productie en distributie van glas. In 2010 zijn deze glasfabrieken door Venezuela onteigend.

2.9.

Naar aanleiding van deze onteigening heeft OIEG tegen Venezuela een arbitrale procedure gevoerd bij het International Centre for Settlement of Investments Disputes (hierna: ISCID). In het arbitrale vonnis van 10 maart 2015 is Venezuela veroordeeld tot betaling aan OIEG van ruim USD 372.461.982 aan schadevergoeding en USD 5.250.000 aan proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met rente.

2.10.

Op 23 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.

2.11.

Op 6 december 2018 heeft het ISCID een verzoek van Venezuela tot vernietiging van het arbitrale vonnis afgewezen en Venezuela veroordeeld tot aanvullende betalingen aan OIEG van USD 381.682,05 en USD 3.482.949, beide bedragen te vermeerderen met rente.

2.12.

Op 25 april 2019 heeft OIEG met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag conservatoir (derden)beslag gelegd op vermogensbestanddelen van PDVSA, Propernyn en PDV in Nederland.

3 De hoofdzaak

3.1.

OIEG vordert in de hoofdzaak, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad PDVSA en/of Bariven en/of Propernyn en/of Services BV en/of PDV hoofdelijk veroordeelt:

I tot betaling van USD 372.461.982, USD 5.750.000, USD 3.864.811 en € 22.912,59 (exclusief BTW), alle bedragen te vermeerderen rente;

II in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

OIEG stelt hiertoe, samengevat, het volgende. Venezuela blijft in gebreke om aan het arbitrale vonnis te voldoen. OIEG kan haar vordering op Venezuela uitwinnen op vermogensbestanddelen van PVDSA c.s., nu deze vennootschappen voor het doel van deze executie vereenzelvigd moeten worden met Venezuela en deze vennootschappen ook onderling vereenzelvigd moeten worden. Hiervoor bestaat grond naar zowel het Venezolaanse als het Nederlandse recht. Beide rechtsstelsels leiden ook tot hetzelfde resultaat.

4 Het geschil in het incident

4.1.

PDVSA c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van OIEG. Zij stelt hiertoe, samengevat, het volgende.

4.2.

De vordering van OIEG op Propernyn, PVDSA en PDV is gefingeerd en levert daarmee misbruik van procesrecht op aangezien:

- PVDSA c.s. niet betrokken is (geweest) bij de rechtsverhouding tussen OIEG en Venezuela;

- OIEG geen poging heeft gedaan om zich te verhalen op actief van Venezuela;

- de vordering van OIEG inbreuk maakt op de paritas creditorum aangezien:

- OIEG probeert haar vordering op Venezuela te verhalen in oneigenlijke voorrang op schuldeisers van Venezuela;

- OIEG tracht haar vordering te verhalen op actief van PVDSA c.s., terwijl dit actief in de eerste plaats ten goede van de huidige schuldeisers van PVDSA c.s. dient te komen.

4.3.

Ten aanzien van PDVSA en Bariven kan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontlenen aan artikel 7 Rv aangezien:

- geen sprake is van samenhang, nu de door OIEG gestelde grondslag voor haar vorderingen naar Venezolaans recht niet bestaat (i) en het feitencomplex met betrekking tot de Venezolaanse vennootschappen niet hetzelfde is als feitencomplex met betrekking tot de Nederlandse vennootschappen (ii);

- afzonderlijke behandeling van de vorderingen jegens de Venezolaanse vennootschappen geen onverenigbare uitspraken kan opleveren;

- voor de Venezolaanse vennootschappen niet voorzienbaar was dat zij voor een andere dan hun eigen (Venezolaanse) rechter konden worden opgeroepen.

4.4.

Ten aanzien van deze entiteiten maakt OIEG voorts misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) door zich te beroepen op artikel 767 Rv terwijl zij geen enkele poging heeft ondernomen het arbitrale vonnis te executeren in Venezuela of in Nederland.

4.5.

OIEG voert verweer.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

OIEG grondt de internationale bevoegdheid van de rechtbank om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen op artikel 2 Rv1 (Propernyn, PDVSA Services en PDV) en artikel 7 of 767 Rv (PVDSA en Bariven). De rechtbank zal eerst haar internationale bevoegdheid in de hoofdzaak tegen Propernyn, PDVSA Services en PDV bezien en dan die in de hoofdzaak tegen PVDSA en Bariven.

Propernyn, PVDSA Services en PDV

5.2.

