Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
C-09-590052-KG ZA 20-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over coronamaatregelen. Eisers willen een volledige lockdown. Vorderingen afgewezen. De Staat handelt niet onrechtmatig met het gekozen beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0118
PS-Updates.nl 2020-0266
NJF 2020/146
GJ 2020/79
O&A 2020/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/590052 / KG ZA 20/249

Vonnis in kort geding van 3 april 2020

in de zaak van

1 Stichting de Vijfde Macht te Haarlem,

2. [eisende partij 2] te [plaats 1] ,

3. [eisende partij 3] te [plaats 2] ,

4. [eisende partij 4] te [plaats 1] ,

5. [eisende partij 5] te [plaats 1] ,

6. [eisende partij 6] te [plaats 3] ,

7. [eisende partij 7] te [plaats 3] ,

8. [eisende partij 8] te [plaats 1] ,

9. [eisende partij 9] te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J.H. Weermeijer te Leiden,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Algemene Zaken, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis met toelichting;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de aanvulling op de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met productie;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2020, door middel van een beeldverbinding. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In december 2019 zijn verschillende personen in de regio Wuhan in China besmet met een nieuw coronavirus, ook wel SARS-Cov-2 genoemd (hierna: het coronavirus). Het virus kan de ziekte COVID-19 veroorzaken. Het coronavirus heeft zich wereldwijd verspreid. In Nederland werd op 27 februari 2020 de eerste patiënt met het virus vastgesteld. Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van het coronavirus als pandemie bestempeld.

2.2.

In de loop van de tijd heeft de Staat steeds verdergaande maatregelen getroffen voor de bestrijding van het coronavirus. Op 16 maart 2020 heeft de minister-president in een televisietoespraak gemeld dat het in Nederland gekozen pakket aan maatregelen erop is gericht om de verspreiding van het coronavirus maximaal te controleren. Dit scenario heeft de minister-president aangeduid als “scenario 1”. De twee alternatieve scenario’s zijn het virus onbeheerst zijn gang laten gaan (“scenario 2”) en proberen het virus tegen te houden door het land op slot te doen (de zogenoemde “lockdown”) en feitelijk een jaar of zelfs langer plat te leggen (“scenario 3”), aldus de minister-president.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, na wijziging van eis:

I. de Staat te bevelen:

a. het besluit van 16 maart 2020 waarin is gekozen voor het scenario “maximale controle” terstond ongedaan te maken;

b. alle tot op heden vastgestelde maatregelen die (in)direct tot doel/effect hebben bevordering, realisering c.q. ontstaan van “maximale controle”, in het bijzonder bestaande of toekomstige maatregelen die (in)direct groepsimmuniteit binnen Nederland tot effect hebben c.q. beogen, waardoor een minderheid of meerderheid van het Nederlandse volk besmet raakt, terstond ongedaan te (doen) maken en nieuwe maatregelen met dat doel of effect, na te laten;

II. de Staat te gebieden:

a. het besluit tot de keuze voor een lockdown terstond te nemen;

b. het terstond (doen) in standhouden van alle tot op heden vastgestelde maatregelen en het terstond nemen van alle denkbare nieuwe maatregelen die (in)direct tot doel/effect hebben bevordering, realisering c.q. ontstaan van een lockdown;

III. de Staat te bevelen tot het uiterlijk binnen drie dagen (doen) veranderen door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van de volgende tekst van de website van het RIVM:

Kinderen vormen ook geen grote besmettingshaard voor de ziekte.

3.2.

Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan. Eiseres sub 1 heeft als statutaire doelomschrijving het opkomen voor de belangen van mensen in Nederland. De andere eisers behoren tot de groep van personen met een verhoogd risico op gezondheidsschade en overlijden. Zonder rechterlijk ingrijpen dreigt onherstelbare, zeer ernstige gezondheidsschade bij vele personen in Nederland en de dood van een aantal van die personen.

De Staat handelt onrechtmatig door niet tijdig deugdelijk te beslissen over de te nemen maatregelen in de strijd tegen het coronavirus. De Staat baseert de genomen maatregelen enkel op adviezen van het RIVM, die onjuist zijn. De Staat heeft als eerste prioriteit gekozen voor het niet laten vastlopen van de gezondheidszorg in Nederland, terwijl het gekozen scenario van groepsimmuniteit daarvoor niet effectief is. Andere belangen, waaronder economische, hebben ten onrechte voorrang gekregen in de besluitvorming. Er moeten zo snel mogelijk, zoveel mogelijk maatregelen worden getroffen in het landsbelang. Een volledige lockdown heeft alleen maar voordelen.

