Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3137

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
C/09/589049 / KG ZA 20-184
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Een pandhoudersbeslag, waarbij de verpande zaken al zijn afgegeven aan de pandhouder, leent zich niet meer voor opheffing. De afgegeven zaken behoeven ook om andere reden niet te worden teruggegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/589049 / KG ZA 20-184

Vonnis in kort geding van 7 april 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

PROGRESSO TECHNOLOGY B.V. te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. P.L.G. Rens te Den Haag,

tegen:

CORPORATE FACTORING SOLUTIONS B.V. te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. P.C.M. Ouwens te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Progresso' en 'CFS'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tegen de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 maart 2020 om 10.00 uur, met producties;

- de brief van de griffier van 17 maart 2020 aan partijen, waarin deze - onder verwijzing naar de sluiting van de rechtscolleges per 17 maart 2020 wegens de uitbraak van het Coronavirus - aangeeft dat de onderhavige procedure is aangemerkt als urgent en aan de advocaat van CFS wordt verzocht uiterlijk op 20 maart 2020 een schriftelijke conclusie van antwoord in te dienen, onder de mededeling dat de voorzieningenrechter daarna zal beslissen hoe de procedure wordt voortgezet;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het e-mailbericht van CFS van 20 maart 2020, waarbij zij akkoord gaat met afdoening van de zaak zonder mondelinge behandeling;

- het e-mailbericht van 23 maart 2020, waarin Progresso mededeelt niet af te zien van een mondelinge behandeling en/of re- en dupliek, met dien verstande dat haar voorkeur uitgaat naar een termijn voor repliek;

- de brief van de griffier van 23 maart 2020 waarin aan partijen wordt bericht dat de mondelinge behandeling van het kort geding op 24 maart 2020 geen doorgang zal vinden en dat aan Progresso een termijn wordt gegund tot 24 maart 2020 voor een akte van repliek en vervolgens aan CFS een termijn tot 25 maart 2020 voor een akte van dupliek;

- de akte van repliek, tevens inhoudende een vermeerdering van eis, met producties, waaronder een USB-stick;

- het e-mailbericht van CFS van 24 maart 2020, waarbij bezwaar wordt gemaakt tegen de akte van repliek, de eisvermeerdering, de aanvullende producties en de USB-stick;

- het e-mailbericht van de rechtbank van 25 maart 2020, waarin - naar aanleiding van de bezwaren van CFS - aan partijen wordt medegedeeld dat de voorzieningenrechter enkel de door Progresso in het geding gebrachte USB-stick niet toestaat, alsmede dat CFS tot uiterlijk 26 maart 2020 te 12.00 uur de gelegenheid krijgt om een akte van dupliek in te dienen;

- de akte van dupliek met producties.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Progresso houdt zich bezig met het ontwerpen en uitvoeren van 3D printopdrachten. Haar bestuurder is Progresso Holding B.V., van wie [A] (hierna ' [A] ') bestuurder is.

2.2.

CFS, mede handelend onder de naam "i-factoring", is een factoringmaatschappij die financieringen verstrekt op zakelijke debiteuren van derden.

2.3.

Op 22 augustus 2019 is tussen partijen een Factoringovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Progresso, als "klant", al haar huidige en toekomstige vorderingen in eigendom heeft overgedragen aan CFS teneinde deze in opdracht van Progresso te innen, waarbij CFS - in beginsel - het kredietrisico draagt (hierna 'de Overeenkomst').

2.4.

Voor zover hier van belang houden de op de Overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden het volgende in:

"4.1. Corporate Factoring Solutions B.V. houdt voor elke klant een Factoringrekening aan.

4.2.

Verschuldigde bedragen van de Klant aan Corporate Factoring Solutions B.V., in het bijzonder de Factoringvergoeding en andere vergoedingen, terug te betalen bedragen voor Kredietrisico dat zich manifesteert (voor zover dat op de Klant rust) en bij de Klant binnenkomende betalingen op gekochte Vorderingen, worden door Corporate Factoring Solutions B.V. ten laste van de Factoringrekening gebracht.

(…)

4.4

Indien de Factoringrekening op enigerlei tijdstip een negatief saldo vertoont, zal de Klant aan Corporate Factoring Solutions B.V. het bedrag betalen ter hoogte van dit negatieve saldo op de eerste Werkdag volgend op de mededeling daartoe van Corporate Factoring Solutions B.V.

