Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4646
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete. Geen onrechtmatig verkregen bewijs. Geen strijd met artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Benadelingsbedrag: geen aantoonplicht maar dient aannemelijk te worden gemaakt, zie ECLI:NL:CRVB:2019

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4646

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: A. Tibben).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser en zijn echtgenote, mevrouw [B] , een bestuurlijke boete krachtens de Participatiewet (PW) opgelegd van € 2.285,46.

Bij besluit van 31 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser en zijn echtgenote gedeeltelijk gegrond verklaard en uitsluitend aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.523,64.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het recht van eiser op bijstand over de periode van 1 oktober 2017 tot 29 juni 2018 ingetrokken en van eiser een bedrag van € 11.955,29 teruggevorderd omdat eiser in strijd met zijn inlichtingenplicht niet heeft gemeld dat hij over de periode van 1 oktober 2017 tot 29 juni 2018 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft tegen het besluit waarin dit is vastgelegd bezwaar gemaakt en, nadat het bezwaar ongegrond was verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 26 november 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan eiser een bestuurlijke boete moet worden opgelegd van € 1.523,64, omdat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit onderzoek van de Sociale Recherche is gebleken dat eiser over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 mei 2018 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de winkel Stop en Shop, waaruit hij redelijkerwijs een inkomen had kunnen verkrijgen. Bij de hoogte van de opgelegde boete is uitgegaan van een normale verwijtbaarheid.

3.1

Eiser stelt dat, gelet op artikel 6, tweede lid, van het EVRM, bij het opleggen van een bestuurlijke boete een zwaardere bewijslast geldt voor verweerder dan bij intrekking, beëindiging, herziening of terugvordering van de bijstandsuitkering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht. Naar de mening van eiser is verweerder er niet in geslaagd aan te tonen dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Van belang hierbij is dat verweerder bij zijn besluitvorming gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs. Eisers privacy is in vergaande mate geschonden door foto’s van hem te maken en door hem stelselmatig te observeren. Als gevolg daarvan mogen de resultaten niet voor het bewijs worden gebruikt, nu de opsporingsmethode zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het onaanvaardbaar zou zijn om de resultaten toch ten laste van eiser te gebruiken. Een wettelijke grondslag om stelselmatig te kunnen observeren is niet voorhanden, zodat de bevoegdheid hiertoe ontbrak, aldus eiser.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Zij volgt daarin hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 november 2019 ter zake van de intrekking en terugvordering van de PW-uitkering heeft geoordeeld, namelijk dat verweerder door gebruikmaking van zijn bevoegdheid van artikel 53a van de PW niet in strijd heeft gehandeld met artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Daartoe is overwogen dat de verrichte waarnemingen, gelet op de duur, intensiteit en frequentie niet stelselmatig zijn geweest, dat de waarnemingen voornamelijk plaatsvonden vanaf de openbare weg en dat deze waarnemingen kortstondig en beperkt in aantal waren. Voorts is overwogen dat de omstandigheid dat er videobeelden zijn gemaakt dit niet anders maakt. Ook wat betreft het maken van deze beelden is geen sprake van een ontoelaatbare inbreuk op het privéleven van eiser. Eiser is niet doorlopend met behulp van videoapparatuur geobserveerd. Ook de waarnemingen in en om de winkel en de woning van eiser, waarbij ook gebruik is gemaakt van foto's, zijn niet buiten proportioneel geweest. Gelet hierop heeft verweerder de resultaten van het onderzoek van de Sociale Recherche aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

3.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat het rapport van de Sociale Recherche voldoende basis biedt voor de conclusie dat eiser in de periode van 1 oktober 2017 tot 29 juni 2018 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de winkel Stop en Shop en door deze werkzaamheden niet te melden zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit het rapport blijkt dat eiser tijdens reguliere arbeidsuren is aangetroffen in deze winkel, dat hij de winkel opende, de handelswaar buiten zette, boodschappen van klanten afrekende en de winkel weer sloot. Ook heeft eiser zelf verklaard dat hij twee à drie keer in de week in de winkel aanwezig is. Anders dan eiser heeft gesteld, is niet slechts sprake van het vermoeden van het verrichten van op geld waardeerbare arbeid dat volgt uit de aanwezigheid op een werkplek tijdens reguliere arbeidsuren. Tijdens het onderzoek is immers waargenomen dat eiser ook daadwerkelijk handelingen heeft verricht in en om de winkel die op geld waardeerbare arbeid inhielden.

4.1

Eiser voert voorts aan dat verweerder dient aan te tonen dat er sprake is van een benadelingsbedrag. Eiser betwist dat hij geen recht op (aanvullende) bijstand zou

hebben gehad indien hij de inlichtingenverplichting wel naar behoren was nagekomen. Het enkele rechtsvermoeden of de enkele aanname van verweerder dat het fictieve salaris van eiser de hoogte van de bijstandsuitkering te boven gaat, is ontoereikend voor een bevestigende beantwoording van de vraag of de bijstand ten onrechte is ontvangen.

4.2

De rechtbank volgt eiser hier niet in. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4087) volgt dat verweerder ten aanzien van het benadelingsbedrag, anders dan ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht, geen aantoonplicht heeft. Volgens de Centrale Raad van Beroep volstaat dat dit aannemelijk wordt gemaakt door verweerder. Daar is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in geslaagd. Uit het dossier is gebleken dat niet alleen sprake is van een rechtsvermoeden dat eiser werkzaamheden heeft verricht, maar dat er juist bewijs is dat eiser werkzaamheden, zoals verkoophandelingen, heeft verricht in de winkel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op de waarnemingen door de Sociale Recherche, sprake was van een volwaardige baan waarvoor eiser een inkomen ter hoogte van ten minste het minimumloon had kunnen bedingen.

5. Gelet op het voorgaande was verweerder gehouden een boete op te leggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete is verweerder voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Daarbij past een boete van 50% van het benadelingsbedrag. Voorts heeft verweerder bij de hoogte van de boete rekening gehouden met de financiële draagkracht van eiser. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van de boete juist vastgesteld.

6. Dringende redenen die reden geven om af te zien van het opleggen van de boete, zijn gesteld noch gebleken.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

de griffier is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.