Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2524
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Buitenland bijdrage. Eisers betoog dat er geen sprake is van een civiele overeenkomst tussen hem en verweerder kan niet tot ander oordeel leiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR19/2524

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , Frankrijk, eiser,

en

Centraal Administratie Kantoor, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de definitieve jaarafrekening inzake de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2017 gezonden, waarbij de buitenlandbijdrage voor de Zvw is vastgesteld op € 2.303,31.

Bij besluit van 18 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser woont sinds 14 maart 1997 in Frankrijk en ontvangt thans een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2

Verweerder heeft eiser op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004

(Vo 883/2004) als verdragsgerechtigde aangemerkt en bepaald dat eiser recht heeft op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor de kosten van die zorg is op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering, een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd.

2.1

Bij besluit van 23 november 2018 heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2017 vastgesteld. Daarbij is bepaald dat de buitenlandbijdrage voor het jaar 2017 € 2.303,31 bedraagt. Verweerder heeft reeds een bedrag van € 1.408,33 op eisers AOW-uitkering ingehouden, zodat eiser nog een bedrag van € 894,98 aan verweerder verschuldigd is.

2.2

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser recht heeft op medische zorg in Frankrijk voor rekening van Nederland, zodat eiser voor dit recht een bijdrage is verschuldigd op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw.

3. Eiser voert zakelijk weergegeven aan dat hij geen overeenkomst met verweerder heeft gesloten en dat de civiele rechter de vordering van verweerder daarom dient af te wijzen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Op dit beroep zijn de Vo 883/2004, de Zvw en de Regeling zorgverzekering van toepassing.

Ingevolge artikel 24 van Vo 883/2004 heeft een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gaan wonen, recht op medische zorg in het woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg.

Ingevolge artikel 30 van Vo 883/2004 mag vervolgens het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland.

Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is neergelegd in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling Zorgverzekering.

4.2

De rechtbank heeft hiervoor in overweging 4.1 de in dit geval relevante Europese en Nederlandse regels uiteengezet. Op grond van deze regels is verweerder verplicht aan eiser een buitenlandbijdrage in rekening te brengen.

Over deze regels heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09) overwogen dat de bepalingen van Vo. 1408/71 (thans vervangen door Vo 883/2004) die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels vormen, welke conflictregels dwingend gelden voor de lidstaten. Het is daardoor uitgesloten dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn, de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij ervoor zouden kunnen kiezen zich eraan te onttrekken. Nu sprake is van dwingend recht, is eiser verplicht om over 2017 de buitenlandbijdrage te voldoen.

4.3

Gezien het bovenstaande wordt het betoog van eiser dat hij geen overeenkomst met verweerder heeft gesloten en dat de civiele rechter vanwege het ontbreken van deze overeenkomst de vordering moet afwijzen, verworpen. Het besluit is gebaseerd op dwingend recht en niet op een civiele overeenkomst.

4.4

Omdat eiser verplicht is onderworpen aan deze regelgeving, kan hij ook niet uit de systemen van verweerder worden verwijderd, zoals hij in bezwaar heeft verzocht.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

de griffier is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.