Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3002

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
SGR 18/2543 en SGR 18/2544
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat om een omgevingsvergunning voor een dakterras ter legalisatie van een reeds gerealiseerd dakterras op een uitbouw. De constructieberekening die ten grondslag ligt aan het primaire besluit en is gehandhaafd in bezwaar komt niet overeen met hoe de uitbouw feitelijk is gerealiseerd. Nu de feitelijke situatie niet is beoordeeld, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen in de stand. Zij heeft de StAB benoemd. Uit het nadere advies van de StAB volgt dat de dakconstructie voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de StAB niet te volgen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/2543 en SGR 18/2544

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaken tussen

[eiseres 1] , te [woonplaats] , eiseres 1, en

[eiseres 2] h.o.d.n. [h.o.d.n.], eiseres 2,

tezamen: eiseressen,

(gemachtigde: mr. M.D.N. Jumelet),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. van Amerongen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te [woonplaats] , vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. S.A.P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een dakterras op het dak van de uitbouw van het pand aan de [adres 1] te [plaats] .

Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020, alwaar de beroepszaken gevoegd zijn behandeld. Eiseres 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder was voorts aanwezig ing. H. Pol. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts heeft de derde-partij de door hem ingeschakelde deskundige [A] ( [A] ) meegenomen. Ten slotte waren namens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) aanwezig ing. [B] en ing. [C] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 26 juni 2017 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het veranderen van de woning aan de [adres 5] door het plaatsen van een dakterras op de uitbouw van de winkel aan de [adres 2] te [adres 2] . Het betreft een aanvraag ter legalisatie van een door vergunninghouder halverwege juni 2017 gerealiseerd dakterras op die locatie.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de verzochte omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft bij de vergunningverlening toepassing gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard en is het primaire besluit in stand gelaten.

3. Eiseres 1 is eigenaresse van de woningen aan de [adres 3] , en van de woning aan de [adres 4] te [plaats] . Eiseres 2 is huurder van de woning aan de [adres 4] . De omgevingsvergunning heeft betrekking op een dakterras dat is gelegen op het dak van de uitbouw van de [adres 1] . Het dakterras rust op de fundering van de muren van de buurpanden [adres 3] en [adres 4] . Daarnaast is het hekwerk ten behoeve van dit dakterras in de muur van [adres 4] verankerd.

4.1

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

4.2

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

4.3

Eiseressen hebben in beroep de hiervoor onder a, c en d genoemde weigeringsgronden voor een omgevingsvergunning aan de orde gesteld, welke beroepsgronden hierna zullen worden besproken.

5.1

Eiseressen stellen, kort samengevat, dat de dakconstructie van de uitbouw niet geschikt is voor een dakterras. Deze voldoet niet aan de constructieve (veiligheids)eisen van het Bouwbesluit.

5.2

Volgens verweerder strekken de regels van het Bouwbesluit ten aanzien van de uitbouw en het dakterras niet tot bescherming van de belangen van eiseressen, maar alleen tot die van de eigenaren van de [adres 5] -8. Alvorens de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden inzake de constructieve veiligheid toekomt, zal zij dus eerst het relativiteitsvereiste bespreken.

5.3

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen heeft de wetgever, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20), met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.

5.4

De rechtbank overweegt dat de bouwtechnische normen in het Bouwbesluit, voor zover thans van belang, primair strekken tot bescherming van de veiligheid van mensen in het desbetreffende bouwwerk. Daarnaast strekken deze normen evenwel tevens tot bescherming van de veiligheid van mensen in woningen op belendende percelen als het gaat om constructieve veiligheid, branddoorslag of brandoverslag. Nu de constructieve veiligheid van het dakterras in geding is en de woningen van eiseressen grenzen aan de uitbouw waarop het dakterras is gerealiseerd, oordeelt de rechtbank dat de betreffende normen uit het Bouwbesluit ook eiseressen in hun hoedanigheid van eigenaar of huurder van de aangrenzende percelen aangaan.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank staat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb er daarom in dit geval niet aan in de weg dat eiseressen zich beroepen op de normen uit het Bouwbesluit.