4.5

Elke gebeurtenis en omstandigheid in dit Artikellid is op zichzelf een Opeisingsgrond:

a. a) De klant schiet gedurende meer dan 30 dagen tekort (of geeft er blijk van te zullen tekortschieten) in de betaling van enige krachtens de Factoringovereenkomst te betalen bedrag op de dag en de manier die de Factoringsovereenkomst bepaalt;

b) De Klant schiet tekort (of geeft er blijk van te zullen tekortschieten) in de nakoming van enige andere verplichting uit de Factoringovereenkomst;

(…)

d) Enige garantie of verklaring die de Klant heeft gegeven of gedaan (of geacht wordt te hebben gegeven of gedaan) in de Factoringovereenkomst of enig ander stuk dat door of namens hem krachtens of in verband met de Factoringovereenkomst is verstrekt, is in enig opzicht onwaar, onjuist of misleidend (of blijkt dat te zijn geweest) op het moment dat zij werd gegeven of gedaan;

(…)

9.1

De overdracht van de factuurgegevens door de klant aan Corporate Factoring Solutions B.V. geschiedt, voor zover niet anders overeengekomen, [via de Applicatie]. De Klant staat in voor de juistheid en de volledigheid van de door de Klant verstrekte gegevens.

(…)

Artikel 12. Garantie

12.1

De Klant staat ervoor in dat alle door hem aan Corporate Factoring Solutions B.V. verkochte Vorderingen rechtgeldig (zullen) zijn, en garandeert dat de Klant bevoegd en in staat is de onbezwaarde eigendom van de Vorderingen rechtsgeldig aan Corporate Factoring Solutions B.V. over te dragen. De Klant garandeert in het bijzonder dat de Vorderingen bestaan, dat deze onvoorwaardelijk en overdraagbaar zijn. De klant garandeert dat geen enkele betreffende Debiteur een Gelieerde Onderneming is. De Klant staat in voor de juistheid en volledigheid van alle aan Corporate Factoring Solutions B.V. verstrekte informatie. Ten aanzien van iedere Vordering staat de Klant er voorts voor in dat op het moment waarop de Klant deze aan Corporate Factoring Solutions B.V. te koop aanbiedt, de betreffende Vordering:

(…)

• niet op voorhand oninbaar is of waarvan de Klant weet of had behoren te weten dat de betreffende Debiteur in staat van faillissement verkeert;

• niet op enigerlei wijze reeds wordt betwist door de Debiteur en niet in redelijkheid verwacht moet worden dat de Debiteur de Vordering kan of zal betwisten;

(…)

• betrekking heeft op goederen en/of diensten die daadwerkelijk door de klant zijn geleverd op een wijze die in het relevante economische verkeer naar goed koopmanschap gebruikelijk zijn;

(…)

12.2

Indien een garantie als bedoeld in lid 1 van dit Artikel wordt geschonden, dient de Klant Corporate Factoring Solutions B.V. volledig te compenseren voor eventueel door Corporate Factoring Solutions B.V. ten gevolge van deze schending geleden schade. In het geval Corporate Factoring Solutions B.V. een dergelijke schending constateert, zal de Klant zonder meer in verzuim zijn en aan Corporate Factoring Solutions B.V. het volgende betalen: (1) het bedrag dat Corporate Factoring Solutions B.V. bij volledige betaling van de betreffende Vordering door de Debiteur zou hebben ontvangen, alsmede (2) alle door Corporate Factoring Solutions B.V. ten gevolge van de schending gemaakte kosten (waaronder in elk geval begrepen advocaatkosten, gerechtskosten en incassokosten). Elke betalingsverplichting van de Klant die voortvloeit uit de bepalingen van dit Artikel mag Corporate Factoring Solutions B.V. verrekenen met enig positief saldo, en ten laste brengen, van de Factoringrekening."

2.5.

[A] heeft op 22 augustus 2019 een Hoofdelijkheidsverklaring ondertekend, waarbij hij zich ten behoeve van CFS hoofdelijk verbindt voor de nakoming door Progresso van al haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst tot het maximale bedrag van het tussen partijen overeengekomen klantfinancieringslimiet.

2.6.

Op 10 februari 2020 heeft CFS bij de Belastingdienst laten registeren een ondertekende Akte bezitloos pandrecht roerende zaken van 29 januari 2020, waarbij Progresso - tot meerdere zekerheid van haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst en uit welke hoofde dan ook - ten behoeve van CFS een pandrecht verstrekt op haar bedrijfsinventaris, inboedel, machinerieën, gereedschappen, voertuigen, en voorraad.

