Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3017

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
C/09/589762 / KG RK 20-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring.

Aan het wrakingsverzoek van verzoekster – die is benoemd tot en werkzaamheden verricht als bewindvoerder – liggen ten grondslag uitlatingen die door de rechter zijn gedaan tijdens een gesprek dat hij met verzoekster heeft gevoerd in zijn hoedanigheid van coördinerend kantonrechter CBM, en de gevolgen die hij daaraan heeft verbonden. Hij heeft verzoekster voorgedragen voor ontslag als bewindvoerder in al haar zaken bij de rechtbank Den Haag. Die voordracht is bij beschikking afgewezen. Thans is een mondelinge behandeling gepland bij de rechter, waarop aan verzoekster een toelichting zal worden gevraagd op een groot aantal rekeningen en verantwoordingen in diverse bewindzaken van verzoekster.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is hier geen sprake van een procedure als bedoeld in artikel 112, eerste lid, van de Grondwet betreffende de aan de rechterlijke macht opgedragen berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. De procedure valt buiten het bereik van het bepaalde in artikel 36 Rv – de wrakingsbepaling –, nu die bepaling ziet op de dagvaardings- en beroepschriftprocedure in burgerlijke zaken. Verder wordt blijkens artikel 36 Rv de mogelijkheid om wraking te verzoeken toegekend aan ‘een partij’. Verzoekster is geen partij in enig bij de rechtbank aanhangig geschil noch verzoekster of betrokkene in een verzoekschriftprocedure. Een en ander is in lijn met het bepaalde in artikel 6 EVRM.

De wrakingskamer overweegt ten overvloede dat het behoort tot de toezichthoudende taak van de kantonrechter om kritische vragen te stellen en, indien de kantonrechter dat noodzakelijk acht, een voordracht tot ontslag te doen. De wrakingskamer overweegt dat ervan uit moet worden gegaan dat de rechter vanuit zijn professionele beroepshouding de daarop volgende afwijzende beslissing in aanmerking neemt bij zijn toekomstig handelen (voor zover die daarvoor relevant is).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/15

zaak- /rekestnummer: C/09/589762 / KG RK 20-347

Beslissing van 23 maart 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

strekkende tot de wraking van

mr. D. de Loor,

kantonrechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 maart 2020;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 13 maart 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is verschenen:

- verzoekster.

De rechter heeft schriftelijk laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter. Het verzoek betreft niet een bij deze rechtbank aanhangige rechtszaak, maar heeft betrekking op het volgende. Verzoekster is benoemd tot en verricht werkzaamheden als bewindvoerder. Zij heeft daar op 12 november 2019 een gesprek over gehad met de rechter in zijn hoedanigheid van coördinerend kantonrechter CBM (curatele, bewind en mentorschap). Op 26 november 2019 heeft de rechter, handelend in voormelde hoedanigheid, verzoekster voorgedragen voor ontslag als bewindvoerder in al haar zaken bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 13 januari 2020 is (voor zover hier relevant) die voordracht afgewezen. Aan verzoekster is meegedeeld dat op 12 maart 2020 (nadien verplaatst naar 18 maart 2020) bij de rechter een mondelinge behandeling staat gepland, waarop aan verzoekster een toelichting zal worden gevraagd op een groot aantal rekeningen en verantwoordingen in diverse bewindzaken van verzoekster.

2.2.

Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De kantonrechter heeft zich in het verleden ondeugdelijk en vooringenomen uitgelaten over verzoekster. Hij heeft zich niet laten leiden door feiten en heeft de wet niet juist toegepast. Dat is bevestigd door de uitspraak waarin de voordracht van de rechter tot ontslag van verzoekster als bewindvoerder in al haar zaken bij de rechtbank Den Haag is afgewezen. De in maart 2020 geplande zitting kan inhoudelijk gezien worden als een verlengde van de vorige zitting. Aangezien de rechter al heeft aangegeven hoe hij tegen specifiek die werkzaamheden van verzoekster aankijkt die op die zitting aan de orde zullen komen en zijn oordeel daar al over heeft gevormd, is de rechter vooringenomen en heeft verzoekster er geen enkel vertrouwen meer in dat de rechter haar zaak eerlijk zal behandelen. Verzoekster vreest dan ook dat de rechter een nieuwe voordracht tot ontslag zal indienen. Volgens verzoekster valt deze kwestie, anders dan de rechter meent, wel degelijk onder het bereik van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De rechter heeft daarbij primair betoogd dat hij niet gewraakt kan worden, nu hij heeft gehandeld in zijn rol als toezichthoudend kantonrechter en niet als rechter die een beslissing neemt in een geschil tussen partijen. De regeling van artikel 36 Rv is daar volgens de rechter niet voor geschreven. Subsidiair is volgens de rechter geen sprake van bevooroordeeldheid.

