Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
nl20.7153
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring op grond van artikel 6, derde lid, Vw, beroep ongegrond, corona-maatregelen, langere RVT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7153


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Honing).


Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

In verband met de uitbraak van het coronavirus en om het besmettingsgevaar zoveel mogelijk in te perken, heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 tot en met in eerste instantie 6 april 2020 de rechtbanken te sluiten. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden ziet de rechtbank zich genoodzaakt om bewaringszaken zoveel mogelijk schriftelijk te behandelen. Gedetineerde vreemdelingen worden daarom tijdelijk niet langer opgeroepen om de bewaringszitting bij te wonen en advocaten ontvangen geen uitnodiging voor de bewaringszitting. De vreemdeling via zijn of haar advocaat en verweerder via zijn vertegenwoordiger wordt de keuze voorgelegd in het digitale systeem te laten weten of men de zaak louter schriftelijk of (mede) via een telefonische verbinding wil laten behandelen. De telefonische behandeling vindt dan plaats door middel van een zogenoemde conference call.


Gelet op de keuze van partijen heeft in dit geval een conference call plaatsgevonden op 30 maart 2020 in mondelinge aanwezigheid van de advocaat van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. De rechtbank zal allereerst nader toelichten waarom hij heeft afgezien van het horen van eiseres in persoon, hoewel dat op grond van artikel 94, vierde lid Vw is voorgeschreven. Op dit moment is het horen van een vreemdeling in persoon of via een telehoor-verbinding in technische en praktische zin vanwege ontbrekende capaciteit (bijna) onmogelijk en verder ook onwenselijk, gelet op alle maatregelen die de overheid heeft getroffen in verband met het tegengaan van de verdere de verspreiding van het Corona-virus en het dringende advies tot het bewaren van onderlinge afstand (social distancing). Ook de rechtbank, de betreffende detentie-instelling en de verder betrokken personen, waaronder de tolk, moeten die onderlinge afstand in acht nemen. Daarbij is van belang dat er geen grond is voor de verwachting dat deze beletselen zich binnen afzienbare tijd niet meer zullen voordoen.

2. Eiseres stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

3. Zij voert, samengevat en zoals nader toegelicht op de conference call, aan dat verweerder ten onrechte haar in grensdetentie houdt. Vanwege het corona-virus zijn alle gehoren opgeschort. Verweerder heeft in een brief van 21 maart 2020 aangegeven dat ten aanzien van eiseres gedurende veertien dagen een incubatieperiode in acht zal worden genomen, namelijk van 15 tot 29 maart 2020. Eiseres is echter niet ziek, heeft nooit klachten gehad en komt niet uit een risicogebied, zodat deze incubatieperiode ten onrechte wordt gehanteerd. Onder deze omstandigheid is het ook voorzienbaar dat niet tijdig, namelijk niet binnen de maximale duur van de grensprocedure, een beslissing op de asielaanvraag van eiseres zal worden genomen zodat de bewaring ook daarom dient te worden opgeheven. Voorts is de grensprocedure niet bedoeld voor een incubatieperiode, maar slechts voor onderzoek naar de inwilligbaarheid van haar asielrelaas. Uit niets blijkt dat daarvan sprake is. Daarmee dient de bewaring van eiseres niet het doel waarvoor deze in de wet is opgenomen en daarmee is de bewaring van eiseres niet rechtmatig. Verweerder stelt nu in het verweerschrift dat de term “incubatieperiode” ten onrechte is gebruikt en dat sprake is van een langere rust- en voorbereidingstermijn (RVT), maar eiseres volgt dit niet omdat verweerder deze term ook bij de communicatie met Vluchtelingenwerk Nederland heeft gebruikt. Voorts zal volgens de brief van 21 maart na de incubatieperiode van 30 maart 2020 tot 1 april 2020 ook voor eiseres een RVT in acht worden genomen. Pas op 2 april 2020 zal eiseres daarom worden gehoord in verband met haar asielprocedure. Dit terwijl verweerder in een e-mail aan de Raad voor Rechtsbijstand heeft laten weten dat de RVT zal worden verlengd naar 8 dagen. In casu is dat echter niet toegepast, maar een veel langere periode.

3.1

In het verweerschrift van 27 maart 2020 stelt verweerder dat in het geval van eiseres een RTV wordt gehanteerd van zeventien dagen en dat van een incubatieperiode geen sprake is. Gedurende de langere RTV is er ook geen beletsel met betrekking tot het contact tussen de rechtshulpverleners en de vreemdeling. Dit neemt echter niet weg dat het aanhouden van een langere RTV met zich brengt dat een beter beeld bestaat van de gezondheidssituatie van de vreemdeling op het moment dat het onderzoek naar de asielaanvraag aanvangt. Verweerder heeft op de conference call toegelicht dat de term “incubatieperiode” ten onrechte in de brief van 21 maart 2020 ten aanzien van eiseres is gebruikt. Ook in de communicatie naar Vluchtelingenwerk Nederland toe, is ten onrechte door verweerder deze term gebruikt. Volgens verweerder is daarmee enkel sprake van een onzorgvuldige formulering.

3.2

Ofschoon de wijze waarop verweerder in deze zaak en naar buiten toe heeft gecommuniceerd over het verloop van de asielprocedure en de reden van het uitstellen van de gehoren onzorgvuldig is geweest, ziet de rechtbank hierin geen grond om het beroep tegen het opleggen en nog voortduren van de bewaring gegrond te verklaren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat artikel 3.109, eerste lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) ook voor behandeling van asielaanvragen in de grensprocedure de mogelijkheid openlaat voor het aanhouden van een langere RVT dan de in die bepaling genoemde termijn van zes dagen. Dat aanvankelijk door verweerder in deze zaak, al dan niet abusievelijk, is gesproken over een incubatietijd maakt dat niet anders. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan worden afgeleid dat bij het opleggen en continueren van een vrijheidsontnemende maatregel gedurende de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure, verweerder alleen gebonden is aan de in artikel 3, zevende lid, Vw gestelde termijn van maximaal vier weken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling, van 12 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139). Indien de planning, zoals weergegeven in de brief van 21 maart 2020, daadwerkelijk wordt gevolgd dan zal de asielaanvraag van eiseres binnen vier weken na het indienen van haar aanvraag worden behandeld. Dat nu al voorzienbaar is dat niet tijdig een beslissing op de asielaanvraag van eiseres zal worden genomen, zodat de bewaring reeds daarom dient te worden opgeheven, volgt de rechtbank niet. Dat de RVT van eiseres langer is dan de RVT die in de e-mail aan de Raad voor de Rechtspraak is weergegeven, leidt ook niet tot een ander oordeel omdat enkel relevant is of de aanvraag binnen de termijn van vier weken zal worden behandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiseres voert ook aan dat in een vergelijkbare zaak (NL20.7163) van een vreemdeling die op dezelfde dag in Nederland aankwam en om asiel vroeg als eiseres, de bewaring inmiddels op 20 maart 2020 is opgeheven vanwege een dreigende termijn overschrijding. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat verweerder ten onrechte niet ook haar bewaring heeft opgeheven in verband met een dreigende termijnoverschrijding, maar dat een incubatietijd in acht is genomen.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:1451) volgt dat verweerder een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van een vreemdeling. Voorts stelt verweerder terecht dat elke zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat de omstandigheid dat in een zaak een termijnoverschrijding wordt verwacht, niet betekent dat dat in alle andere zaken ook het geval is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling in de zaak NL20.7163 is opgeheven omdat de planning, te weten dat het eerste gehoor van die vreemdeling op 22 maart 2020 plaats zou vinden, niet werd gehaald. Vanwege een capaciteitsgebrek bij verweerder op het Justitieel complex te Schiphol was het daarom niet mogelijk om de asielaanvraag van die vreemdeling binnen vier weken in de grensprocedure af te ronden. De planning voor de behandeling van de aanvraag van eiseres in de grensprocedure, zoals aangegeven in de brief van 21 maart 2020, zal echter waarschijnlijk wel gehaald worden. Van een vergelijkbare situatie is geen sprake zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet slaagt.

