Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3085

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
NL20.6463
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, vervolgberoep, ongegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6463


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 8 februari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft op 16 en 20 maart 2020 gronden van beroep ingediend.

De rechtbank heeft partijen op 25 maart 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus gevraagd om de beroepsgronden en het verweer zoveel mogelijk schriftelijk in te dienen. Daarnaast heeft de rechtbank partijen gevraagd te laten weten of zij de zaak schriftelijk of via een telefonische verbinding willen laten behandelen.

Verweerder heeft op 26 maart 2020 gereageerd op eisers beroepsgronden.

Partijen hebben aangegeven dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. De rechtbank heeft vervolgens, omdat zij geen nadere vragen aan partijen had, besloten het onderzoek te sluiten op 30 maart 2020

Overwegingen

1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 maart 2020 (in de zaak NL20.3731) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat de rechtbank op 10 maart 2020 een tussenuitspraak heeft gedaan in zijn asielzaak en dat de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegewezen. Er is bepaald dat eiser zijn beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Anders dan verweerder in het vertrekgesprek van 12 februari 2020 en ter zitting in zijn asielzaak heeft gesteld, worden nu wel uitzettingshandelingen verricht door de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser en een afspraak voor een presentatie in persoon op de ambassade. De beroepsprocedure loopt nog, zodat sprake is van schending van het non-refoulementbeginsel. Eiser heeft immers aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging van de zijde van de autoriteiten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op verweerders beleid zoals neergelegd in paragraaf A3/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en het arrest Gnandi (ECLI:EU:C:2018:465). Hieruit volgt volgens eiser dat de rechtgevolgen van het terugkeerbesluit niet intreden zolang een rechter niet heeft beslist op het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder heeft niet de bevoegdheid eiser uit te zetten hangende de beroepsprocedure en eiser behoudt gedurende die periode ook zijn status van asielzoeker. Uitzettingshandelingen zijn dan aan te merken als gevolgen van het terugkeerbesluit en dienen te worden geschorst totdat is beslist in de beroepsprocedure.

4.1

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat door deze rechtbank en zittingsplaats op 27 maart 2020 einduitspraak is gedaan is eisers asielzaak (NL20.3724). Eisers beroep is daarbij gegrond verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Hoewel de presentatie van eiser op de ambassade kan worden gezien als een uitzettingshandeling (zie ECLI:NL:RBDHA:2018:11253), is deze presentatie in het onderhavige geval gecanceld vanwege het coronavirus. Een beoordeling door de rechtbank hierover ten aanzien van de bewaring is dus niet (meer) aan de orde. Indien eiser meent dat reeds door de planning van deze presentatie sprake is van schending van het beginsel van non-refoulement, kan hij dit in zijn asielzaak naar voren brengen. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. In de tussenuitspraak is immers bepaald dat zijn nationaliteit vast staat, dus nader onderzoek daarnaar is niet meer nodig. Er wordt sinds 12 februari 2020 ook geen onderzoek meer verricht naar de identiteit van eiser. Voorts mogen er door de toegewezen voorlopige voorziening geen uitzettinshandelingen worden verricht en is een meewerkverplichting aan uitzetting in strijd met de voorlopige voorziening.

Eiser voert voorts aan dat er geen concreet zicht is op uitzetting, nu hij niet mag worden uitgezet zolang de beroepsprocedure nog loopt. Hij wijst in dit verband op considerans 16 bij Richtlijn 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn). Er moet op grond van artikel 9 van deze richtlijn worden getracht de bewaring zo kort mogelijk te laten duren.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals verweerder terecht heeft gesteld volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is (zie de uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552). Daaruit volgt dat verweerder bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting (zie de uitspraak van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271).

5.2

Voor zover eiser in zijn aanvullende gronden heeft aangevoerd dat er geen sprake is van zicht op uitzetting of van voldoende voortvarend handelen, nu er geen vertrekgesprekken meer worden gevoerd in verband met het coronavirus er ook geen uitzettingen plaatsvinden omdat er geen vluchten gaan, overweegt de rechtbank dat dit het voorgaande niet anders maakt. Hoewel er niet/weinig kan worden gevlogen vanwege het coronavirus en op dit moment nog onduidelijk is hoelang de huidige maatregelen ter bestrijding van (de verspreiding van) het coronavirus zullen duren, zijn de uitzettingsbelemmeringen naar hun aard tijdelijk. Indien de situatie dat tijdelijk niet tot uitzetting kan worden overgegaan, te lang gaat voortduren, kan eiser de zaak opnieuw voorleggen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert aan dat toepassing van een lichter middel op zijn plaats is, gelet op considerans 20 bij de Opvangrichtlijn. Van belang hierbij is dat er geen risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hij mag zijn procedure in Nederland afwachten en zal dat ook doen. Hij kan worden overgeplaatst naar een AZC om daar zijn verdere procedure af te wachten. Eventueel kan er een dagelijkse meldplicht worden opgelegd in het AZC.

6.1

De rechtbank heeft zich in de zaak NL20.3731, waarin eisers vorige beroep tegen deze maatregel van bewaring is beoordeeld, reeds uitgelaten over het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.