Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
NL19.13845
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. In beroep gaat het onder meer om de vraag of het door eiser overgelegde rapport van het iMMO de staatssecretaris verplicht om de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser opnieuw te beoordelen. In het rapport staat dat de medische problematiek van eiser zeker heeft geïnterfereerd met het vermogen om compleet coherent en consistent te verklaren in de voorgaande asielprocedure. De rechtbank acht het iMMO-rapport voldoende inzichtelijk. Uit het rapport blijkt echter niet of de medische problemen van eiser hebben geïnterfereerd met het vermogen om over alle (onderdelen van) elementen verklaringen af te leggen of dat eiser over bepaalde onderdelen wel goed kon verklaren. Het rapport voldoet daarom niet aan de door de Afdeling gestelde eisen. Dit betekent dat de staatssecretaris de conclusie van het rapport over het al dan niet interfereren niet hoeft te betrekken bij zijn beoordeling. De staatssecretaris heeft ook terecht geconcludeerd dat de conclusies over medisch steunbewijs onvoldoende sterke aanwijzingen vormen dat de gestelde onmenselijke behandeling de psychische en lichamelijke klachten van eiser heeft veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.13845


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft op 3 december 2019 een voorlopige voorziening getroffen, die inhoudt dat verweerder eiser niet mag uitzetten totdat op het beroep is beslist (zaaknummer NL19.13846).

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Wat is de achtergrond van de zaak?

1. Eiser heeft op 20 januari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Daaraan heeft eiser, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Kunduz, Afghanistan. Hij is sjiiet en behoort tot de bevolkingsgroep Qizilbash. Eén dag voor het offerfeest (op 23 september 2015) hebben twee geestelijken van de Koranschool [koranschool] (waar de Taliban werd opgeleid) een aankondiging op de muur van zijn levensmiddelenwinkel geplakt. In de aankondiging stonden verzen uit de Koran en de Hadis en werd namens de Koranschool een oproep gedaan aan jongens en meisjes om zich aan te sluiten op deze school. Eiser heeft die aankondiging verscheurd en weggegooid. Vervolgens ging hij in discussie met de geestelijke die hem daarop aansprak. Het beledigen van de Koran is een strafbaar feit in Afghanistan. Mufti [voorzitter koranschool] , de voorzitter van de Koranschool, en zijn aanhangers hebben eiser daarop zijn winkel uitgesleept en in elkaar geslagen. Bovendien heeft Mufti [voorzitter koranschool] hem met de dood bedreigd. Eisers broer is door de politie meegenomen naar het politiebureau. Eiser is daarna naar huis gegaan. Nadat eiser door zijn broer gebeld werd met de mededeling dat hij zo spoedig mogelijk moest vluchten, is hij vervolgens vanuit Kunduz naar zijn zus in Kabul gevlucht. Op de zesde dag na aanvang van het offerfeest heeft hij van zijn oom vernomen dat zijn broer vermoord was door Mufti [voorzitter koranschool] en zijn aanhang. Eiser wordt door de autoriteiten en door Mufti [voorzitter koranschool] gezocht. Mufti [voorzitter koranschool] zal eiser bij terugkeer vermoorden. Daarom kan hij niet terug naar Afghanistan en om die reden vraagt hij asiel aan in Nederland.

1.1.

Bij besluit van 3 mei 2017 heeft verweerder deze eerste asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Voor het overige is het asielrelaas niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade niet aannemelijk is geworden. Volgens verweerder heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij behoort tot een door verweerder aangewezen kwetsbare minderheidsgroep en hierdoor bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juni 20171 onherroepelijk geworden.

1.2.

Op 13 maart 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser blijft bij het asielrelaas zoals hij in zijn eerdere procedure heeft verklaard. Hij voegt daaraan toe dat hij op 17-jarige leeftijd op school seksueel is misbruikt door een docent die les gaf in de Koran en islam. Bij besluit van 19 maart 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder had eiser het seksuele misbruik eerder kunnen en moeten melden. Eiser heeft volgens verweerder geen nieuwe (relevante) feiten en omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 14 juni 20182 onherroepelijk geworden.

