Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3064

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/7456
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na terugwijzing. Asiel, moslim uit Myanmar, niet zijnde Rohingya.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7456

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Myanmarese nationaliteit,

V-nummer: [#] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Saglik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 mei 2019, zaaknummer NL19.1804, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard.

Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Bij uitspraak van 25 september 2019, zaaknummer 201903718/1/V2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2019 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Op 29 december 2019 heeft eiser een schriftelijke reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

  1. Eiser is van Myanmarese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 5 januari 2019 een asielaanvraag ingediend.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in [locatie] , Myanmar, werd gediscrimineerd als moslim zijnde, behorend tot de Chulia bevolkingsgroep. Zo is hij van school gestuurd, kon hij op zijn 18de jaar geen identiteitskaart krijgen en was het voor hem moeilijk om goed betaald werk te vinden. Eiser heeft voorts verklaard dat hij in januari 2018 door twee jongens werd geslagen toen ze hem aan het werk zagen als voetballer. Eiser werd op zijn been en voet geslagen en heeft tien dagen niet kunnen werken. Ook is in november 2018 in de winkel waar hij werkte en hij ’s nachts met een collega sliep ingebroken en is de winkel totaal vernield. Eiser herkende een groep van vier of vijf personen van gezicht. Zij hebben hem met de dood bedreigd als hij hen zou verraden, waarna eiser is weggerend. Eisers baas wilde weten wie deze vernieling had verricht en wilde hem dwingen als ooggetuige naar de politie gaan. Eiser is ondergedoken omdat hij bang was hierdoor bij de bende in de problemen te komen en door de politie als dader te worden gezien. Eiser is vervolgens uit Myanmar vertrokken.

  3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante

elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- incident in november 2018; en

- overige problemen vanwege etniciteit, huidskleur en geloof.

Verweerder vindt de eisers identiteit, herkomst en nationaliteit geloofwaardig. De verklaringen van eiser dat hij als moslim gediscrimineerd wordt vanwege zijn etniciteit vindt verweerder ook geloofwaardig. Het incident dat plaatsvond in november 2018 vindt verweerder echter niet geloofwaardig.

4. In de uitspraak van 6 mei 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de groep waar eiser toe behoort, namelijk moslims niet zijnde Rohinya, niet is aangewezen als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep en heeft het beroep van eiser daarom gegrond verklaard.

5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 september 2019 geoordeeld dat de rechtbank niet de volledige motivering van verweerder waarom moslims, niet zijnde Rohinya, niet zijn aangemerkt als risicogroep of kwetsbare minderheid, heeft getoetst. Verweerder heeft in beroep een pleitnota van de zitting bij de Afdeling op 9 augustus 2018 (in andere zaken) ingebracht waarin hij onder andere motiveert waarom hij geen reden ziet om moslims, niet zijnde Rohinya, aan te wijzen als een groep die systematisch wordt vervolgd of een reëel risico loopt op ernstige schade, dan wel deze groep aan te merken als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. De rechtbank heeft deze motivering niet kenbaar bij haar oordeel betrokken, zo overweegt de Afdeling.

6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de groep waartoe eiser behoort, zijnde moslim, niet is aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep. Ook hetgeen in pleitnota van 9 augustus 2018 is opgenomen is een onvoldoende draagkrachtige motivering voor het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om moslims in Myanmar als risicogroep dan wel kwetsbare minderheidsgroep aan te wijzen. Eiser verwijst naar de volgende stukken:
- het bericht ‘Rohingya Crisis Stokes Fears of Myanmar's Muslims’ van Inter Press Service van 24 oktober 2017;
- het ‘Annual Report 2017/18’ van Amnesty International van 22 februari 2018;
- het ‘Country Report on Human Rights Practices for 2017’ van het United States Department of State van 20 april 2018;
- het ‘International Religious Freedom report for 2017’ van het United States Department of State van 29 mei 2018; en
- het rapport ‘We will destroy everything: Military responsibility for crimes against humanity in Rakhine State’ van Amnesty International van 27 juni 2018.
Uit deze landeninformatie volgt dat moslims in Myanmar ernstig worden gediscrimineerd.
Ook volgt hieruit dat sprake is van wijdverbreide maatschappelijke en gouvernementele discriminatie van minderheden op gebieden als onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid en toegang tot gezondheidszorg. Internationale waarnemers hebben grote loonverschillen geconstateerd op basis van religieuze en etnische achtergronden. Verweerder heeft deze informatie ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken, aldus eiser.

6.1

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar actuele rapporten en landeninformatie op het standpunt dat hij in de situaties van moslims in Myanmar geen aanleiding ziet moslims, niet zijnde Rohinya, aan te merken als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Hoewel aanhangers van de islam te maken hebben met discriminatie door medeburgers en ook de autoriteiten administratieve obstakels opwerpen die het uitoefenen van andere religies dan het boeddhisme bemoeilijken, gaat dit nog niet zover dat het noodzakelijk wordt geacht bijzonder beleid te voeren ten aanzien van deze groep.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, onder verwijzing naar de pleitnota van de zitting van 9 augustus 2018 bij de Afdeling, voldoende heeft gemotiveerd waarom moslims, niet zijnde Rohinya niet zijn aangemerkt als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Op grond van paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kan verweerder een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan verweerder een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep. Op grond van paragraaf C2/3.3 van de Vc is voor het aanmerken van een kwetsbare minderheidsgroep in een land van herkomst onder meer van belang of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in (een bepaald gebied van) het land.

6.3

Uit de door verweerder in de pleitnota aangehaalde en de door de Afdeling in de uitspraak van 14 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4027) beoordeelde informatie komt het volgende naar voren. Anders dan Rohinya, worden moslim minderheden in Myanmar erkend. Voor in Myanmar woonachtige mensen, anders dan Rohinya, is sprake van een laag niveau van officiële of maatschappelijke discriminatie op basis van ras of etniciteit. Religie is in Myanmar veelal verweven met etniciteit. Daarmee is het niet altijd duidelijk of discriminatoire handelingen enkel religieuze achtergronden hebben. Myanmar kent geen staatsgodsdienst, maar het boeddhisme heeft wel een speciale status. Andere geloven, waaronder de islam en het christendom, worden echter erkend. Deze andere godsdiensten worden veelal geconfronteerd met door de autoriteiten opgelegde restricties, iets waarmee sommige stromingen van het boeddhisme ook te maken kunnen krijgen. De beperkingen waarmee met name andere godsdiensten van de zijde van de al dan niet lokale autoriteiten te maken kunnen krijgen zijn vaak van administratieve aard. Bewegingsvrijheid kan worden beperkt, er worden nauwelijks vergunningen verstrekt voor de bouw of restauratie van moskeeën en kerken en er is sprake van discriminatie op de arbeidsmarkt. In Myanmar kan echter wel islamitisch onderwijs worden gevolgd en is het bouwen van kleine moskeeën op niet prominente plekken toegestaan. Voorts is er een dialoog tussen de verschillende religieuze groeperingen en kiezen de autoriteiten niet altijd de kant van boeddhisten. Moslims, niet zijnde Rohinya, vormen een klein deel van de bevolking en wonen verspreid in Myanmar. Volgens het 2016 Human Rights Reports van het US Department of State is sprake van maatschappelijk geweld en anti-moslim sentimenten en discriminatie. Moslims klagen over discriminatie door de politie, druk om de islam alleen privé uit te oefenen en moeilijkheden om aan identiteitsdocumenten te komen. Deze restricties zijn echter niet van dien aard dat het niet mogelijk is de islam te praktiseren.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de onder 6.3 weergeven motivering voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van dusdanig ernstige beperkingen van bestaansmogelijkheden van moslims, niet zijnde Rohinya, dat het in Myanmar niet mogelijk is om als etnische en religieuze minderheid maatschappelijk en sociaal te functioneren. Hoewel er sprake is van restricties zijn deze niet van dien aard dat het niet mogelijk is de islam te praktiseren. Voor zover eiser heeft verwezen naar informatie die verweerder niet bij de beoordeling heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel dat deze informatie geen wezenlijk ander beeld schetst. Verweerder heeft voldoende draagkrachtig gemotiveerd dat daarom geen aanknopingspunten bestaan om moslims in Myanmar als een risicogroep dan wel kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser lange tijd zonder problemen in Myanmar heeft kunnen wonen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder het incident in 2018 ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Er is geen sprake van tegenstrijdige verklaringen.

7.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser over het incident dat heeft plaatsgevonden in november 2018 niet concreet heeft verklaard. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij als dader van het incident wordt gezien, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat zijn baas hem slechts als ooggetuige heeft gemeld bij de politie. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij als dader wordt gezien slechts is gebaseerd op vermoedens. Verweerder heeft in dit verband ook van belang kunnen achten dat eiser zijn paspoort, waarmee hij legaal het land is uitgereisd, heeft beschadigd. Dit kan hem worden aangerekend. Eiser had met een volledig en ongeschonden paspoort zijn uitreis kunnen onderbouwen. Nu eiser niet heeft kunnen verklaren wanneer hij het land heeft verlaten, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet wordt gevolgd in zijn verklaring dat hij ondergedoken heeft moeten zitten alvorens te vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat hij heeft verklaard dat hij de dienstplicht heeft ontdoken en dat dit bij terugkeer problemen gaat opleveren. Dit is een motiveringsgebrek.

8.1

De rechtbank stelt vast dat zich verweerder in het bestreden besluit niet heeft uitgelaten over de gestelde ontduiking en niet heeft gemotiveerd wat de gestelde ontduiking van de dienstplicht voor gevolgen voor eiser met zich meebrengt. Verweerder heeft dit ook toegegeven. Dit levert een motiveringsgebrek op. Gelet hierop is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
De rechtbank kan verweerder immers volgen in het in beroep ingenomen standpunt dat geen sprake is van ontduiking van de dienstplicht. Niet is gebleken dat dat eiser een persoonlijke oproep heeft gekregen, zodat van ontduiking geen sprake is. Ook is niet gebleken dat eiser door de autoriteiten wordt gezocht wegens het gesteld ontduiken van de dienstplicht. Nu eiser niet heeft onderbouwd dat hij de dienstplicht heeft ontdoken en ook zijn stelling dat moslims niet terugkomen van de dienstplicht niet heeft onderbouwd, heeft verweerder dit niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden en dit onderdeel dan ook niet hoeven betrekken in de beoordeling van de zwaarwegendheid.

8.2

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd en wat door verweerder geloofwaardig is bevonden, geen aanleiding geeft om eiser als vluchteling in het kader van het Vluchtelingenverdrag aan te merken. Hoewel verweerder geloofwaardig heeft bevonden dat eiser problemen heeft gehad die verband houden met zijn geloof en etniciteit, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze niet zodanig zijn dat dit moet leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn problemen met zijn etniciteit, huidskleur of geloof, zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden is bedreigd dat hij op sociaal en maatschappelijke niveau niet heeft kunnen functioneren. Eiser heeft immers een betaalde baan gehad en kon tegen betaling voetballen. Eiser heeft scholing genoten, heeft onderdak gehad en had een sociale kring. Ook had eiser kosteloos toegang tot (enige vorm van) medische zorg. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.575,- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald rechter, in aanwezigheid van mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.