Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3087

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
NL20.6931
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6931


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft de gronden van zijn beroep ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft op 30 maart 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. De rechtbank stelt ambtshalve het volgende voorop.

De rechtbank heeft in dit geval afgezien van het horen van eiser, hoewel dat op grond van artikel 94, vierde lid, Vw is voorgeschreven. Op dit moment is het horen van een vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding in technische en praktische zin vanwege ontbrekende capaciteit (bijna) onmogelijk en verder ook onwenselijk, gelet op alle maatregelen die de overheid heeft getroffen in verband met het tegengaan van de verdere verspreiding van het Coronavirus en het dringende advies tot het bewaren van onderlinge afstand (social distancing) dat ook de rechtbank, de betreffende detentie-instelling en de verder betrokken personen, waaronder de tolk, in acht moeten nemen. Daarbij is van belang dat er geen grond is voor de verwachting dat deze beletselen zich binnen afzienbare tijd niet meer zullen voordoen.

2.1

De omstandigheid dat eiser niet is gehoord in verband met de maatregel van bewaring, vormt echter geen aanleiding voor gegrondverklaring van het beroep. Hoewel het recht van een vreemdeling om te worden gehoord in verband met zijn bewaringsprocedure een zeer belangrijk recht is, is het niet absoluut. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM; zie bijvoorbeeld de arresten van 24 oktober 1979, app.no. 6301/73 (Winterwerp), van 21 oktober 1986, app.no. 9862/82 (Sanchez-Reisse) en 17 januari 2012, app.no. 36760/06 (Stanev) kan worden afgezien van het horen van een persoon aan wie de vrijheid is ontnomen, voor zover rekening wordt gehouden met zijn rechten op grond van artikel 5 EVRM.

De rechtbank wijst verder op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; uitspraak van 17 juni 2004, 200404027/1), waaruit kan worden afgeleid dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van het oproepen en horen van de vreemdeling. In deze uitspraak heeft de Afdeling namelijk als volgt geoordeeld:

“2.3 Vaststaat dat de rechtbank appellant op de voet van artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 heeft opgeroepen om in persoon ter zitting van de rechtbank te verschijnen. Derhalve was de vreemdeling op grond van artikel 8:27, eerste lid, van de Awb, verplicht te verschijnen, waartoe hij diende te worden aangevoerd. Indien de vreemdeling niet wordt aangevoerd en daardoor in strijd met zijn in laatstgenoemde bepaling neergelegde verplichting niet verschijnt, dient de rechtbank, alvorens uitspraak te doen op het beroep van de vreemdeling zonder dat zij deze gehoord heeft, zich ervan te vergewissen waarom de vreemdeling niet is verschenen. In aanmerking genomen het karakter van de voorliggende maatregel betekent dit naar het oordeel van de Afdeling in dit geval dat de rechtbank bij het bevoegde gezag van de inrichting of de afdeling waar appellant verblijft, nader had moeten informeren naar de aard en ernst van het besmettingsgevaar.”