2.7.

Op 14 februari 2020 heeft CFS [A] , Progresso Holding B.V. en Progresso gesommeerd om binnen twee werkdagen over te gaan tot betaling van een bedrag van in totaal € 373.492,89 (hoofdsom: € 321.732,95, rente: € 3.500,--; buitengerechtelijke incassokosten: € 48.259,94), kort gezegd wegens schending van verschillende in de Overeenkomst opgenomen garanties.

2.8.

Daarop is enkel gereageerd door (de advocaat van) Progresso Holding B.V. met de mededeling dat tussen haar en CFS op 21 augustus 2019 geen overeenkomst is gesloten.

2.9.

Bij verzoekschrift van 19 februari 2020 heeft CFS aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om op de voet van artikel 496 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv') ten laste van Progresso pandhoudersbeslag te mogen leggen op de bedrijfsinventaris, inboedel, machinerieën, gereedschappen, voertuigen en voorraad van Progresso, onder de bepaling dat de termijn ex artikel 439 lid 1 Rv wordt verkort tot nihil. Samengevat voerde CFS daartoe aan dat zij uit hoofde van de Overeenkomst aan Progresso voorschotten heeft betaald van in totaal € 322.389,25, terwijl naderhand is gebleken dat de onderliggende vorderingen van Progresso op de betreffende debiteuren niet bleken te bestaan, omdat deze zijn gebaseerd op valse facturen, zodat Progresso gehouden is dat bedrag terug te betalen. Voorts stelde CFS dat Progresso ten gunste van haar een stil pandrecht heeft gevestigd op inventaris, machinerieën en voorraad van Progresso. Diezelfde dag nog heeft de voorzieningenrechter die verzoeken toegewezen.

2.10.

Krachtens het op 19 februari 2020 verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft CFS op 20 februari 2020 ex artikel 496 Rv pandhoudersbeslag laten leggen op verschillende roerende zaken die aanwezig waren in het bedrijfspand van Progresso aan de [adres] , waarna deze zaken door de ingeschakelde deurwaarder zijn afgegeven aan CFS. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal, alsmede het daaraan ten grondslag liggende verlof van de voorzieningenrechter zijn op 24 februari 2020 betekend aan Progresso.

3 Het geschil

3.1.

Na vermeerdering van eis vordert Progresso zakelijk weergegeven, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter:

I. opheffing van het gelegde beslag, dan wel veroordeling van CFS, op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot opheffing ervan op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. CFS - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen de betreffende roerende zaken aan Progresso af te geven;

een en ander met veroordeling van CSF in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert Progresso - samengevat - het volgende aan.

Het op 20 februari 2020 gelegde pandhoudersbeslag is onrechtmatig, aangezien Progresso het daaraan ten grondslag liggende pandrecht niet heeft verstrekt. De pandakte waarvan CFS zich bedient is in ieder geval niet getekend door Progresso c.q. [A] . Bovendien staat niet vast dat de door Progresso overgedragen vorderingen oninbaar zijn, noch dat sprake is van valse facturen. Daar komt bij dat Progresso niet in verzuim is, aangezien nadere afspraken zijn gemaakt over de betalingstermijnen met betrekking tot de grote debiteuren. Voorts wordt door Progresso voldoende zekerheid gesteld ter zake van de vordering van CFS. Progresso is namelijk verzekerd voor bestuurdersaansprakelijkheid bij Centraal Beheer, die heeft aangegeven in de onderhavige situatie te zullen overgaan tot uitkering. Daarmee is het beslag vexatoir, althans maakt CFS misbruik van recht en dient het beslag te worden opgeheven. Progresso heeft recht op en belang bij teruggave van de betreffende zaken, aangezien zij door het beslag en de afgifte van de zaken aan CFS haar bedrijf niet (behoorlijk) kan exploiteren. Daardoor kan zij immers geen productie meer draaien en opdrachten in behandeling nemen.

3.3.

CSF voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vordering sub I

4.1.

