Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
7271995 CV EXPL 18-4510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing – Eindvonnis na tussenvonnis ECLI:NL:RBDHA:2019:10958 – Eisende partij is niet geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs van feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de bedingen H14 en H15 sub f leiden tot een redelijke vergoeding van de schade die eisende partij lijdt bij tussentijdse opzegging van een Bulkgas & Tankovereenkomst. Eisende partij moet bij prijsbepaling en bij bepaling van de overige inhoud van de overeenkomst, uitgaan van het bestaan van een tussentijdse wettelijke mogelijkheid tot opzeggen en er op bedacht zijn dat zij haar contracten zo inricht dat zij ook dan haar investeringen kan terugverdienen op een manier die inzichtelijk is voor de consument. De consument is dan voor het aangaan van de overeenkomst in staat te overzien waartoe hij zich verplicht en hij kan bij het gebruik van zijn wettelijke bevoegdheid tot tussentijdse opzegging berekenen wat de (redelijke) tegemoetkoming is, die hij eisende partij dient terug te betalen, opdat eisende partij haar investeringen kan terugverdienen (vergelijk ook HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR: 2016:236). De bepalingen H14 en H15 sub f worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

HvB

Rolnr. : 72719954 \ CV EXPL 18-4510

Datum: 19 februari 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap

Antargaz B.V.,

(voorheen geheten Antargaz Nederland B.V.),

thans gevestigd en kantoorhoudende te Nijmegen,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.M.M. Deneer,

tegen

[gedaagde] ,

wonende [plaats]

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R.D. Rischen.

Partijen worden verder aangeduid als “Antargaz” en “ [gedaagde] ”.

1 De verdere procedure in conventie en reconventie

1.1.

De kantonrechter heeft in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat op 25 september 2019 is uitgesproken.

1.2.

In vervolg op dit vonnis heeft Antargaz een akte na comparitie in conventie en reconventie genomen, waarna [gedaagde] een antwoordakte na comparitie in conventie en reconventie heeft genomen.

1.3.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in conventie en reconventie

2.1.

De kantonrechter blijft bij de inhoud van het in deze zaak gewezen tussenvonnis, uitgesproken op 25 september 2019.

2.2.

Antargaz heeft aangegeven in haar akte dat zij is gefuseerd, waarbij haar naam en statutaire zetel zijn gewijzigd. Gesteld noch gebleken is dat Antargaz door deze fusie een andere identiteit heeft gekregen of haar vorderingsrechten in deze zaak heeft verloren.

[gedaagde] heeft deze stelling van Antargaz kennelijk voor kennisgeving aangenomen en er niet inhoudelijk op gereageerd.

Daarmee staat vast dat dit geding voortgezet kan worden en dat kan worden volstaan met het in de kop van dit vonnis vermelden van de wijzigingen, die zich aan de zijde van Antargaz hebben voorgedaan.

2.3.

Onder randnummer 6 van haar akte van 20 november 2019 stelt Antargaz dat zij nog steeds betwist dat de Wet van Dam überhaupt van toepassing is in deze zaak maar zij geeft daarvoor geen enkel (nieuw) argument.

In deze enkele stelling ziet de kantonrechter dan ook geen reden om terug te komen op de inhoud van het onder 6.1 vermelde tussenvonnis.

2.4.

Antargaz is bij dat vonnis toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de bedingen H14 en H15 sub f leiden tot een redelijke vergoeding van de schade die Antargaz lijdt bij tussentijdse opzegging van Bulkgas & Tankovereenkomsten als de onderhavige overeenkomst, daar die bedingen leiden tot een zodanige vergoeding dat Antargaz wordt gecompenseerd voor de verliezen die zij lijdt, omdat zij haar investeringen niet kan terugverdienen vanwege de tussentijdse opzegging.

[gedaagde] kan daarna tegenbewijs leveren.

2.5.

In tegenstelling tot de aankondiging in rechtsoverweging 6.16 van genoemd tussenvonnis is de behandeling van deze zaak toch voortgezet door mr. L.C. Heuveling van Beek. Voortgebouwd kan dus ook worden op hetgeen is voorgevallen op de comparitie van partijen gehouden op 14 februari 2019, voor zover noodzakelijk.

2.6.

Antargaz besluit haar akte met de stelling dat zij voor zover nodig in conventie en in reconventie nader bewijs aanbiedt van haar stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder om de juistheid van de door haar gepresenteerde cijfers en overige gegevens te laten controleren door een door de kantonrechter te benoemen onafhankelijke deskundige.

Deze vage en algemene stelling kan de kantonrechter niet volgen.

Op grond van, onder meer, artikel 21 in verband met artikel 85 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan en moet van procespartijen worden verlangd, dat zij al hun bewijs in één keer voor het voetlicht brengen.