De rechtbank dient haar internationale bevoegdheid ten aanzien van deze gedaagden te beoordelen aan de hand van de Brussel I bis-Vo2 (hierna: Brussel I-bis-Vo) nu sprake is van een rechtsverhouding met internationale aspecten, de hoofdvordering is ingesteld na 10 januari 2015 en de zaak valt binnen het materieel toepassingsgebied van deze verordening.

5.3.

Ingevolge de in artikel 4 Brussel I bis-Vo neergelegde hoofdregel is de rechter van de lidstaat waar de gedaagden woonplaats hebben, in dit geval Nederland, bevoegd. Dit leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

5.4.

Over het beroep van Propernyn, PVDSA Services en PDV op misbruik van procesrecht wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat slechts bij hoge uitzondering sprake kan zijn van misbruik van procesrecht door het instellen van een vordering, met name indien een vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de eiser de (evidente) onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan de eiser op voorhand moesten begrijpen dat deze geen (enkele) kans van slagen hadden en dus volstrekt ondeugdelijk waren3.

5.5.

Voor zover Propernyn, PVDSA Services en PDV zich in dit verband ook op misbruik van bevoegdheid beogen te beroepen, geldt dat dit ook niet snel aan de orde is. Dit kan worden aangenomen indien een processuele bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend en met de vordering duidelijk geen legitiem doel wordt gediend. Het evident ongeoorloofd doel van het instellen van de vordering moet doorslaggevend zijn.

5.6.

Misbruik van bevoegdheid kan ook aan de orde zijn indien sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, die meebrengt dat in redelijkheid niet tot de uitoefening van de bevoegdheid kan worden gekomen. Het moet hier gaan om een wanverhouding tussen de belangen.

5.7.

De stellingen van Propernyn, PVDSA Services en PDV nopen niet zonder meer tot de conclusie dat de vorderingen van OIEG als volstrekt ondeugdelijk of volstrekt kansloos in de hiervoor onder 5.5 bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. Of de door OIEG gestelde grondslag van haar vorderingen, kort gezegd, vereenzelviging van de Staat Venezuela met het PDVSA-concern en onderlinge vereenzelviging van de onderdelen van dit concern, toereikend is, dient in de hoofdzaak te worden beoordeeld.

5.8.

Evenmin leidt hetgeen Propernyn, PVDSA Services en PDV naar voren brengen over het ontbreken van pogingen om zich te verhalen op actief van Venezuela en de gestelde inbreuk op de paritas creditorum tot de conclusie dat OIEG met haar vorderingen in de hoofdzaak misbruik van bevoegdheid maakt in de hiervoor onder 5.5 en 5.6 bedoelde zin. Ook als de vorderingen in de hoofdzaak ook ongewenste doelen zouden beogen of ongewenste effecten zouden hebben – wat onbesproken kan blijven – is dat niet voldoende om te kunnen concluderen dat daarmee misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat het ongeoorloofd doel doorslaggevend is dan wel dat sprake is van een onaanvaardbare wanverhouding tussen de belangen van OIEG enerzijds en die van Propernyn, PVDSA Services en PDV.

5.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de Nederlandse rechter met betrekking tot de vorderingen jegens Propernyn, PVDSA Services en PDA rechtsmacht heeft.

PDVSA en Bariven

5.10.

Er is geen verdrag dat of verordening die de rechtsmacht met betrekking tot deze gedaagden regelt. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van de in het Rv neergelegde commune Nederlandse regels voor internationale bevoegdheid.

5.11.

Aan de orde is of de Nederlandse rechter aan artikel 7 lid 1 Rv rechtsmacht kan ontlenen. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de verweerders rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere verweerders, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

5.12.

Bij de uitleg van de commune regels voor internationale bevoegdheid dient in beginsel aansluiting te worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) Brussel I bis-Vo, tenzij aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.4

5.13.

Dit betekent dat de rechter zich bij beoordeling van de vraag of hij rechtsmacht heeft, alle hem ter beschikking staande relevante gegevens in ogenschouw dient te nemen, waaronder, in voorkomend geval, de betwistingen van gedaagde. Voor de toetsing in het kader van de bevoegdheid hoeft de rechter echter geen uitgebreide bewijsprocedure te voeren met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als in de hoofdzaak relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag kan beperken tot een prima facie (of summierlijk) oordeel)5 Deze maatstaf geldt ook voor de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv6.

5.14.