3 De beoordeling

3.1.

De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar wrakingsverzoek. Onder verwijzing naar de uitspraak van de wrakingskamer van deze rechtbank van 10 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:4403), overweegt de wrakingskamer daartoe het volgende.

3.2.

Aan de rechterlijke macht is, voor zover hier van belang, blijkens artikel 112, eerste lid, van de Grondwet opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. Aan het wrakingsverzoek van verzoekster liggen ten grondslag uitlatingen die door de rechter zijn gedaan tijdens een met verzoekster gevoerd gesprek en de gevolgen die hij daaraan heeft verbonden, zoals beschreven onder 2.1. Dit een en ander betreft uitlatingen en handelingen van de rechter in zijn hoedanigheid van toezichthoudend kantonrechter. Dit betreft niet een procedure die valt binnen het bereik van genoemd artikellid. Immers, noch de burgerlijke rechten van verzoekster noch een schuldvordering van of op haar zijn in het geding; er is ook geen sprake van de ‘berechting’ van enig geschil. Een voornemen van de rechter om verzoekster te ontslaan in haar lopende zaken moet worden gezien als een bestuurlijke beslissing van (het team kanton van) de rechtbank – in het onderhavige geval gemandateerd aan de kantonrechter in kwestie – in het kader van het door de rechtbank gevoerde beleid ter bevordering van een kwalitatief toereikende en integere samenstelling van het bestand van curatoren, bewindvoerders en mentoren. Dit geldt eveneens indien de toezichthoudende kantonrechter in bewindzaken om (nadere) toelichting op een afgelegde rekening en verwoording vraagt. Ook de op 18 maart 2020 geplande zitting zal gaan om een bespreking waarbij de bewindvoerder aan de toezichthoudend kantonrechter desgevraagd uitleg en inlichtingen kan verschaffen, en kan dus niet leiden tot een door de rechter te nemen beslissing in een te berechten geschil. Deze vaststelling betekent dat de onderhavige procedure buiten het bereik valt van het bepaalde in artikel 36 Rv – de wrakingsbepaling –, nu die bepaling ziet op de dagvaardings- en beroepschriftprocedure in burgerlijke zaken. Bedoelde procedure kan daar, ook wanneer die bepaling in de meest ruime zin wordt opgevat, niet onder worden gebracht.

3.3.

Voorts heeft het volgende te gelden. Blijkens het reeds genoemde artikel 36 Rv wordt de mogelijkheid om wraking te verzoeken toegekend aan ‘een partij’. Blijkens de Memorie van Toelichting (kamerstuk 26 855 no. 3, p. 18) moet dit begrip weliswaar ruim worden opgevat, zodat ook verzoeker en de betrokkene in een verzoekschriftprocedure geacht worden de wraking van een rechter te kunnen verzoeken, maar het zou naar het oordeel van de wrakingskamer te ver voeren wanneer ook aan verzoekster in het onderhavige geval de mogelijkheid om de rechter te wraken zou worden toegekend. Verzoekster is immers geen partij in enig bij de rechtbank aanhangig geschil noch verzoekster of betrokkene in een verzoekschriftprocedure.

3.4.

Een en ander is in lijn met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin het recht op berechting door een onpartijdig gerecht wordt gewaarborgd ‘bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging’. Van geen van beide is in het geval van verzoekster sprake.

3.5.

De wrakingskamer overweegt ten overvloede dat het behoort tot de taak van een bewindvoerder om de belangen van kwetsbare partijen te beschermen en tot die van de kantonrechter om toezicht te houden op de taakvervulling van de bewindvoerder. Bij deze laatstbedoelde toezichthoudende taak hoort het stellen van kritische vragen en, indien de kantonrechter dat noodzakelijk acht, het doen van een voordracht tot ontslag. Over een dergelijke voordracht wordt door een andere rechter beslist. In dit geval heeft dat geleid tot een afwijzing. Deze omstandigheden, die dus inherent zijn aan de toezichthoudende taak van de kantonrechter, leveren onvoldoende aanwijzingen op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert dan wel dat daarmee bij verzoekster de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer overweegt hierbij dat ervan uit moet worden gegaan dat de rechter vanuit zijn professionele beroepshouding de afwijzende beslissing in aanmerking neemt bij zijn toekomstig handelen (voor zover die daarvoor relevant is).

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;

4.2.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:

• verzoekster;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. G.P. Verbeek, R. Cats en O.M. Harms in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.E. Scheers en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.