De opvolgende aanvraag die in deze beroepszaak aan de orde is

2. Eiser heeft op 6 februari 2019 de huidige (opvolgende) aanvraag ingediend. Eiser legt hieraan ten grondslag dat zijn psychische klachten hem in de eerste asielprocedure hebben beperkt in zijn vermogen om consistent, coherent en compleet te verklaren. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn medische omstandigheden. Ook stelt eiser dat hij medisch steunbewijs heeft ter staving van zijn asielrelaas. Ter onderbouwing overlegt eiser een medische rapportage van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO), waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de psychische klachten ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent asielrelaas. Ook wordt geconcludeerd dat de specifieke PTSS-klachten en angstklachten typerend zijn voor het gesteld ondergane seksuele geweld, de gestelde mishandeling en het verlies van eisers broer. Verder stelt eiser dat sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie in Kunduz en aan hem daarom een asielvergunning zou moeten worden verleend.

2.1

Bij besluit van 7 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Volgens verweerder doet het iMMO-rapport er niet aan af dat het asielrelaas van eiser in de eerste procedure terecht ongeloofwaardig is geacht. Verder stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder Kunduz, is verslechterd.

Beroepsgrond over het iMMO-rapport

Het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren

3. Eiser betoogt in de eerste plaats dat hij ten tijde van de eerste asielprocedure psychisch niet in staat was om een compleet relaas te doen. Hiervoor wijst eiser op de conclusies in het iMMO-rapport. Volgens eiser is dit rapport zorgvuldig, concludent en inzichtelijk. Eiser stelt dat verweerder geen medisch deskundige is en daarom niet kan oordelen over de inhoud van het rapport. Het lag volgens eiser op verweerders weg om medisch advies in te winnen door bijvoorbeeld opnieuw het FMMU in te schakelen.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport niet voldoet aan de door de Afdeling geformuleerde criteria voor wat betreft de beperkingen om te kunnen verklaren. Het iMMO-rapport voldoet volgens verweerder niet aan de inzichtelijkheidsvereisten. Ook voldoet het iMMO-rapport niet aan het vereiste dat uit het rapport moet blijken op welke onderdelen het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren invloed heeft gehad. Subsidiair voert verweerder aan dat zelfs als het iMMO-rapport wel op concludente en inzichtelijke wijze zou zijn opgesteld, dat het asielrelaas evengoed ongeloofwaardig is. Verweerder geeft hiervoor een aanvullende motivering in het verweerschrift.

Voor wat betreft het medische steunbewijs stelt verweerder dat het rapport geen sterke aanwijzing vormt dat de door eiser gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel heeft veroorzaakt, omdat het rapport zich voor de psychische klachten heeft gebaseerd op de aanname dat de door eiser gestelde gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het litteken en de andere klachten zijn door het IMMO als consistent met het gestelde geweld beoordeeld en vormen om die reden geen sterke aanwijzing.

3.2.

Wanneer een vreemdeling in de bestuurlijke fase, dan wel binnen de grenzen van de goede procesorde in de beroepsfase, een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet verweerder de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling. De rechtbank dient te beoordelen of het iMMO-rapport, voor zover dat betrekking heeft op het vermogen van eiser om consistent en coherent te verklaren, voldoet aan de vereisten zoals die voortvloeien uit vaste rechtspraak van de Afdeling3. De Afdeling heeft onder meer overwogen:

“(…) Indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan de staatssecretaris hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt op welke wijze de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Het iMMO-rapport moet daartoe vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken en of het onderzoeksformulier van de FMMU daar deel van uitmaakte. Verder moet uit het iMMO-rapport blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad. Voorts is vereist dat uit het rapport blijkt dat de conclusie omtrent het vermogen consistent te verklaren, niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als de staatssecretaris geen medisch deskundige inschakelt, en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is. (…)

Als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel heeft veroorzaakt, is het, indien de staatssecretaris die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht, aan de staatssecretaris om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. Hiertoe kan de staatssecretaris gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot dergelijk onderzoek verplicht, is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in het beeld dat in betrouwbare algemene informatie naar voren komt over het land van herkomst. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is echter niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek. (…)”

Inzichtelijkheid rapport

3.3

Uit de jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het iMMO-rapport inzicht moet geven in de wijze waarop de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Het iMMO-rapport moet daartoe vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken en of het onderzoeksformulier van de FMMU daar deel van uitmaakte.

Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat niet voldaan is aan dit vereiste. Het iMMO-rapport vermeldt op pagina 1 namelijk welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken in het onderzoek en vermeldt ook dat het onderzoeksformulier van de FMMU van 30 januari 2017 daar deel van uitmaakte. Ook op pagina 16 gaat het iMMO uitgebreid in op de gebruikte gegevens. In tegenstelling tot wat verweerder betoogt zijn dit niet alleen maar gegevens die zien op de perioden voor of na de gehoren. De gehoren hebben plaatsgevonden op 21 en 25 april 2017. Onder het kopje 7.2 ‘Eerdere asielgehoren’ wordt melding gemaakt van het FMMU advies van 30 januari 2017 en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek bevindingen. Ook wordt het GZA-dossier besproken over de periode vanaf februari 2019. Daarover staat onder meer een gesprek met eiser genoemd dat op 12 juni 2017 heeft plaatsgevonden, waarin eiser melding heeft gemaakt van klachten die hij in de afgelopen zeven of acht maanden heeft ervaren. Daarnaast vermeldt het rapport feiten uit het eerste gehoor op 21 april 2017, observaties van de advocaat van eiser van 24 april 2017 en opmerkingen die eiser zelf maakte tijdens het nadere gehoor op 25 april 2017. De rechtbank constateert dat het rapport op dit punt aan de vereisten van de Afdeling voldoet.4

Onderdelenvereiste

3.4

Partijen verschillen van standpunt of uit het rapport blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om te verklaren betrekking heeft gehad. Volgens eiser ziet de beperking om te verklaren op het seksueel geweld. Volgens verweerder blijkt uit het rapport niet op welke onderdelen van het relaas het ziet. Beide partijen beroepen zich ter onderbouwing hiervan specifiek op passages op pagina 16 en 17 van het rapport:

“(…) Het denken van betrokkene is gepreoccupeerd met de door hem gestelde ingrijpende gebeurtenissen waarvan beelden zich overdag en 's avonds aan hem opdringen en op die manier zijn denken verstoren. Betrokkene geeft aan moeite te hebben met slapen en last te hebben van nachtmerries. Ook is betrokkene in zijn denken veel bezig met de angst om teruggestuurd te worden en vermoord te worden en hoe het met zijn moeder en familie gaat. Hierdoor kan betrokkene zich op sommige momenten moeilijk concentreren.

Vanuit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat er zowel bij depressieve klachten als bij PTSS en slaapproblemen vaak sprake is van concentratieproblematiek, geheugenproblemen, moeite met het onthouden van informatie en moeite met het geordend vertellen over alle gebeurtenissen. Het is daarnaast bekend dat specifieke traumatische gebeurtenissen minder goed verteld kunnen worden. Betrokkene heeft veel moeite met het vertellen over het door hem gestelde ondergane seksuele geweld en vertelt pas tijdens het gehoor opvolgende aanvraag over dit geweld te hebben durven praten, eerder niet. (…) Vanuit het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag, waarin het gestelde seksueel misbruik uitgevraagd is, komt naar voren dat betrokkene erg veel moeite heeft met het vertellen over het gestelde seksuele geweld. (…)”

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport niet blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas het beperkte vermogen om te verklaren ziet. Het iMMO heeft in algemene zin opgemerkt dat eiser over sommige zaken minder goed kon verklaren en dat de psychische problematiek van invloed kan zijn op alle verklaringen. Met die algemene toelichting wordt echter geen antwoord gegeven op de vraag op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren in dit geval invloed heeft gehad. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder in het besluit van 3 mei 2017 heeft beschreven dat het asielrelaas verschillende elementen bevat:

  • -

    de door eiser aangevoerde identiteit, nationaliteit en herkomst uit Kunduz;

  • -

    de door eiser gestelde mishandeling en bedreigingen van de zijde van Mufti en diens mannen bij de winkel van betrokkene naar aanleiding van het weghalen van een papier op de winkelmuur;

  • -

    de door eiser gestelde moord op zijn broer door dezelfde Mufti als afrekening met de familie ten tijde van de inname van Kunduz door de Taliban;

Ook binnen de elementen zijn verschillende onderdelen onderscheiden.5 Verweerder is van de identiteit en nationaliteit en herkomst uitgegaan, maar heeft de andere elementen ongeloofwaardig geacht. Uit het rapport blijkt niet of de medische problemen van eiser hebben geïnterfereerd met het vermogen om over alle (onderdelen van) elementen verklaringen af te leggen of dat eiser over bepaalde onderdelen wel goed kon verklaren.

Het rapport voldoet daarom niet aan de door de Afdeling gestelde eisen.6 Dit betekent dat verweerder de conclusie over het al dan niet interfereren niet hoeft te betrekken bij zijn beoordeling.

Medisch steunbewijs

3.5

Het iMMO-rapport bevat, voor zover relevant, de volgende conclusies:

“(…) Zoals in paragraaf 6.2 wordt gemotiveerd worden specifieke PTSS-klachten zoals de herbelevingen van het seksuele geweld en de vermijding (van alles wat met de islam of de moskee te maken heeft) vanwege de aard, inhoud en het verloop van de klachten en verschijnselen beoordeeld als typerend voor het gestelde ondergane seksuele geweld. De specifieke angstklachten van betrokkene (angst door de Afghaanse politie gevonden te worden en vermoord te worden) en herbelevingen van de gestelde ondergane mishandeling worden vanwege de aard, inhoud en het verloop van de klachten en verschijnselen beoordeeld als typerend voor de gestelde mishandeling en het gestelde verlies van zijn broer. Bij de beoordeling van de psychische klachten zijn andere stressvolle ervaringen conform §105 (e) van het Istanbul Protocol meegewogen. Angstklachten en depressieve klachten zijn naast aan het gestelde ondergane geweld ook te relateren aan andere stressvolle ervaringen. (…)”

3.5.1

Volgens eiser is verweerder ten onrechte aan deze conclusies voorbij gegaan.

3.5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rapport geen sterke aanwijzing vormt dat de door eiser gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt en verweerder daarom dus niet verplicht is om de oorzaken van het letsel nader te onderzoeken of de verklaringen over de gestelde onmenselijke behandeling alsnog aannemelijk te achten. Naar de mening van verweerder is de conclusie van het iMMO over de PTSS klachten aan te merken als een cirkelredenering: herbeleving van een gebeurtenis is typerend voor deze gebeurtenis. Hetzelfde geldt in de visie van verweerder ten aanzien van de angstklachten.

3.5.3

Bij het beschrijven van de PTSS-klachten is het iMMO uitgegaan van de aanname dat eiser herbelevingen heeft van ondergaan seksueel geweld en dat eiser angstig is voor de Afghaanse politie. Het iMMO heeft niet gemeld waarop hij die conclusie baseert. De in het iMMO-rapport aangehaalde medische informatie maakt alleen melding van “nachtmerries, veel angst, piekeren en verdriet” (pagina 16 van het rapport), zonder dat daarbij wordt vermeld dat het gaat om herbelevingen van ondergaan seksueel geweld of angsten voor de Afghaanse politie. Uit de tests volgt alleen dat er sprake is van concentratieproblematiek en dat aan alle criteria voor PTSS is voldaan. Verweerder heeft daarom terecht aangevoerd dat het iMMO bij het trekken van conclusies is uitgegaan van de aanname dat de in het asielrelaas genoemde gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het iMMO-rapport voldoet op dit punt niet aan de criteria van de Afdeling.