Voor de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv is de hierna onder 5.15 en 5.16 weergegeven rechtspraak van het HvJEU voor de toepassing van (thans) artikel 8 onder 1 Brussel bis-Vo en daarvoor artikel 6 lid 1 EEX-Verordening (hierna ook ten aanzien van beide bepalingen: ‘deze bepaling’) van belang. De rechtbank neemt deze rechtspraak bij de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv tot uitgangspunt, aangezien in de wetgeschiedenis bij artikel 7 lid 1 Rv geen aanknopingspunten te vinden zijn op basis waarvan het aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever op dit punt heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) artikel 8 onder 1 Brussel I bis-Vo door het HvJEU.

5.15.

De omstandigheid dat de rechtsgrondslagen van de ingediende vorderingen identiek zijn, is niet de enige relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Dit vormt geen onmisbare voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. De omstandigheid dat de tegen de verschillende verweerders gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben (bijvoorbeeld wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad), staat niet aan toepassing van deze bepaling in de weg. Een verschil in rechtsgrondslag (of een verschil in toepasselijk recht) staat op zichzelf niet aan toepassing van deze bepaling in de weg, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft. Dit geldt temeer indien het op de onderscheiden vorderingen toepasselijke recht in de hoofdzaak identiek is. Bij de beoordeling of de verschillende ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat) moet rekening worden gehouden met alle noodzakelijke elementen van het dossier. Daartoe zal de rechter in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de vorderingen in de beschouwing moeten betrekken.7

5.16.

Dit betekent ook dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig zijn op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Daartoe is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Daarbij is van belang of de uitkomsten van de vorderingen al dan niet onafhankelijk van elkaar staan. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een van de procedures een weerslag kan hebben op die van de andere volstaat niet. In het geval van twee beroepen tegen meerdere verweerders, die een verschillend voorwerp en een verschillende grondslag hebben en niet onderling samenhangen door een verhouding van ondergeschiktheid of onverenigbaarheid, volstaat het voor het bestaan van het gevaar van onverenigbare beslissingen in de zin van deze bepaling niet dat de eventuele gegrondverklaring van een van de vorderingen een mogelijke weerslag heeft op de omvang van het recht ter bescherming waarvan de andere vordering is ingesteld.8

5.17.

De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten van artikel 7 lid 1 Rv is voldaan.

In de hoofdzaak worden PDVSA c.s. in hun hoedanigheid van onderdelen van het PVDSA-concern aangesproken, zodat in die zin sprake is van samenhang, die wordt versterkt door de omstandigheid dat PDVSA c.s. hoofdelijk worden aangesproken tot vergoeding van dezelfde schade. Zoals PDVSA c.s. naar voren brengen, behoren de Venezolaanse en Nederlandse entiteiten die in de hoofdzaak door OIEG in rechte zijn betrokken tot hetzelfde concern, streven zij dezelfde doelen na en worden hun bestuurders benoemd door PDVSA. Er bestaat voldoende samenhang tussen de vorderingen tegen de Nederlandse en Venezolaanse entiteiten. Voor die laatste entiteiten was het redelijkerwijs te voorzien dat zij konden worden opgeroepen voor een Nederlandse rechter, in een procedure waarin ook de Nederlandse entiteiten in rechte zijn betrokken. Wat PDVSA c.s. verder naar voren brengen over de voorzienbaarheid van deze procedure in Nederland, gaat over de toewijsbaarheid van de vorderingen in de hoofdzaak. Of de door OIEG gestelde grondslag voor haar vorderingen toereikend is, dient echter in de hoofdzaak te worden beoordeeld.

5.18.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak jegens PDVSA en Bariven.

5.19.

De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

5.20.

OIEG stelt zich op het standpunt dat de incidentele conclusie van PDVSA c.s. moet worden aangemerkt als een conclusie van antwoord, aangezien deze incidentele conclusie is “doordrenkt met allerlei materiële verweren”. PVSA c.s. hebben onmiskenbaar in het incident standpunten ingenomen ter bestrijding van (de kans van slagen van) de vorderingen in de hoofdzaak, onder meer ter onderbouwing van het gesteld misbruik van procesrecht. Daarmee hebben zij PDVSA c.s. hun recht op het nemen van een conclusie van antwoord niet verspeeld, zoals OIEG betoogt. Daarom zal de hoofdzaak worden verwezen naar de rolzitting van 8 mei 2020 voor conclusie van antwoord.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

6.3.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 mei 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. L. Alwin op 8 april 2020.9

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1).

3 HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516

4 HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 (Moldavië), r.o. 4.1.3.

5 Vgl. HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank) en HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal /Schilling)

6 r.o. 4.1.5 van het onder noot 3 genoemde arrest.

7 HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80 (Freeport/Arnoldsson), punt 38-47, HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66 (Painer/Standard), punt 80-84

8 HvJEU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016, 468.

9 type: 1554 coll: