Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1740
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo buiten zitting, onvoldoende spoedeisend belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1740

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde mr. M.S. Nizamoeddin),

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2020 heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker zijn lening vanaf 1 juli 2020 in maandelijkse termijnen van € 83,35 aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dient terug te betalen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 5 maart 2020.

Verzoeker heeft desgevraagd op 16 maart 2020 een reactie gegeven op het verweerschrift.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2 Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Daartoe stelt verweerder dat het besluit geen rechtsgevolgen in het leven roept ten opzichte van het besluit van 28 mei 2019 waarin reeds is besloten dat verzoeker zijn lening dient terug te betalen omdat hij niet tijdig is ingeburgerd.

Ten overvloede merkt verweerder op dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding.

Ook is er volgens verweerder geen sprake van een spoedeisend belang dat maakt dat de gevraagde voorziening toegewezen dient te worden. Verzoeker kan een verzoek tot draagkrachtmeting indienen en daarmee de terugbetalingsverplichting op nihil laten stellen.

3 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij bezwaar kan maken tegen het besluit van 17 januari 2020, aangezien deze brief ook een rechtsmiddelenclausule bevat. Ook is er sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel dat een burger voldoende duidelijk gemaakt dient te worden wat zijn of haar rechten zijn.

Daarnaast voldoet verzoeker wel aan de voorwaarden tot kwijtschelding.

Tot slot is ook sprake van een spoedeisend belang nu verzoeker niet bekend is met de mogelijkheid het bedrag op nihil te laten stellen. Indien verweerder de juridische grondslag hiervan kenbaar maakt zal verzoeker het verzoek tot nihilstelling indienen.

4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter is, los van de vraag of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, van oordeel dat er onvoldoende spoedeisend belang is bij de gevraagde voorziening. De enkele omstandigheid dat verzoeker niet bekend is met de mogelijkheid van een draagkrachtmeting waarbij het bedrag dat maandelijks terugbetaald dient te worden op nihil kan worden gesteld is daartoe onvoldoende. De mogelijkheid is er en verzoeker kan daartoe een verzoek indienen bij DUO.

5 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier, op 31 maart 2020.

griffier voorzieningenrechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.