Ten aanzien van de fysieke problematiek - bestaande uit een litteken boven de wenkbrauw en problemen bij plassen - gaat het iMMO uit van de kwalificatie ‘consistent’, wat betekent dat de klacht of de aandoening mogelijk is veroorzaakt door de gestelde gebeurtenissen, maar dat er vele andere mogelijke aanwijsbare oorzaken zijn. Verweerder concludeert terecht dat dit geen sterkte aanwijzing vormt dat de door eiser gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt.

Conclusies over het iMMO-rapport

3.6

Verweerder hoeft geen nader medisch onderzoek te doen, noch nader te motiveren waarom de verklaringen, ondanks de conclusies uit het iMMO-rapport, alsnog ongeloofwaardig worden geacht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook terecht geconcludeerd dat de conclusies over medisch steunbewijs onvoldoende sterke aanwijzingen vormen dat de gestelde onmenselijke behandeling de psychische en lichamelijke klachten van eiser heeft veroorzaakt.

Algemene veiligheidssituatie in Afghanistan
4. Eiser betoogt dat er in Afghanistan, in het bijzonder Kunduz, sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser heeft deze beroepsgrond onderbouwd door het overleggen van een brief van 4 februari 2020 van Vluchtelingenwerk Nederland waarin elementen uit diverse rapporten en andere bronnen worden opgesomd. Daarnaast behoort eiser tot de kwetsbare minderheidsgroep Qizilbash, aldus eiser.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie geen wezenlijk ander beeld geeft van de ernst van de veiligheidssituatie in Afghanistan dan het beeld dat naar voren komt uit de informatie die de Afdeling heeft betrokken bij haar uitspraak van 18 december 2019.7 Toen is al geoordeeld dat er geen sprake is van een zogeheten 15c-situatie.

4.2

De algemene veiligheidssituatie in Afghanistan is bij uitspraak van 18 december 2019 beoordeeld door de Afdeling. Concluderend overweegt de Afdeling dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan weliswaar is verslechterd ten opzichte van juni 2018, het eindpunt van de verslagperiode waarover de eerdere uitspraak van de Afdeling over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ging, maar dat de veiligheidssituatie niet in alle provincies even ernstig is en het geweld niet overal even wijdverbreid is. Ook is het aantal burgerslachtoffers en ontheemden - hoewel zorgwekkend - gelet op het totale inwoneraantal van Afghanistan niet zo hoog dat alleen al daarom moet worden gesproken van een 15c-situatie, en is er nog altijd een basale veiligheidsstructuur aanwezig. Daarom is geoordeeld dat een burger niet, louter door zijn aanwezigheid ergens in Afghanistan, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit heeft de Afdeling bevestigd in haar uitspraak van 15 januari 2020.8


De rechtbank constateert dat eiser zijn beroepsgrond niet schriftelijk heeft toegelicht, maar slechts heeft volstaan met het overleggen van de brief van Vluchtelingenwerk Nederland. De brief bevat een opsomming van diverse elementen, van verschillende data en uit verschillende bronnen. Desgevraagd heeft eiser ter zitting toegelicht dat de situatie die de brief beschrijft niet afwijkt van de situatie die de Afdeling heeft beoordeeld in haar uitspraken van 18 december 2019 en op 15 januari 2020. Eiser heeft gezegd dat verweerder zich niet kan beroepen op deze jurisprudentie, omdat de beoordeling van de Afdeling niet specifiek ziet op Kunduz en omdat de Afdeling heeft verzuimd individuele omstandigheden mee te nemen in haar beoordeling. Eiser heeft echter niet onderbouwd hoe volgens hem de situatie in Kunduz is, hoe die afwijkt van de situatie in de andere delen van Afghanistan en uit welk gedeelte van de brief van Vluchtelingenwerk Nederland dit blijkt. De brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 4 februari 2020 bevat ook geen informatie over de individuele situatie van eiser die verweerder had kunnen betrekken bij de besluitvorming.