De onder 3.1 sub I vermelde vorderingen strekken tot opheffing van het gelegde pandhoudersbeslag. CFS heeft in de conclusie van antwoord gemotiveerd aangevoerd dat deze vorderingen reeds niet toewijsbaar zijn omdat na de afgifte door de deurwaarder aan haar van de in beslag genomen zaken op 20 februari 2020 geen sprake meer is van een beslag. In haar akte van repliek is Progresso op dat verweer niet ingegaan en heeft dat dus ook niet weerlegd. Gelet hierop moet - met CFS - ervan worden uitgegaan, dat Progresso de juistheid van dat verweer heeft aanvaard en dat zij om die reden haar eis heeft vermeerderd met een vordering tot afgifte van de betreffende roerende zaken, welke vordering hierna zal worden besproken. De proceshouding van Progresso heeft er echter niet toe geleid dat zij haar vorderingen sub I heeft ingetrokken, zodat daarop nog zal worden ingegaan.

4.2.

Progresso heeft de vorderingen ingestoken als een opheffingskortgeding in de zin van artikel 705 Rv. Een pandhoudersbeslag betreft echter geen conservatoir beslag waarop dat artikel betrekking heeft. Een pandhouder heeft het recht van parate executie. Teneinde daartoe te kunnen overgaan dient hij de (roerende) zaken, waarop hij zijn vordering op de pandgever wenst te verhalen, in zijn macht te hebben. Indien sprake is van een stil/bezitloos pandrecht, dat is gevestigd door middel van een - geregistreerde - onderhandse akte, dient de pandhouder daartoe de in artikel 496 lid 2 Rv beschreven weg (betreffende het pandhoudersbeslag) te volgen. Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter, waartegen geen hogere voorziening openstaat, legt de deurwaarder beslag op de verpande zaken waarop de pandhouder zich wenst verhalen en neemt hij deze onder zich. Vervolgens geeft de deurwaarder de zaken af aan de pandhouder, waarmee het stil/bezitloos pandrecht is getransformeerd in een vuistpand, waarna de pandhouder desgewenst kan overgaan tot (parate) executie.

4.3.

Het voorgaande brengt mee dat - na de afgifte door de deurwaarder van de door hem in beslaggenomen zaken aan CFS op 20 februari 2020 - geen sprake meer is van beslag op die zaken. Daarmee kan van opheffing ervan dan ook geen sprake meer zijn. Dit betekent dat de hier besproken vorderingen reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komen. De stelling van Progresso dat zij voldoende zekerheid heeft gesteld voor de (vermeende) vordering van CFS mist daarmee relevantie.

Met betrekking tot de vordering sub II

4.4.

In de akte van repliek heeft CFS aangevoerd haar - in het onder 1.1 vermelde e-mailbericht van 24 maart 2020 gemaakte - bezwaar tegen de eisvermeerdering te handhaven. Dat bezwaar heeft de voorzieningenrechter echter inmiddels afgewezen, wat op 25 maart 2020 aan partijen kenbaar is gemaakt. Tegen die beslissing staat geen hogere voorziening open. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op die beslissing terug te komen. Op grond van artikel 130 lid 1 Rv was Progresso bevoegd haar eis te vermeerderen in de akte van repliek. CFS heeft de gelegenheid gekregen om daarop - inhoudelijk - te reageren. Mede met het oog hierop is de aan haar gegunde termijn voor een akte van dupliek zelfs verlengd. CFS heeft van die aan haar geboden mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter nog steeds van oordeel dat de eisvermeerdering niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

4.5.

Met CFS moet worden vastgesteld dat Progresso haar vordering sub II niet, althans nauwelijks, nader heeft uitgewerkt. Uit het geheel van haar stellingen, in samenhang bezien, leidt de voorzieningenrechter echter af dat Progresso aan die vordering ten grondslag legt dat CFS de betreffende zaken op onrechtmatige wijze in haar macht heeft gekregen door middel van het pandhoudersbeslag, aangezien geen sprake is van een (rechtsgeldige) pandakte, noch van oninbare vorderingen van debiteuren, noch van verzuim aan haar zijde. CFS heeft dat ook moeten kunnen begrijpen. Met het oog op de beoordeling van de vordering acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.

4.5.1.

Vooropgesteld wordt dat Progresso blijkens de artikelen 9.1 en 12.1 van de Algemene Voorwaarden er voor dient in te staan dat (i) de door haar aan CFS verstrekte gegevens juist zijn, (ii) de vorderingen niet op voorhand oninbaar zijn, (iii) de vorderingen niet worden betwist door de debiteur, dan wel in redelijkheid niet mag worden verwacht dat deze dat kan of zal doen en (iv) de vorderingen betrekking hebben op goederen en/of diensten die zij ook daadwerkelijk heeft geleverd. Voorts volgt uit de artikelen 4.5 onder b en d en 12.2 van de Algemene Voorwaarden dat CFS een opeisbare vordering heeft op Progresso wanneer Progresso daarin tekort schiet.