Daarom zal de kantonrechter aan de hand van de stellingen die Antargaz heeft ingenomen en stukken die Antargaz bij haar akte van 20 november 2019 in het geding heeft gebracht, beoordelen of Antargaz al dan niet is geslaagd in het leveren van het haar op gedragen bewijs.

Een andere benadering zou er toe leiden dat Antargaz twee kansen zou krijgen om het haar opgedragen bewijs te leveren en dat is in strijd met een goede procesorde.

2.7.

Zoals is overwogen in het tussenvonnis onder 6.13 moet bij de toetsing of er sprake is van een onredelijk bezwarend beding worden geabstraheerd van het concrete geval. Dat betekent dat aan de stelling van Antargaz dat de bepalingen wat betreft [gedaagde] redelijk uitvallen en de aan die stelling ten grondslag gelegde berekeningen op zichzelf geen gewicht toekomt.

2.8.

Antargaz heeft bij haar akte aangegeven welke investeringen zij doet om een tank aan een klant ter beschikking te stellen. De verschillende kostenposten heeft zij onderbouwd met bedragen en onderliggende facturen.

Zij stelt verder dat zij bij ondertekening van een overeenkomst voorziet dat zij haar investeringen op twee manieren zal terugverdienen, namelijk via de huur van de tank en via de leveringen van propaangas.

Antargaz maakt bij aanvang van de overeenkomst een inschatting van de rendabiliteit van een overeenkomst, in functie van het profiel van een klant, grootte van leveringen, het aantal leveringen, de locatie van de tank, etc.

Volgens Antargaz spelen naast kostenbepalende factoren ook nog andere commerciële elementen mee; in het bijzonder de houding van de klant en de concurrentie van de andere spelers op de markt. Een actieve goed geïnformeerde klant kan, aldus Antargaz, een betere prijs bedingen dan een passieve klant. Dit alles is volgens de werking van de markt.

Op basis van al de genoemde elementen maakt Antargaz een prijsopstelling op maat van de klant, dat wil zeggen een huurprijs voor de tank, eventuele commerciële voordelen en een dagprijs voor het gas. Dit voorstel is gebaseerd op het vertrouwen dat de klant de overeengekomen duur van de overeenkomst zal respecteren en dat Antargaz op een redelijke wijze wordt gecompenseerd voor de gederfde inkomsten, die zij bij ondertekening had voorzien en waarop zij haar prijs had gebaseerd, indien de klant vroegtijdig vertrekt.

Als Antargaz te voren geweten had dat de overeenkomst vroegtijdig zou worden beëindigd, dan had zij kunnen besluiten een minder gunstige prijs aan te bieden in de vorm van een hogere huur, minder commerciële voordelen of een hogere gasprijs. Voor zover het boetebedingen zou betreffen, stelt Antargaz zich op het standpunt dat deze redelijk zijn, omdat zij rechtstreeks zijn gekoppeld aan de waarde van de commerciële voordelen en/of het gemiste gasvolume.

Dat leidt dan tot een forfaitaire schadevergoeding, waarmee de klant de overeenkomst als het ware kan afkopen en die de klant kan meewegen bij zijn beslissing om over te stappen naar een andere leverancier.

2.9.

Antargaz is niet geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs.

Zij heeft geen concrete berekeningen overgelegd, die de conclusie zouden kunnen dragen dat de bedingen, die in dit geding aan de orde zijn, enkel leiden tot een zodanige vergoeding dat Antargaz wordt gecompenseerd voor de verliezen die zij lijdt, omdat zij haar investeringen niet kan terugverdienen vanwege de tussentijdse opzegging.

Met andere woorden; Antargaz heeft met de door haar ingenomen en onderbouwde stellingen niet het vermoeden kunnen wegnemen, dat de bedingen H14 en H15 sub f onredelijk bezwarend zijn.

Zij heeft haar stellingen niet met concrete cijfers en voorbeelden gestaafd en ook niet aangetoond dat de (boete)bedingen in het algemeen steeds tot redelijke uitkomsten leiden.

Daarbij komt dat Antargaz voorts miskent dat het hier om een overeenkomst gaat als bedoeld in artikel 6:236 aanhef en onder j van het Burgerlijk Wetboek, die ter bescherming van de consument dus juist wel tussentijds opzegbaar is. Antargaz kan en mag ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dus niet verwachten dat elke consument de hele termijn van de overeenkomst uitdient. Zij dient bij haar berekening van prijzen aan consumenten en bij het opstellen van haar algemene voorwaarden de wettelijke eis te verdisconteren dat die overeenkomsten na vernieuwing in een overeenkomst voor bepaalde duur opzegbaar zijn, met een opzegtermijn van één maand.