Voor zover eiser zich beroept op de (individuele) omstandigheid dat eiser behoort tot de Qizilbash en deze groep gediscrimineerd wordt, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet heeft onderbouwd met de overgelegde brief en ook niet anderszins. Verweerder heeft zich bovendien onweersproken op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 31 mei 20179 en het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2019 bekend is dat Hazara als etnische groep worden gediscrimineerd, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat dit ook geldt voor Qizilbash of sjiieten in het algemeen. Ook heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat de discriminatie in algemene zin afneemt en aanslagen afnemen. De beroepsgrond is onvoldoende onderbouwd en slaagt daarom niet.

Toegedichte afvalligheid

5. Eiser stelt afvallige te zijn. Volgens eiser volgt dit uit zijn asielrelaas, waarin een incident beschreven is waarbij hij een affiche heeft verscheurd van de Koranschool. Eiser heeft in beroep stukken in het geding gebracht die zien op de positie van afvalligen.

5.1

Verweerder heeft erop gewezen dat (toegedichte) afvalligheid in de eerste procedure wel is genoemd, maar ongeloofwaardig is geacht.

5.2

De stukken over de positie van afvalligen en toegedichte afvalligheid in Afghanistan kunnen niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep, omdat in eerdere procedures niet is komen vast te staan dat eiser afvallige is of er sprake is van toegedichte afvalligheid. Eiser is tegen dit standpunt van verweerder opgekomen door overlegging van een iMMO-rapport, maar deze beroepsgrond is verworpen.

Westers ogen

6. Eiser heeft aangevoerd dat hij westers oogt waardoor hij bij terugkeer naar Afghanistan in de problemen komt. Volgens eiser zou hem daarom een asielvergunning moeten worden verleend.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van een nieuw asielmotief, dat pas kenbaar is gemaakt na het besluit en na het indienen van beroepsgronden. Daar komt nog bij dat tijdens het gehoor uitdrukkelijk is verklaard dat de opvolgende aanvraag alleen ziet op het iMMO-rapport en de veiligheidssituatie in Afghanistan. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat dit asielmotief in deze beroepsprocedure niet meer kan worden meegenomen. Verweerder wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019.10

6.2

Een asielmotief dat voor het eerst in beroep wordt aangevoerd wordt in beginsel bij de beoordeling van het beroep betrokken indien het tijdig en voldoende concreet is aangevoerd en het de procedure niet ontoelaatbaar vertraagt.

Dit asielmotief wordt niet bij de beoordeling van het beroep betrokken. De rechtbank heeft bij deze beslissing meegewogen dat eiser zijn stelling dat hij vanwege zijn uiterlijke verschijningsvorm in Afghanistan in de problemen komt niet concreet heeft gemaakt. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat het om een achtergehouden asielmotief gaat. Het gaat immers om feiten en omstandigheden die bij eiser bekend waren en die dateren van vóór het besluit van verweerder op de aanvraag die eiser verwijtbaar niet al in de bestuurlijke fase kenbaar maakte. Eiser heeft dit asielmotief pas enkele dagen voor de zitting voor het eerst naar voren gebracht. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat het hier een procedure voor een opvolgende aanvraag betreft met korte termijnen. De rechtbank overweegt ten slotte dat het de vreemdeling altijd vrijstaat om een nieuwe aanvraag in te dienen.

Conclusie

7. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling staat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Gelo, griffier.


Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Het zaaknummer is niet in het rechtbankdossier opgenomen en de uitspraak is niet gepubliceerd.

2 Het zaaknummer is niet in het rechtbankdossier opgenomen en de uitspraak is niet gepubliceerd.

3 Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2018:2085, ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2086 ECLI:NL:RVS:2019:3460 en recentelijk ook ECLI:NL:RVS:2020:404.

4 Vergelijk ECLI:NL:RVS:2020:136, rechtsoverweging 2.

5 Zie ook ECLI:NL:RVS:2020:136, rechtsoverweging 3.

6 ECLI:NL:RVS:2020:404.

7 ECLI:NL:RVS:2019:4200.

8 ECLI:NL:RVS:2020:62.

9 Zaaknummer NL17.2111 (niet gepubliceerd).

10 ECLI:NL:RVS:2019:2073 rechtsoverwegingen 7.1, 7.2, 9.4 en 9.5.