4.5.2.

Progresso heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat zij uit hoofde van de Overeenkomst aan voorschotten een totaalbedrag van ruim € 320.000,-- heeft ontvangen van CFS en dat de door haar aan CFS overgedragen vorderingen niet zijn betaald door de betreffende debiteuren, zodat daarvan zal worden uitgegaan. Een dergelijke situatie is niet goed voorstelbaar indien de overdragen vorderingen deugdelijk zijn. Progresso heeft daarvoor in ieder geval geen plausibele verklaring gegeven.

4.5.3.

CFS heeft op 14 februari 2020 [A] , Progresso Holding B.V. en Progresso gesommeerd ter zake van haar vermeende vordering. Daarop heeft enkel Progresso Holding B.V. afwijzend gereageerd. Uitgaande van de stellingen van Progresso in dit kort geding, zou het voor de hand hebben gelegen indien - in ieder geval - ook Progresso dat zou hebben gedaan. Een verklaring voor het achterwege blijven daarvan heeft Progresso niet gegeven.

4.5.4.

CFS heeft gemotiveerd aangevoerd dat de door haar van Progresso ontvangen facturen vervalst zijn. Dit verweer onderbouwt zij onder meer aan de hand van producties die afkomstig zijn van verschillende debiteuren. Bij repliek heeft Progresso de juistheid van die stelling van CFS aan de hand van andere producties weersproken, waarna CFS op haar beurt - bij dupliek - de echtheid van die laatste producties weer heeft betwist.

4.5.5.

Als bewijs van de aan de facturen ten grondslag liggende rechtsverhouding heeft Progresso aan CFS verschillende e-mailberichten verstrekt waaruit valt af te leiden dat de debiteuren de aan CFS verkochte vorderingen, althans die rechtsverhouding erkennen. Onder overlegging van informatie SIDN, de beheerder van het '.nl-domein', stelt CFS echter dat uit nader onderzoek is gebleken dat die e-mailberichten niet afkomstig zijn van de debiteuren en dat de betreffende domeinnamen zijn gelieerd aan [A] .

4.5.6.

Met betrekking tot de onder 2.6 vermelde - op 10 februari 2020 bij de Belastingdienst geregistreerde - pandakte wordt allereerst opgemerkt dat het bij conclusie van antwoord door CFS overgelegd exemplaar ervan weliswaar enigszins onduidelijk is, maar dat deze - anders dan Progresso stelt - met enige moeite wel leesbaar is. Volgens CFS heeft Progresso - in de persoon van haar middellijk bestuurder [A] en in aanwezigheid van de statutair bestuurder van CFS, [B] - de pandakte op 29 januari 2020 in of bij het bedrijfspand van Progresso aan de [adres] geparafeerd en (mede)ondertekend. Progresso betwist dat op de pandakte de parafen en handtekening van [A] staan. Volgens haar zijn deze vervalst. In dat verband verwijst zij onder andere naar filmbeelden op de USB-stick die zij bij repliek in het geding wilde brengen. Uit hetgeen hiervoor onder 1.1 is opgenomen blijkt dat overlegging van die USB-stick is geweigerd en dat deze dus geen onderdeel uitmaakt van dit kort geding. Die filmbeelden kunnen dan ook geen rol spelen in deze procedure.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat partijen op bepaalde, essentiële, onderdelen lijnrecht tegenover elkaar staan, alsmede dat bepaalde omstandigheden in het nadeel van Progresso kunnen worden uitgelegd. Bij die stand van zaken kunnen in het beperkte bestek van dit kort geding de stellingen van Progresso dat (i) geen sprake is van een (rechtsgeldige) pandakte, (ii) de aan CFS overgedragen vorderingen deugdelijk zijn en (iii) zij niet in verzuim is, niet voor juist worden aangenomen. Om daarover een definitief oordeel te kunnen vellen is nader en grondiger onderzoek nodig - bijvoorbeeld aan de hand van getuigenverhoren en een onderzoek door een handschriftdeskundige - waarvoor deze procedure zich niet leent.

4.7.

De slotsom is dat de vorderingen van Progresso zullen worden afgewezen.

4.8.

Progresso zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van Progresso af;

5.2.

veroordeelt Progresso in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van CFS begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Vetter op 7 april 2020.

jvl