Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
NL19.19882
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

iMMO-rapport; einduitspraak na eerdere tussenuitspraak; nieuw besluit; verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de rapportage van het iMMO geen (mogelijke) verklaring (“verschonende melding”) geeft voor de vage verklaringen van eiseres en mogelijk ook voor (een aantal) bevreemdingwekkende of ongerijmde aspecten van haar relaas; verweerder maakt met zijn motivering niet inzichtelijk waarom de inhoud van het iMMO-rapport niet inhoudelijk afdoet aan zijn geloofwaardigheidsstandpunt; aangezien het oordeel van het iMMO over het litteken op de buik een deskundigenoordeel is, kan verweerder hier niet aan voorbijgaan zonder een medisch deskundige te raadplegen; een verschil in de verklaringen over het ontstaan van het litteken op de buik is, ook in combinatie met de andere argumenten van verweerder, onvoldoende om de conclusie van het iMMO over dit litteken te passeren; de kwestie van het binnenlands vestigingsalternatief komt pas aan de orde als de problemen die eiseres in 2011 stelt te hebben ondervonden als geloofwaardig worden beoordeeld. Als die problemen geloofwaardig worden bevonden, betekent dit dat het geloofwaardig is dat eiseres diverse malen verkracht is geweest. In dat geval kan verweerder niet volstaan met het (ongemotiveerde) standpunt dat eiseres niet te vrezen heeft voor (seksuele) geweldpleging. Verweerder zal dan moeten onderzoeken en nader motiveren of eiseres valt onder de categorie vrouwen die wordt genoemd in paragraaf C7/10.5.1 van de Vc 2000 en aan wie geen binnenlands vluchtalternatief wordt tegengeworpen omdat het voor hen niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.19882


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen

[kind 1] , v-nummer [nummer] , en

[kind 2] , v-nummer [nummer] ,

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond en haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.19883, plaatsgevonden op 24 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Alberts.

Bij tussenuitspraak van 24 oktober 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in bestreden besluit 1 te herstellen.

Verweerder heeft na de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 12 november 2018

– lees: 2019 – (bestreden besluit 2). Daarbij heeft verweerder bestreden besluit 1 ingetrokken.

Eiseres heeft bij brief van 27 december 2019 gereageerd op bestreden besluit 2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.19883, plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Dkhissi-Veenstra.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten en omstandigheden die voor deze zaak van belang zijn, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt daarop voort.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het door eiseres overgelegde iMMO-rapport niet voldoet aan de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 27 juni 20181 gestelde eisen en (daarom) niet inzichtelijk en concludent is. Verweerder heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij het asielrelaas van eiseres nog steeds ongeloofwaardig acht en in het rapport van het iMMO-rapport geen aanleiding ziet om het besluit, dat in de vorige procedure is genomen, te herzien. Bestreden besluit 1 is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.

3. Verweerder heeft in bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 ingetrokken. Eiseres heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van bestreden besluit 1. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een verdere inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.

Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2, nu partijen daarbij voldoende belang hebben.

4. In bestreden besluit 2 handhaaft verweerder zijn standpunt dat het iMMO-rapport niet tot een ander oordeel leidt ten aanzien van de geloofwaardigheid van eiseresses asielrelaas. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 19 september 20192, stelt verweerder dat de conclusie van het iMMO, dat een vreemdeling op onderdelen niet coherent en consistent kan verklaren, er niet zonder meer toe leidt dat van de geloofwaardigheid van de verklaringen moet worden uitgaan. De door eiseres gestelde problemen in 2011 zijn nog steeds ongeloofwaardig. De reden daarvoor is dat de conclusies van het iMMO geen verschonende melding maken van de, ook op hoofdlijnen, nog steeds vage, bevreemding wekkende en ongerijmde verklaringen van eiseres. De verklaringen die zij bij het iMMO heeft afgelegd, bieden geen nieuw inzicht ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte punten. Ook als eiseres, vanwege haar psychische klachten, onverminderd – de rechtbank leest: verminderd – in staat zou zijn te verklaren over de door haar gestelde verkrachtingen, dan blijven aspecten in de gebeurtenissen die de aanleiding zouden hebben gevormd voor deze verkrachtingen, bevreemdingwekkend.

Zelfs indien van de geloofwaardigheid van dat relaas wordt uitgegaan, komt zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel omdat zij een binnenlands vestigingsalternatief heeft.