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich nu een zodanig bijzondere situatie voor, dat gerechtvaardigd is dat van het horen in persoon in het algemeen wordt afgezien. Gelet op het feit dat als gevolg van van overheidswege ingesteld landelijk beleid wordt afgezien de vreemdeling te laten vervoeren en zitting in het openbaar te houden, om op deze wijze besmettingsgevaar in te dammen, ziet de rechtbank geen aanleiding in elk specifiek geval navraag te doen naar de aard en ernst van het besmettingsgevaar.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de rechten van eiser in de gegeven uitzonderlijke situatie voldoende gewaarborgd zijn doordat de rechtbank zijn gemachtigde in staat heeft gesteld om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat eiser voor de zitting op de hoogte is gesteld van de aangepaste maatregelen en hij zich ook hierover heeft kunnen uitlaten. Uit de eerdergenoemde jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder het arrest Sanchez-Reisse, punt 51, volgt dat hiermee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 5 EVRM, gelezen in combinatie met artikel 6 EVRM. Het niet in persoon horen van eiser is dan ook geen reden voor gegrondverklaring van het beroep.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Zo heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser heeft zich niet ongedocumenteerd gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Zware grond 3d kan hem daarnaast niet worden tegengeworpen op grond van het gebruik maken van een vals paspoort. Eiser is sinds zijn staandehouding aan de grens gehoord en heeft daarbij in voldoende mate meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. In zijn asielprocedure heeft verweerder ook aangegeven eiser in zijn verklaringen hieromtrent te volgen. Ten aanzien van de zware grond 3f stelt verweerder ten onrechte dat eiser een nieuw document had kunnen aanvragen bij de ambassade van Bangladesh in Zuid-Afrika nadat zijn werkgever zijn paspoort had ingenomen. Het is ook speculatief of de ambassade van Bangladesh daadwerkelijk een paspoort zou hebben verstrekt aan eiser. Daarnaast is het niet aanvragen van een nieuw document, passief, een nalaten, terwijl het zich ontdoen van een document actief is, een handeling. Het feit dat eiser geen nieuw paspoort heeft aangevraagd betekent niet dat hij zich heeft ontdaan van zijn paspoort. Eisers asielaanvraag is daarnaast inderdaad afgewezen als kennelijk ongegrond in de grensprocedure, maar dat betwist eiser. Hij heeft beroep tegen deze beslissing ingediend. Het is derhalve de vraag of zware grond 3j overeind blijft in de nabije toekomst. Ten aanzien van de lichte gronden voert eiser aan dat grond 4a uitsluitend is onderbouwd door te wijzen op het feit dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Bangladesh. Dat kan deze grond niet dragen, nu eiser op dit moment ook nog niet hoeft terug te keren. Hij heeft nog het recht om beroep aan te tekenen en het beroep te laten beoordelen door de rechter. Wat de andere lichte gronden betreft, betwist eiser niet dat hij niet beschikt over een vast adres of middelen van bestaan. Daarin verschilt hij niet van andere asielzoekers die wel van het AC Schiphol worden geplaats in een Asielzoekerscentrum alwaar zij worden gehuisvest en in hun levensonderhoud worden voorzien.

4.1

De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond 3j in het kader van de bewaring niet betwist en evenmin de lichte gronden 4b en 4c. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze gronden voldoende feitelijk heeft toegelicht en heeft voorzien van een nadere toelichting als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829). Nu deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, zal de rechtbank hetgeen door eiser is aangevoerd tegen de overige gronden en verweerders reactie daarop in het verweerschrift onbesproken laten.

5. Eiser voert voorts aan dat een toepassing van een lichter middel, namelijk plaatsing in een AZC alwaar een wekelijkse meldplicht geldt, is geïndiceerd. De detentie valt eiser zwaar en hij is bang om in detentie, alwaar het moeilijk is om afstand te houden van anderen, slachtoffer te worden van het Coronavirus. Dat weegt zwaarder dan het belang van verweerder. Of verweerder eiser binnen korte termijn zal kunnen uitzetten is zeer twijfelachtig vanwege het Coronavirus en het probleem van besmetting van ingeslotenen is voor verweerder zeer problematisch.

5.1

Eiser heeft bij de oplegging van de maatregel geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel. Verweerder heeft in zijn reactie op eisers beroepsgrond dat hij vreest slachtoffer te worden van het Coronavirus, toegelicht welke maatregelen er door de Dienst Justitiële Inrichtingen zijn getroffen om de gezondheid van gedetineerden te beschermen en verspreiding van het virus binnen de inrichtingen te voorkomen. Dit geldt ook voor detentiecentrum Rotterdam waar eiser verblijft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze toelichting voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat eiser een lichter middel op te leggen. Indien eiser meent dat deze maatregelen niet goed worden uitgevoerd, dan wel tekortschieten, kan hij zich bovendien wenden tot de directie van detentiecentrum Rotterdam. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.