5. Eiseres voert aan dat ook geen sprake is van "voorbereiding van de asielprocedure" omdat zij geen contact heeft met Vluchtelingenwerk Nederland zodat zij haar niet behulpzaam kunnen zijn bij de voorbereiding van haar aanvraag, het verzamelen van aanvullende informatie en documenten of het onderhouden van contacten met het thuisfront. Eiseres verwijst in dit verband naar overweging 30 van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat de grensprocedure niet zou moeten worden toegepast, indien in die procedure niet kan worden voorzien in de bijzondere procedurele waarborgen. Eiseres meent dat de bijstand en hulp van Vluchtelingenwerk Nederland voor haar een dergelijke procedurele waarborg betreft, waarin thans niet kan worden voorzien. Ook is het moeilijk om contact te hebben met haar gemachtigde omdat geen tolken beschikbaar zijn. Dit hindert haar in de asielprocedure.

5.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres, voor zover zij stelt geen hulp en bijstand van Vluchtelingenwerk Nederland te kunnen krijgen bij de voorbereiding van haar asielaanvraag, hierover dient te klagen in het beroep tegen de (eventuele) afwijzing van haar asielaanvraag. Dit valt buiten het bestek van de onderhavige bewaringsprocedure.

Hoewel ter zitting is gebleken dat eiseres momenteel moeilijk kan communiceren met haar gemachtigde door de maatregelen die genomen zijn tegen de verspreiding van het corona-virus, is niet gebleken dat zij niet kan communiceren met haar gemachtigde en ontvangt zij ook bijstand van haar gemachtigde. Dat niet is voorzien in de procedurele waarborgen als bedoeld in de Procedurerichtlijn volgt de rechtbank daarom evenmin.

6. Eiseres ervaart de detentie ten slotte als zeer bezwarend, in het bijzonder omdat zij geen toegang heeft tot telefoon en daardoor geen contact kan houden met haar kinderen en familie. In de huidige onzekere tijden, is dat voor eiseres erg zwaar. Eiseres voelt zich voorts claustrofobisch blijkens haar overgelegde verklaring van 23 maart 2020.

6.1

In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat door de Dienst Justitiële Inrichtingen, verantwoordelijk voor detentiecentra in Nederland, verschillende maatregelen zijn getroffen om de gezondheid van gedetineerden, het personeel en bezoekers in het detentiecentrum te beschermen en verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Niet onaannemelijk is dat deze noodmaatregelen ook de bewegingsvrijheid van eiseres verder beperken dan normaal bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel tijdens de grensprocedure het geval is. Voor zover eiseres meent dat die maatregelen in haar geval onevenredig bezwarend zijn kan zij daarover klagen bij de directeur van het Justitieel complex Schiphol. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, dient de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Een klacht over de toepassing van het regime binnen die plaats of ruimte kan niet tot gegrondbevinding van het beroep leiden. Die beroepsgrond slaagt daarom niet.

6.2

Ten slotte is evenmin gebleken dat de detentie voor eiseres bij aanvang of op dit moment onevenredig bezwarend is. zulke feiten of omstandigheden heeft eiseres immers niet naar voren gebracht. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2020 blijkt dat eiseres is gevraagd naar bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat afgezien moet worden van het oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ook is eiseres gevraagd naar bijzondere medische omstandigheden. Eiseres heeft echter verklaard dat er geen bijzondere omstandigheden zijn en dat zij gezond is. Dat eiseres haar detentie inmiddels als zeer bezwarend ervaart is, zeker gezien de daar in verband met het coronavirus getroffen maatregelen, zeer begrijpelijk, maar dat maakt nog niet dat aannemelijk is dat de detentie voor eiseres in verhouding tot andere vreemdelingen die zich momenteel ook in een situatie van grensdetentie bevinden onevenredig bezwarend is.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.