Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3068

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
NL20.6630
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:1092, Niet bevoegd
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring. Vervolgberoep. Niet uiterlijk veertiende dag op zitting behandeld. Corona. Overschrijding gerechtvaardigd. Bijzondere omstandigheden. Zicht op uitzetting. Voortvarendheid. Lichter middel. Ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6630


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 31 januari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

De rechtbank heeft partijen op 25 maart 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus gevraagd om de beroepsgronden en het verweer zoveel mogelijk schriftelijk in te dienen. De rechtbank heeft partijen daarnaast gevraagd zich telefonisch beschikbaar te houden op het moment van de zitting.

Eiser heeft op 18 maart 2020 de beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 27 maart 2020 een reactie op de beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft de gemachtigden op 30 maart 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 februari 2020 (in de zaak NL20.2710) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, te weten 10 februari 2020, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert allereerst – naar de rechtbank begrijpt – aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring met ingang van 27 maart 2020 onrechtmatig is, omdat niet uiterlijk de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift (dat is ontvangen op 13 maart 2020) door de rechtbank is gehoord. Dit is in strijd met artikel 96 van de Vw, dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083, naar analogie van toepassing heeft geacht op vervolgberoepen.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat die jurisprudentie op dit moment vanwege de Coronacrisis niet geldt. Daardoor is het niet mogelijk om de vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding te horen, waardoor thans de schriftelijke standpunten zijn uitgewisseld. Bovendien betreft het een vervolgberoep. Eiser hoeft dus niet binnen veertien dagen te worden gehoord.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw, de rechtbank binnen een week na ontvangst van het beroepschrift het vooronderzoek moet sluiten. Op grond van artikel 96, tweede lid, van de Vw, doet de rechtbank binnen zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak. Artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet is op de in artikel 96, eerste lid, van de Vw gestelde termijn van toepassing.

4.3

Uit rechtsoverweging 5.3 van de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling blijkt het volgende:

“5.3. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 moet de rechtbank binnen een week na ontvangst van het beroepschrift het vooronderzoek sluiten. Ingevolge artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000 doet de rechtbank binnen zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak. Artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet is op de in artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van toepassing.

Indien de rechtbank besluit het beroep ter zitting te behandelen, moet zij het beroep in beginsel binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift ter zitting behandelen (zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5012).”.

4.4

Uit de voornoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 augustus 2001, blijkt uit rechtsoverweging 2.8 het volgende:

“2.8 In de onderhavige zaak heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden op de zevenentwintigste dag na ontvangst van de kennisgeving, zodat de hiervoor genoemde termijn met dertien dagen is overschreden. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan een langere termijn in acht zou moeten worden genomen.”.

4.5

In dit geval heeft de rechtbank het vooronderzoek niet binnen een week na ontvangst van het beroepschrift gesloten. De rechtbank heeft besloten het beroep ter zitting te behandelen. Deze behandeling ter zitting heeft (telefonisch) op 30 maart 2020 plaatsgevonden, terwijl dit in beginsel uiterlijk op 27 maart 2020 (14 dagen na ontvangst beroepschrift) had moeten plaatsvinden. Anders dan in de uitspraak van 23 augustus 2001, ziet de rechtbank in dit geval wel aanleiding voor het oordeel dat er vanwege de maatregelen die genomen zijn in verband met (de verspreiding van) het Coronavirus sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de rechtbank het beroep in beginsel binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift ter zitting moet behandelen.

Zoals deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 27 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2850, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), heeft geoordeeld is het horen van een vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding in technische en praktische zin vanwege ontbrekende capaciteit (bijna) onmogelijk en verder ook onwenselijk. Dit gelet op alle maatregelen die de overheid heeft getroffen in verband met het tegengaan van de verdere verspreiding van het Coronavirus en het dringende advies tot het bewaren van onderlinge afstand (social distancing) dat ook de rechtbank, de desbetreffende detentie-instelling en de verder betrokken personen, waaronder de tolk, in acht moeten nemen. Ook ten aanzien van de eerste beroepen heeft deze rechtbank geoordeeld, dat zich nu een zodanig bijzondere situatie voordoet, dat gerechtvaardigd is dat van het horen van een vreemdeling in persoon in het algemeen wordt afgezien. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 26 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2749, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

De rechtbank heeft vervolgens bekeken op welke manier de rechten van eiser in de gegeven uitzonderlijke situatie, nog wel zoveel als mogelijk gewaarborgd kan worden. Dit heeft de uiteindelijke behandeling van deze zaak enige tijd vertraagd. De rechtbank heeft ervoor gekozen om in zaken zoals de onderhavige, partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten schriftelijk naar voren kunnen brengen en/of een telefonische behandeling van de zaak te laten plaatsvinden (middels een conference call). Bij brief van 25 maart 2020 is aan partijen gevraagd waar hun voorkeur naar uitgaat. Eiser heeft diezelfde dag aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar een telefonische behandeling. Deze heeft vervolgens zoals aangekondigd op 30 maart 2020 plaatsgevonden.

Gelet op deze uitzonderlijke situatie, die van de rechtbank ook aanpassing vergde van de normale werkwijze en normale zaaksbehandeling bij de rechtbank, acht de rechtbank een overschrijding van de termijn van horen met drie dagen gerechtvaardigd.

De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans ontbreekt gelet op de ontwikkelingen rondom het Coronavirus. Verweerder heeft alle uitzettingshandelingen opgeschort en Marokko heeft zijn luchtruim voor vluchten van en naar Nederland gesloten. Op korte termijn zal hier geen verandering in komen. Verder stelt eiser dat het zicht op uitzetting ten aanzien van Marokko in zijn algemeenheid ontbreekt, omdat de kans dat de Marokkaanse autoriteiten binnen de redelijke termijn een laisser passer (lp) zullen afgeven gelet op de verslechterde verstandhouding tussen Nederland en Marokko klein is. Marokko werkt ook niet mee aan (gedwongen) terugkeer. Weliswaar kan in dit kader worden verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5787, waaruit het totaal aantal afgegeven lp’s door de Marokkaanse autoriteiten blijkt, maar in deze uitspraak wordt onvoldoende rekening gehouden met de verhouding tussen het aantal lp-aanvragen ten opzichte van de daadwerkelijk afgegeven lp’s. Er zijn tussen 2018 en 2019 220 lp-aanvragen gedaan, waarvan maar 15 lp’s zijn afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten.

5.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vanwege het Coronavirus en in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Hoewel er niet op korte termijn naar Marokko kan worden gevlogen vanwege het Coronavirus en op dit moment nog onduidelijk is hoelang de huidige maatregelen ter bestrijding van (de verspreiding van) het Coronavirus zullen duren, zijn de uitzettingsbelemmeringen naar hun aard tijdelijk. Daarbij komt dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen. Zoals verweerder ook op de telefonische zitting heeft gesteld, is eiser op dit moment ongedocumenteerd. Daarom zal eerst de nationaliteit van eiser vastgesteld moeten worden en een vervangend reisdocument moeten worden verkregen, alvorens voor hem een vlucht kan worden geboekt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser de duur van de maatregel zelf kan bekorten door zijn volledige medewerking te verlenen en zelf contact op te nemen met de autoriteiten van zijn land van herkomst of familie aldaar en te verzoeken om afgifte van documenten. Dit heeft hij niet gedaan. Dat eiser de nationaliteit heeft van een land dat geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer, zoals eiser stelt, kan evenmin worden gevolgd. In de eerste plaats omdat de door eiser gestelde Marokkaanse nationaliteit (nog) niet vaststaat. Maar ook als eiser de Marokkaanse nationaliteit zou hebben, dan zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Marokko in algemene zin weigert lp’s te verstrekken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460 volgt dat daarvoor geen aanknopingspunten aanwezig zijn. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

5.2

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting naar Marokko op een zodanige manier ontbreekt dat tot opheffing van de maatregel dient te worden overgegaan. Vast staat dat de redelijke termijn ten aanzien van de maatregel op dit moment nog niet in het geding is. Indien de situatie dat tijdelijk niet tot uitzetting kan worden overgegaan te lang gaat voortduren, kan eiser de zaak opnieuw voorleggen.

6. Voorts voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft sinds het laatste beroep slechts één keer gerappelleerd op 26 februari 2020 en één vertrekgesprek met eiser op 18 februari 2020 gevoerd. Bovendien heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om het dossier van eiser nog extra onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.

6.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij, mede gezien het feit dat eiser niet meewerkt, voldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft immers op 18 februari 2020 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 26 februari 2020 en 18 maart 2020 schriftelijk bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangegeven dat er wordt onderzocht of ten aanzien van de vertrekgesprekken met schriftelijke vragenlijsten gewerkt kan worden en dat het feit dat presentaties in persoon vanwege het Coronavirus niet mogelijk zijn, nog niet wil zeggen dat deze niet binnen een korte termijn in al dan niet aangepaste vorm weer plaats zullen gaan vinden. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook in een later stadium van de bewaring niet is overgegaan tot het toepassen van een lichter middel, bijvoorbeeld toezicht en borgtocht. Verweerder dient een belangenafweging te maken.

7.1

De rechtbank overweegt dat verweerder reeds in de maatregel van bewaring van 31 januari 2020 heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel dan de maatregel van bewaring doeltreffend kan worden toegepast. In de

uitspraak van 14 februari 2020 (NL20.2710) heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Eiser heeft in dat kader geen nieuwe (medische) omstandigheden aangevoerd. Daarbij komt dat niet is gebleken dat niet langer sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, nu eiser in het laatste vertrekgesprek van 18 februari 2020 heeft verklaard dat hij niet mee gaat werken aan zijn terugkeer.

Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld, dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitpakt. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat geen risico op onttrekking aan het toezicht bestaat omdat de mogelijkheden tot verplaatsen vanwege het Coronavirus nu beperkt zijn. Dit neemt namelijk niet weg dat eiser zich in Nederland aan het toezicht kan onttrekken door bijvoorbeeld onder te duiken. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus wordt deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.