Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
20.7055
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat klachten over de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in beginsel niet kunnen leiden tot het oordeel dat het besluit tot inbewaringstelling onrechtmatig was. Onverminderd het voorgaande overweegt de rechtbank dat bewaring thans bezwarender is ingericht dan voorheen, wat tot uitdrukking kan komen in een te maken weging van belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7055


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).


Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft met ingang van 19 maart 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft op 18 maart 2020 de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 25 maart 2020 gereageerd op de beroepsgronden van eiser.

Gelet op de maatregelen die zijn getroffen bij de Rechtspraak vanwege de Corona uitbraak en ter voorkoming van verdere besmettingen is het onderhavige beroep schriftelijk behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 31 maart 2020.

Overwegingen

  1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
    3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
    3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
    3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
    3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
    3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
    en als lichte gronden vermeld dat eiser:
    4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden;
    4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
    4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd feitelijk juist zijn. Evenmin heeft eiser betwist dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen omdat deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, de conclusie rechtvaardigen dat er in casu een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Derhalve kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewaring onevenredig is vanwege het aangepaste dagprogramma sinds 9 maart 2020 en vanwege het feit dat vanaf 17 maart 2020 geen bezoek meer mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat klachten over de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in beginsel niet kunnen leiden tot het oordeel dat het besluit tot inbewaringstelling onrechtmatig was. Onverminderd het voorgaande overweegt de rechtbank dat bewaring thans bezwarender is ingericht dan voorheen, wat tot uitdrukking kan komen in een te maken weging van belangen. De rechtbank ziet in dit geval echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de inbewaringstelling van eiser tot aan de opheffing op 19 maart 2020 onevenredig bezwarend was. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

5. Eiser heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zicht op uitzetting ontbreekt, nu de Coronacrisis tot gevolg heeft dat veel landen de grenzen hebben gesloten en daarnaast op 16 maart 2020 is bepaald dat er geen terugkeergesprekken meer gevoerd zullen worden door de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Hoewel in verband met het Coronavirus de mogelijkheden tot terugkeer op dit moment beperkt zijn, was ten tijde van de bewaring sprake van een tijdelijke belemmering en bestond geen aanleiding om aan te nemen dat deze tijdelijke belemmering zo lang zou duren dat kon worden gezegd dat uitzetting niet binnen redelijke termijn zou plaatsvinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder heeft aangegeven dat de op 17 maart 2020 geplande persoonlijke presentatie van eiser bij de ambassade van Sri Lanka op 16 maart 2020 door de ambassade is geannuleerd, waardoor ook het boeken van een vlucht en de daadwerkelijke uitzetting nog niet aan de orde was.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.W.M. Bankers, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op: 3 april 2020

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.