Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3057

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
NL20.4594
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Het verzoek om de beroepszaak aan te houden totdat duidelijk is wat het coronavirus teweeg heeft gebracht voor de opvangvoorzieningen en asielprocedure in Italië wordt afgewezen. De informatie uit het aangehaalde rapport van SFH/OSAR is al betrokken in jurisprudentie van de Afdeling. Het beroep op de interim measures van het EHRM slaagt niet, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in een vergelijkbare kwetsbare positie bevindt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4594


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Guineese nationaliteit te hebben.

1.1

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Italië op grond van de Dublinverordening (nr.604/2013) verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vast is komen te staan.

2. Eiser heeft ter zitting verzocht om de behandeling van de beroepszaak aan te houden totdat duidelijk is wat het coronavirus teweeg heeft gebracht voor de opvangvoorzieningen en asielprocedure in Italië. Duidelijk is dat feitelijke uitzettingen op dit moment niet mogelijk zijn.

2.1

Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Zoals verweerder ter zitting ook naar voren heeft gebracht is er op dit moment namelijk geen informatie waaruit blijkt dat de asielprocedure of de opvangvoorzieningen door het coronavirus onder druk zijn komen te staan of komen te staan. De feitelijke overdracht zal ook niet plaatsvinden zolang Italië dit niet accepteert. Indien bij de feitelijke overdracht wel informatie bekend is op grond waarvan eiser meent dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zal hij dat in een procedure bij de rechtbank aan de orde kunnen stellen.

3. Eiser voert verder – in de kern – aan dat verweerder niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een aantal interim measures die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft gewezen in zaken waarin Dublinoverdrachten naar Italië aan de orde zijn. Verder verwijst eiser naar het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020.1

3.1

Verweerder handhaaft zijn standpunt dat al verwoord is in het bestreden besluit . Dit standpunt houdt in dat eiser met de door hem ingebrachte stukken en stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat ernstige, op feiten beruste gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) indien hij wordt overgedragen aan Italië.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt.

3.2.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in verschillende uitspraken de bij haar bekende informatie over de situatie in Italië beoordeeld en heeft op grond van die informatie geconcludeerd dat ten aanzien van Italië in het algemeen uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel (onder meer de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131; 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861 en 1 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2663).

3.2.2

Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door eiser ingebrachte algemene informatie en naar voren gebrachte stellingen, niet afdoen aan deze conclusie van de Afdeling, gelet op het navolgende.

3.2.3

Het rapport van SFH/OSAR waarnaar eiser heeft verwezen beschrijft onder meer dat de kwaliteit van opvangvoorzieningen van Dublinterugkeerders (de CARA- en CAS-opvang) sterk varieert en dat het niveau van de aangeboden voorzieningen van een absoluut minimum is. Dit heeft vooral te maken met de bezuinigingen door de Italiaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het rapport dat Dublinterugkeerders moeilijkheden ervaren bij het verkrijgen van toegang tot de opvang. Dit komt mede door de bevoegdheden van lokale autoriteiten om opvang te onthouden aan Dublinterugkeerders die eerdere opvang zonder voorafgaande melding hebben verlaten of deze vanwege het schenden van de huisregels hebben moeten verlaten. Deze informatie is echter al in eerdere openbare bronnen naar voren gekomen, zoals in het rapport van AIDA van april 2019.2 De Afdeling heeft deze informatie of vergelijkbare informatie over de toegang en kwaliteit van opvang (waaronder de gezondheidsvoorzieningen) en de asielprocedure van vreemdelingen en in het bijzonder Dublinterugkeerders, al betrokken bij de totstandkoming van de onder 3.2.1 vermelde uitspraken.

Daar komt bij dat verweerder ter zitting terecht heeft gesteld dat de situatie die wordt beschreven in het rapport van SFH/OSAR van vreemdelingen die de opvang zonder toestemming hebben verlaten, ziet op vreemdelingen die zich nog in de asielprocedure bevinden. Eiser was toen hij is weggegaan echter al uitgeprocedeerd volgens zijn eigen verklaringen.

3.2.4

Met verweerder is de rechtbank het verder eens dat het beroep van eiser op de toegewezen interim measures van het EHRM niet slaagt, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt in een vergelijkbare kwetsbare positie te verkeren als de vreemdelingen op wie de interim measures zien. Eiser heeft gesteld dat hij ziek is en daardoor kwetsbaar. Dit heeft hij echter niet nader onderbouwd (met medische stukken), zodat de gestelde kwetsbaarheid niet kan worden gevolgd.

3.2.5

Daarnaast heeft verweerder terecht gesteld dat van eiser, ingeval hij toch tekortkomingen zal ondervinden, verwacht mag worden dat hij zich wendt tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten, dan wel de geëigende instanties, om over de gestelde tekortkomingen te klagen. Uit de informatie die door eiser is ingebracht blijkt niet dat dit op geen enkele manier mogelijk zal zijn voor eiser.

3.2.6

Er is verder niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser heeft gewezen op het risico dat hij in Italië zal worden blootgesteld aan het coronavirus, heeft verweerder er terecht op gewezen dat feitelijke overdrachten vanwege de uitbraak van het virus niet plaatsvinden, zodat het gestelde risico op dit moment niet aan de orde is.

4. Over eisers beroep op het arrest Jawo 3, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals blijkt uit punt 92 en verder van het arrest Jawo bestaat er een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid voordat wordt aangenomen dat sprake is van een risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval bij overdracht sprake is van een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, waar hij buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om in kan terechtkomen.

5. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ok, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Titel: “Reception conditions in Italy: Updated report on the situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy”.

2 Titel: "Country Report: Italy. 2018 Update".

3 Uitspraak van het Europese Hof van Justitie, vindplaats: ECLI:EU:C:2019:218.