Zij zal dus bij haar prijsbepaling en bij de bepaling van de overige inhoud van de overeenkomst juist van het bestaan van een tussentijdse wettelijke mogelijkheid tot opzeggen moeten uitgaan en er op bedacht moeten zijn dat zij haar contracten zo inricht dat zij ook dan haar investeringen kan terugverdienen op een manier die inzichtelijk is voor de consument. De consument is dan voor het aangaan van de overeenkomst in staat te overzien waartoe hij zich verplicht en hij kan bij het gebruik van zijn wettelijke bevoegdheid tot tussentijdse opzegging berekenen wat de (redelijke) tegemoetkoming is, die hij Antargaz dient terug te betalen, opdat Antargaz haar investeringen kan terugverdienen (vergelijk ook HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR: 2016:236, rechtsoverweging 3.14 tot en met 3.16).

Van belang is dan ook dat de bepalingen H14 en H15 sub f zijn opgenomen in de algemene voorwaarden van Antargaz. Gesteld noch gebleken is dat over de inhoud van deze bepalingen afzonderlijk is onderhandeld, dan wel dat deze bepalingen op maat worden gemaakt voor de betreffende consument.

2.10.

Het voorgaande brengt mee dat deze bepalingen vernietigd moeten worden. Zij betreffen geen kernbedingen en de overeenkomst kan dan ook voortbestaan zonder deze bepalingen. Er is derhalve geen grond om voor deze bepalingen een andere regeling in de plaats te stellen.

Wanneer een consument naar de mening van Antargaz ten onrechte tussentijds opzegt, kan Antargaz terug vallen op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ter zake van wanprestatie en schadevergoeding.

2.11.

Het verweer in conventie van [gedaagde] dat de onderhavige bepalingen vernietigbaar zijn, slaagt dus. Zijn vordering in reconventie om de bepalingen in reconventie nietig te verklaren is voorwaardelijk ingesteld. Nu die voorwaarde niet in vervulling is gegaan, hoeft op dat deel van de vordering in reconventie niet meer te worden beslist.

2.12.

Niet in geschil is dat Antargaz op 16 maart 2018 aan [gedaagde] een factuur heeft gestuurd ten bedrage van € 738,10, inclusief btw.

Die factuur bevatte de volgende componenten: een forfaitaire vergoeding van

€ 300,00, terugname kosten ad € 200,00 en restwaarde commerciële afspraken

€ 110,00.

[gedaagde] heeft op deze factuur in mindering betaald een bedrag van € 242,00 inclusief btw ter zake van de terugname kosten. De rest van de factuur heeft hij onbetaald gelaten.

Inmiddels heeft Antargaz haar vordering in conventie, strekkende tot betaling van het restant van deze factuur, onherroepelijk beperkt tot € 500,00.

Uit het voorgaande volgt dat deze vordering in conventie moet worden afgewezen.

2.13.

In reconventie heeft [gedaagde] ook een bedrag van € 42,65 gevorderd op grond van onverschuldigde betaling, omdat Antargaz hem een te hoge gasprijs in rekening heeft gebracht.

Niet in geschil is dat partijen een dagprijs van € 73,12 per 110 liter exclusief BTW zijn overeengekomen, zoals vermeld in de overeenkomst van 30 april 2014, die door [gedaagde] als productie een in het geding is gebracht.

[gedaagde] heeft als producties zes tot en met tien facturen in het geding gebracht, waaruit volgt dat Antargaz hem bij die facturen desondanks een hogere gasprijs in het geding heeft gebracht.

Vervolgens hebben partijen uitgebreid gediscussieerd over de wijze waarop de gasprijzen tot stand plegen te komen, maar Antargaz heeft daarbij niet gesteld of voldoende onderbouwd dat zij niet aan de met [gedaagde] overeengekomen gasprijs is gebonden.

Ook heeft zij de berekening van [gedaagde] , dat hij op basis van de overgelegde facturen en de overeenkomst een bedrag van € 42,65 meer heeft betaald aan Antargaz dan hij op grond van de overeenkomst verschuldigd was, niet gemotiveerd weersproken.

Dat betekent dat de vordering in reconventie van € 42,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2018,voor toewijzing vatbaar is.

2.14.

De overige stellingen en weren van partijen behoeven dan ook geen afzonderlijke bespreking meer.

2.15.

Antargaz zal zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten, omdat zij ongelijk heeft gekregen.

3 Beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter:

in conventie

- wijst de vordering af;

in reconventie

- veroordeelt om Antargaz om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 42,65 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2018 tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en reconventie:

- veroordeelt Antargaz in de kosten van het geding in conventie en reconventie, welke aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 600,00 (4x1,5x€ 100,00) voor salaris gemachtigde;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2020 door kantonrechter mr. M.H. Rochat.