Het oordeel van het RIVM dat besmette kinderen het coronavirus nauwelijks kunnen overdragen, staat nog niet vast. Hiernaar moet nog nader onderzoek worden gedaan, terwijl de mededeling hierover op de website van het RIVM nadelige effecten zal veroorzaken.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de ontvankelijkheid van de afzonderlijke eisers. Zo rijst de vraag of de statutaire doelomschrijving van eiseres sub 1 voldoende concreet is om te voldoen aan de vereisten voor een collectieve actie zoals artikel 3:305a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek die formuleert. Nu de Staat op dit punt geen verweer heeft gevoerd, zal de voorzieningenrechter overgaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak.

4.2.

In de processtukken hebben eisers beleidsbepalers van de Staat, onder wie de minister-president, herhaaldelijk opgeroepen om in dialoog met hen te treden en stukken in deze procedure over te leggen, dan wel die stukken rechtstreeks aan hen te verstrekken. Die oproepen zijn kennelijk ingegeven door de wens van eisers om zelf (mee) te beslissen of zelf te oordelen over de te nemen maatregelen. Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter kan alleen beslissen op de vorderingen die eisers hebben geformuleerd. Die vorderingen omvatten de hiervoor genoemde oproepen niet.

4.3.

Voor de beoordeling van de vorderingen geldt het volgende als uitgangspunt. Nederland is in een acute crisissituatie beland als gevolg van (de steeds verdere verspreiding van) het coronavirus. De Staat heeft in crisissituaties als deze een grote mate van (beleids)vrijheid bij het nemen van maatregelen door middel van de inzet van bestuurlijke en juridische middelen. De besluiten die de regering in dit kader neemt, zijn voortdurend onderwerp van politiek debat en afwegingen op dit gebied behoren bij uitstek tot het domein van de uitvoerende macht. Dit brengt met zich dat de civiele rechter – en temeer de rechter in kort geding – zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat op dit punt. Er is geen plaats voor een eigen, “volle” afweging door de burgerlijke rechter. Zo heeft de rechter niet de taak om naar eigen inzicht belangen te wegen of waarde toe te kennen aan wetenschappelijke adviezen. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat aldus niet in redelijkheid voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is plaats voor rechterlijk ingrijpen.

4.4.

Met hun eerste vordering zoals hiervoor weergegeven onder I, verlangen eisers, kort gezegd, ongedaanmaking van het besluit van de Staat om te kiezen voor het scenario “maximale controle” en alle daarop gerichte maatregelen, in het bijzonder die maatregelen die zijn gericht op groepsimmuniteit. Eisers zijn van mening dat in het gekozen scenario niet het beperken van het aantal besmettingen prioriteit heeft, maar dat (enkel) wordt beoogd zo snel mogelijk groepsimmuniteit te bereiken. Volgens eisers is – zo begrijpt de voorzieningenrechter hun standpunt – het gekozen beleid om die reden ondeugdelijk. Dat standpunt snijdt geen hout. Het doel van het gekozen scenario is, zoals de Staat gemotiveerd heeft aangevoerd, om het virus maximaal te controleren, waardoor het verloop van de epidemie wordt vertraagd en voorkomen wordt dat een ongecontroleerde toename van het aantal zorgbehoevende patiënten ontstaat en het zorgsysteem overbelast raakt. Als dat doel wordt bereikt, is gewaarborgd dat er steeds voldoende capaciteit is om patiënten waar nodig te behandelen. Groepsimmuniteit is geen doel op zich, maar een bijkomend effect in dit scenario. Bovendien kan het hiervoor omschreven doel enkel worden bereikt door middel van het beperken van het aantal besmettingen. De vordering als hiervoor genoemd onder I is dan ook gebaseerd op een onjuiste veronderstelling.

4.5.

Daarbij komt dat eisers stellen op te komen voor het gezondheidsbelang van Nederlanders in het algemeen en hun eigen gezondheidsbelangen in het bijzonder. Niet valt in te zien dat die belangen worden gediend met het terugdraaien van alle maatregelen die tot op heden zijn genomen met het oog op de bestrijding van het coronavirus als niet tegelijk de door hen gewenste lockdown wordt afgekondigd. Op dit punt hebben eisers hun petitum dan ook ongelukkig geformuleerd.

4.6.

Eisers hebben met de tweede vordering kennelijk een ‘volledige lockdown’ voor ogen, maar zien eraan voorbij dat geen scherp onderscheid is te maken tussen enerzijds de al genomen maatregelen voor maximale controle en anderzijds de maatregelen die behoren bij een (totale) lockdown. De bij de verschillende scenario’s behorende maatregelen lopen in elkaar over. Onmiskenbaar is dat de genomen maatregelen al kenmerken vertonen van een lockdown. Nadat de dagvaarding in deze zaak door eisers was betekend en voordat de behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden, heeft de Staat tijdens een persconferentie op maandag 23 maart jongstleden aanvullende maatregelen afgekondigd in de strijd tegen het coronavirus. In die aanvullende maatregelen wordt onder meer opgeroepen om zoveel mogelijk thuis te blijven, zijn alle bijeenkomsten verboden en mogen bepaalde (contact)beroepen niet meer worden uitgeoefend. Daarbij blijven verstrekkende maatregelen die al golden van kracht, zoals de sluiting van horecagelegenheden en scholen. Deze maatregelen hebben een vergrendeling van een groot deel van het openbare leven tot gevolg.

4.7.

Eisers hebben nagelaten concreet te maken tot welke specifieke maatregelen de Staat zou moeten overgaan en voor welke periode. Alleen daarom al komt die vordering niet voor toewijzing in aanmerking: de vordering is te onbepaald. Bovendien kan niet worden geconcludeerd dat het door de Staat gevoerde beleid onrechtmatig is. Eisers hebben de overtuiging dat ver(der)gaande maatregelen noodzakelijk zijn, maar dat is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de maatregelen die de Staat heeft getroffen tekort schieten en dat het handelen van de Staat onrechtmatig is.

4.8.

Eisers veronderstellen ten onrechte dat de Staat zijn beleid enkel en alleen baseert op adviezen van het RIVM. De Staat heeft uitgebreid uiteengezet dat aan de keuze voor de strategie van maximaal controleren niet alleen de adviezen van het RIVM ten grondslag liggen, maar ook die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding (ECDC) en het zogenoemde Outbreak Management Team (OMT). Het OMT geeft medisch-epidemiologisch advies en bestaat uit experts en vertegenwoordigers vanuit verschillende beroepsorganisaties die vanuit hun eigen expertisegebied adviseren en zo de basis leggen voor een risicoanalyse en de bestrijding van infectieziekten. De Staat baseert zijn beleid voor de bestrijding van het coronavirus op al deze wetenschappelijke adviezen. De maatregelen worden op basis van de actuele ontwikkelingen voortdurend geëvalueerd en – indien de betrokken deskundigen dat nodig vinden – aangepast of aangescherpt, zoals dat onder meer op 23 maart jongstleden is gebeurd. Op de handelwijze van de Staat kan, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niets worden afgedongen: de Staat mag op de actuele adviezen van deskundigen vertrouwen en zijn beleid daar in zeer belangrijke mate op afstemmen, te meer nu een andere manier van verantwoorde beleidsbepaling niet goed denkbaar is. De Staat heeft verklaard dat de geraadpleegde deskundigen een volledige lockdown, met als doel totale eliminatie van viruscirculatie, zoals eisers kennelijk voor ogen hebben, afraden. Eisers hebben niet onderbouwd dat de adviezen van de deskundigen (evident) onjuist zijn.

4.9.

De conclusie van het voorgaande is dat niet is vast komen te staan dat de Staat in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen. De vorderingen die strekken tot een wijziging van dat beleid (vorderingen I en II) zullen dan ook worden afgewezen.

4.10.

Eisers vorderen tot slot een verandering van de mededeling op de website van het RIVM “kinderen vormen ook geen grote besmettingshaard voor de ziekte”. Eisers hebben niet onderbouwd dat en op welke manier hun belangen worden geschaad door deze mededeling. Daarbij komt dat zij niet hebben beschreven op welke manier de mededeling zou moeten worden veranderd. Bovendien hebben eisers op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onjuiste publicatie. Eisers stellen dat nog nader onderzoek moet worden gedaan naar de kansen van besmetting via kinderen, maar daarmee staat de onjuistheid van de mededeling niet vast. De mededeling is een deskundigenoordeel op grond van de huidige kennis. Die kennis is dat kinderen bijna nooit klachten krijgen van het coronavirus en om die reden geen speciale risicogroep zijn, zoals de context van de door eisers gewraakte mededeling ook vermeldt. Dat eisers het daarmee oneens zijn, vormt geen reden voor een gebod tot rectificatie, verwijdering of een andere verandering. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.11.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eisers om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

hvd