Welke gevolgen verbindt verweerder aan het iMMO-rapport?

5. Eiseres is allereerst van mening dat bestreden besluit 2 ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk niet aangegeven welke gevolgen hij verbindt aan de conclusies van het iMMO-rapport. Uit de uitspraak van 6 februari 2020 van de Afdeling3 volgt namelijk dat verweerder dat moet doen, aldus eiseres.

5.1.

Uit de onder 5 genoemde uitspraak van 6 februari 2020 van de Afdeling volgt dat verweerder een inhoudelijke reactie moet geven op een door de vreemdeling overgelegd deskundigenrapport. Verweerder moet motiveren welke gevolgen hij voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas verbindt aan de conclusies van dit rapport. Ook moet verweerder inzichtelijk maken dat, en op grond waarvan, het rapport niet inhoudelijk afdoet aan de door verweerder gemaakte tegenwerpingen en waarom het geloofwaardigheidsstandpunt toch in stand blijft.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank voert eiseres terecht aan dat verweerder niet of nauwelijks een inhoudelijke reactie heeft gegeven op het iMMO-rapport. Weliswaar voert verweerder terecht aan dat de omstandigheid dat een vreemdeling op onderdelen niet coherent en consistent kan verklaren, er niet zonder meer toe leidt dat van de geloofwaardigheid van de verklaringen moet worden uitgaan, maar voor het overige wordt niet aangegeven waar die conclusie dan wél toe leidt. Verweerder heeft namelijk niet (duidelijk) aangegeven welke gevolgen hij concreet verbindt aan de conclusies van het iMMO-rapport en hoe hij dit dan betrokken heeft bij het (handhaven van het) geloofwaardigheidsstandpunt.

Impliciet kan uit bestreden besluit 2 worden afgeleid dat verweerder aan het iMMO-rapport alleen de gevolgtrekking verbindt dat eiseres niet kan verklaren over de details van (diverse gebeurtenissen en over) de verkrachtingen. Verweerder meent dat zij wel geacht moet worden (op hoofdlijnen) logische verklaringen te kunnen afleggen over andere gebeurtenissen, waaronder de gebeurtenissen die de aanleiding zouden hebben gevormd voor de verkrachtingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet gemotiveerd waarom hij alleen deze beperkte gevolgtrekking aan het iMMO-rapport verbindt. Ook heeft verweerder niet gemotiveerd op grond waarvan hij meent dat de door het iMMO benoemde beperkingen van eiseres niet zien op de gestelde gebeurtenissen die aanleiding zouden zijn geweest voor de verkrachtingen. In dit verband is van belang wat de rechtbank in 10.1 van de tussenuitspraak heeft overwogen, te weten:

“Op pagina 18 van het rapport wordt aangegeven dat het ‘zeer verklaarbaar is dat verhalen in elkaar neigen over te lopen en de chronologie lastiger is vast te houden’ en dat ‘het ook lastig kan zijn details van traumatische ervaringen weer te geven’. Ook kunnen ‘intrusies, een verminderde concentratie en het feit dat het in kaart brengen van traumatische gebeurtenissen een reactief proces is, invloed hebben op het ophalen en rapporteren van gebeurtenissen.’ Hieruit volgt dat de beperking van eiseresses vermogen om compleet, consistent en coherent te verklaren niet alleen de details betreffen en dat deze beperking invloed heeft op vele, zo niet alle onderdelen, van haar relaas.”

In dit citaat kan een mogelijke verklaring worden gevonden voor de vage verklaringen van eiseres en mogelijk ook voor (een aantal) bevreemdingwekkende of ongerijmde aspecten van haar relaas. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de rapportage van het iMMO hiervoor geen (mogelijke) verklaring (“verschonende melding”) geeft.

5.3.

Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt.

Heeft verweerder (de handhaving van) het geloofwaardigheidsstandpunt voldoende gemotiveerd?

6. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat de verklaringen van eiseres ten aanzien van de verkrachting van tante [tante] en de gebeurtenissen daarna, ook op hoofdlijnen, nog steeds vaag, bevreemding wekkend en ongerijmd zijn. Eiseres is namelijk vaag over de mannen die haar tante zouden hebben verkracht. Zij kan alleen vertellen dat zij donkere kleding droegen. Ook maakt zij niet inzichtelijk hoe haar zus er achter zou zijn gekomen wie die mannen waren en hoe zij deze heeft gelokaliseerd. Verder ligt het volgens verweerder niet in de rede, gelet op de daarmee gepaard gaande zeer hoge risico’s, dat eiseres en haar zus deze mannen daarna zijn gaan bezoeken.

In het verweerschrift is hier aan toegevoegd dat, omdat de verkrachting van haar tante een ingrijpende gebeurtenis is en zij deze gebeurtenis van dichtbij heeft meegemaakt, van eiseres verwacht mag worden dat zij op zijn minst kan verklaren hoeveel mannen er toen aanwezig waren. Verder doet de omstandigheid dat eiseres en haar zus werden vergezeld van een man, niet af aan verweerders standpunt dat het niet in de rede ligt dat zij zich in kwetsbare positie zouden begeven door in gesprek te gaan met mogelijke dieven van haar tantes koeien.

7. Naar het oordeel van de rechtbank maakt verweerder met zijn motivering niet inzichtelijk waarom de inhoud van het iMMO-rapport niet inhoudelijk afdoet aan zijn geloofwaardigheidsstandpunt. In dit verband zijn de volgende punten van belang.

7.1.

Eiseres heeft terecht aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom informatie over de mannen die haar tante zouden hebben verkracht, zoals over hun uiterlijk en aantal, een hoofdlijn van haar relaas betreft en dat het hier niet gaat om details. Eiseres heeft ook terecht aangevoerd dat verweerder geen rekening houdt met de mogelijkheid dat zij, bij wijze van coping, stukken van haar relaas weglaat. De omstandigheid dat het gaat om een ingrijpende gebeurtenis en dat daarom van eiseres verwacht mag worden dat zij hier meer over kan verklaren, is een ontoereikende motivering. Dit is ontoereikend gelet op de inhoud van het iMMO-rapport, met name het deel dat is geciteerd in 9.2 van de tussenuitspraak (bovenaan op pagina 7) en het deel dat hierboven is geciteerd in 5.2., waarin onder meer wordt ingegaan op het effect van beschermende afweermechanismen en het in kaart brengen van traumatische gebeurtenissen.

7.2.

Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen die eiseres bij het iMMO heeft afgelegd, geen nieuw inzicht bieden ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte punten. Daarvoor is het volgende van belang.

Eiseres heeft in haar relaas bij het iMMO gedetailleerder verklaard over de gebeurtenissen die zij heeft genoemd tijdens het nader gehoor. Deze details betreffen niet alleen het gestelde seksueel geweld maar ook de gebeurtenissen die daaraan zijn voorafgegaan en die daarop zijn gevolgd. Zo heeft zij, zoals in beroep naar voren is gebracht, bij het iMMO verteld dat zij en haar zus niet in hun eentje de koeien van haar tante zijn gaan terughalen. Daar was ook een man bij. Dit is relevant omdat een belangrijke reden voor verweerder om ongeloofwaardig te achten dat eiseres is verkracht na de verkrachting van haar tante, is gelegen in de omstandigheid dat verweerder het bevreemding wekkend acht dat eiseres en haar zus – als vrouw, [zus] en na wat met hun tante zou zijn gebeurd – het risico zouden nemen om naar de mogelijke dieven van haar tantes koeien toe te gaan en die mannen vervolgens aan te spreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiseresses verklaring bij het iMMO over de aanwezigheid van deze man, waardoor de positie van eiseres en haar zus (mogelijk) minder kwetsbaar was, geen afbreuk doet aan zijn standpunt over dit aspect van het asielrelaas van eiseres.

Verweerder handhaaft ook dat de tweede verkrachting waarover eiseres heeft verklaard tijdens haar nader gehoor ongeloofwaardig is. Het is volgens verweerder namelijk niet geloofwaardig dat eiseres is teruggekeerd naar een voor haar zo onveilig gebied. Eiseres heeft er in dit verband op gewezen dat zij bij het iMMO heeft verklaard dat zij naar het onveilige gebied is teruggekeerd nadat haar nicht was omgekomen bij een woningbrand. Eiseres voert aan dat dit mogelijk voor haar een aanleiding was om terug te keren naar het onveilige gebied. Verweerder heeft daar niet op gereageerd terwijl dat wel van hem verwacht mocht worden.

Daarnaast heeft eiseres uitgebreider verteld over wat haar zou zijn overkomen in haar land van herkomst, waarbij er ook melding is gemaakt van incidenten waarvan zij niet eerder melding heeft gemaakt. Juist omdat verweerder aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij over belangrijke aspecten van haar asielrelaas vaag heeft verklaard, had van verweerder verwacht mogen worden dat hij beter had gemotiveerd – desnoods na eiseres daar over te hebben gehoord – waarom hij haar asielrelaas nog steeds vaag vindt.

8. Eiseres voert aan dat verweerder zijn standpunt over de littekens, en met name het typerende litteken, niet kan innemen zonder een deskundigenrapport over te leggen.

8.1.

Eiseres heeft vijf littekens. Op pagina 15 van het iMMO-rapport is geconcludeerd dat deze allen veroorzaakt zijn door een verwonding met een machete en gerelateerd zijn aan het asielrelaas. De verwondingen aan haar ringvinger, onder haar kin en op haar hoofd zijn consistent met de verklaring van eiseres qua aspect, toedracht en lokalisatie en patroon. Het litteken aan de binnenkant van haar linkerdijbeen is niet goed meer te duiden en wordt beoordeeld als consistent. Het litteken op haar buik is typerend voor het gestelde geweldsrelaas namelijk verbranding door een hete machete.

8.2.

Als het gaat om de vier littekens die door het iMMO als consistent met het asielrelaas zijn beoordeeld, stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat het iMMO-rapport niet tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Dit is anders als het gaat om verweerders standpunt over het als ‘typerend’ gekwalificeerde litteken. In de leeswijzer van maart 2019 geeft het iMMO aan dat de causale relatie tussen de medische problematiek en de gestelde ervaringen uit het asielrelaas wordt beoordeeld conform de gradaties uit paragraaf 187 van het Istanbul Protocol. Ook staat in deze leeswijzer:

“De term ‘typerend voor’ geeft aan dat het aangetroffen litteken of de bevinding bij het onderzoek hoort bij het gestelde. De relatie is sterk, een typerende relatie van de hand wijzen kan uitsluitend als een veronderstelde andere mogelijke oorzaak nauwkeurig past in de omstandigheden van betrokkene. (…) De gradatie (…) ‘zeer consistent met’ en ‘typerend voor’ zijn behoorlijke sterke gradaties.”

Gelet hierop is de motivering van verweerder, dat de kwalificatie ‘typerend’ van het litteken op de buik van eiseres nog niet maakt dat uitgegaan moet worden van de toedracht van het litteken zoals zij daarover bij het iMMO heeft verklaard, omdat het litteken niet gedateerd kan worden en er ook een mogelijke andere oorzaak kan zijn voor het ontstaan daarvan, onvoldoende. Aangezien het oordeel van het iMMO over dit litteken een deskundigenoordeel is, kan verweerder hier niet aan voorbijgaan zonder een medisch deskundige te raadplegen. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018. Verweerder is geen medisch deskundige en kan daarom niet zelf beoordelen of de oorspronkelijke verklaring van eiseres over het ontstaan van dit litteken, tijdens het nader gehoor, nauwkeurig past bij de wijze van ontstaan van dit litteken.

In het iMMO-rapport zijn meerdere verklaringen gegeven voor de omstandigheid dat eiseres in haar nader gehoor niet volledig en consistent heeft kunnen verklaren. In dit verband is ook van belang de aanvulling die het iMMO in brief van 2 december 2019 heeft gegeven:

“(…) verschillen in verklaren kan duiden op medische problematiek. (…) Daarnaast is bekend dat vaker horen tot verschillende verklaringen kan leiden. Ook kan het voor betrokkene onmogelijk zijn geweest spreken, omdat dat teveel pijnlijke herinneringen of herbelevingen naar boven haalde en vermijding een onbewuste manier is om zichzelf tegen ontregeling te beschermen. Daarnaast kan schaamte over vernederende gebeurtenissen er toe leiden dat betrokkene niet in staat is over het gebeurde te praten. Ook de mate waarin betrokkene zich begrepen voelde en de mate van vertrouwen in de gehoorambtenaar of onderzoeker is belangrijk voor de mate van disclosure.”

Gelet hierop kan verweerder niet worden gevolgd in het (bijkomend) argument ten aanzien van dit litteken, namelijk dat niet nader is geconcretiseerd of onderbouwd hoe het komt dat de verklaringen van eiseres bij het iMMO – bijvoorbeeld over het litteken op haar buik – afwijkt van haar eerdere verklaring. Indien verweerder niet wenst uit te gaan van de verklaringen van eiseres bij het iMMO en een (nadere) verklaring wil voor het verschil in haar verklaringen of een nadere onderbouwing van het een en ander, dan had verweerder haar daarover aanvullend kunnen horen. Een verschil in de verklaringen over het ontstaan van het litteken op haar buik is, ook in combinatie met de andere argumenten van verweerder, onvoldoende om de conclusie van het iMMO over dit litteken te passeren.

8.3.

De beroepsgrond slaagt.

Heeft eiseres een binnenlands vestigingsalternatief?

9. Eiseres is primair van mening dat het binnenlands vestigingsalternatief buiten beschouwing moet blijven omdat dit buiten de omvang van het geding valt.

9.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De reden daarvoor is dat eiseres met haar aanvraag wil dat verweerder terugkomt op zijn standpunt zoals hij dat in de eerste asielprocedure heeft ingenomen. Aangezien het binnenlands vestigingsalternatief toen ook is tegengeworpen, maakt dit aspect ook deel uit van de omvang van het geding.

10. Subsidiair voert eiseres aan dat als haar relaas ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden, dit aspect betrokken moet worden bij de beoordeling van de vraag of er een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Zij betwist dat hetgeen haar is overkomen alleen verband houdt met de situatie in Zuid-Kivu. Er zijn haar veel dingen overkomen. Zo is haar hele familie uitgemoord en is er sprake van verschillende verkrachtingen. Dit betreffen allemaal omstandigheden die eiseres zelf betreffen. Verder behoort zij tot de groep vrouwen aan wie geen binnenlands vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. Zij verwijst hiervoor naar paragraaf C7/10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

10.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een vestigingsalternatief heeft in Kinshasa. Uit de verklaringen van eiseres blijkt namelijk niet dat haar vrees gebaseerd is op feiten of omstandigheden die specifiek zien op haar persoon. De gebeurtenissen zijn een gevolg van de uitzonderlijke situatie in haar land van herkomst en in de zin van paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000. Uit het Algemeen Ambtsbericht van 17 december 2019 over de Democratische Republiek Congo blijkt ook dat alleenstaande vrouwen uit andere delen van het land zich in Kinshasa kunnen aansluiten bij hun eigen etnische gemeenschap en dat er daar ook een non-gouvernementele organisatie aanwezig is, die een opvangcentrum heeft voor getraumatiseerde vrouwen.

Hieraan is ter zitting toegevoegd dat niet is gebleken dat eiseres onder de categorie vrouwen valt die wordt genoemd in paragraaf C7/10.5.1 van de Vc 2000.

10.2.

De kwestie van het binnenlands vestigingsalternatief komt pas aan de orde als de problemen die eiseres in 2011 stelt te hebben ondervonden als geloofwaardig worden beoordeeld. Als die problemen geloofwaardig worden bevonden, betekent dit dat het geloofwaardig is dat eiseres diverse malen verkracht is geweest. In dat geval kan verweerder niet volstaan met het (ongemotiveerde) standpunt dat eiseres niet te vrezen heeft voor (seksuele) geweldpleging. Verweerder zal dan moeten onderzoeken en nader motiveren of eiseres valt onder de categorie vrouwen die wordt genoemd in paragraaf C7/10.5.1 van de Vc 2000 en aan wie geen binnenlands vluchtalternatief wordt tegengeworpen omdat het voor hen niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000.

De beroepsgrond slaagt.

11. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond. De rechtbank vernietigt bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.837,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- met een wegingsfactor 1). Ook de kosten van het iMMO-rapport komen voor vergoeding in aanmerking, omdat eiseres dit rapport in redelijkheid heeft kunnen laten opstellen om te onderbouwen dat zij in de eerdere procedure psychische klachten had die zij koppelde aan haar asielrelaas en aan haar vermogen om coherent en consistent te verklaren. De kosten van € 4.446,75, zoals vermeld op de bij de zienswijze overgelegde factuur, komen de rechtbank daarbij niet onredelijk voor en zijn door verweerder ook niet weersproken. De rechtbank stelt deze kosten dus vast op € 4.446,75, zodat verweerder in totaal een bedrag van € 6.809,25 aan eiseres dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 6.809,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekend gemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

1 ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086

2 ECLI:NL:RVS:2019:3214

3 ECLI:NL:RVS:2020:341