6.1

Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie), op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat aan de beoordelingsgronden van het Bouwbesluit wordt voldaan. Verweerder is daarbij afgegaan op de constructieve gegevens die bij de aanvraag zijn aangeleverd, waaronder in elk geval een tekening, en een constructieberekening van Broersma Bouwadvies (Broersma) van 18 september 2017.

6.2

Eiseressen stellen dat verweerder ten onrechte van de constructieberekening van Broersma is uitgegaan. Zij voeren daartoe onder meer aan dat Broersma een ontwerpberekening van de dakconstructie heeft gemaakt zoals die zou moeten zijn als er nieuw gebouwd zou worden. De feitelijk uitgevoerde constructie is echter niet gebouwd conform de in de berekening van Broersma opgenomen uitgangspunten. Verder ontbreken er ook veel constructieve gegevens in die berekening. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eiseressen op de contra-expertise van 14 februari 2018, waarbij 3TO Architecten de berekening van Broersma heeft beoordeeld. Volgens eiseressen heeft verweerder deze contra-expertise niet, althans in onvoldoende mate, meegenomen in zijn beoordeling.

6.3

In zijn reactie op het beroepschrift betwijfelt vergunninghouder of verweerder de contra-expertise van 3TO Architecten wel heeft ontvangen en meegewogen bij het nemen van de bestreden besluiten, nu de contra-expertise van 14 februari 2018 dateert, de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op 15 februari 2018 was en de contra-expertise in het advies van de bezwaarschriftencommissie verder niet wordt genoemd.

6.4

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de contra-expertise van 14 februari 2018 is meegenomen bij het nemen van de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de contra-expertise van 14 februari 2018 als bijlage bij de pleitaantekeningen van eiseressen ten behoeve van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie van 15 februari 2018 is gevoegd en zodoende onderdeel is geworden van het procesdossier.

6.5

Nadat verweerder de bestreden besluiten had genomen, heeft vergunninghouder de bestaande balklaag van de aanbouw laten doorrekenen. Dat is in zijn opdracht gedaan door Booms van Constructie Adviesbureau Booms te Delft (Booms). De berekening van Booms dateert van 14 mei 2018. Op 13 juni 2018 heeft 3TO Architecten op de berekening van Booms gereageerd. Booms heeft zijn berekening vervolgens op 23 juli 2018 aangepast. Namens verweerder heeft ing. M. Labeur, Teammanager Bouwconstructies, Bouwfysica en -ecologie, vergunninghouder per brief van 16 augustus 2018 bericht dat laatstgenoemde berekening van Booms akkoord is bevonden. Nadien heeft Booms zijn eerdere berekening nog een keer aangepast, te weten op 18 oktober 2018.

6.6

Hangende het vooronderzoek in deze beroepsprocedure heeft de rechtbank de StAB als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De rechtbank heeft de StAB verzocht haar te adviseren over de constructieve veiligheid van het dakterras. Vanwege deze specifieke vraag daaromtrent heeft de StAB ing. [C] ( [C] ) van het Bureau voor Bouwpathologie (BB) ingeschakeld. Den Ouden is ter plaatse gaan kijken en heeft metingen verricht. Op 7 maart 2019 heeft de StAB haar advies uitgebracht. Hieraan ligt het rapport van 4 maart 2019 van Den Ouden ten grondslag. Eiseressen hebben bij brieven van 5 april 2019 op het StAB-advies gereageerd. Verweerder en vergunninghouder hebben dat bij brieven van 8 april 2019 gedaan.

6.7

In haar advies van 7 maart 2019 concludeert de StAB dat zowel Broersma als Booms met afwijkende maatvoering heeft gerekend. Kort samengevat is een constructie beoordeeld die in werkelijkheid niet is uitgevoerd. De conclusie is daarom dat de aanwezige constructie niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit.

6.8

De rechtbank heeft de StAB vervolgens verzocht te reageren op voornoemde reacties van partijen op het uitgebrachte StAB-advies. In haar nadere reactie van 16 januari 2020 (het aanvullend advies) komt de StAB tot de conclusie dat de dakterrasbalklaag, anders dan eerder nog door de StAB werd gesteld, voldoet voor wat betreft de algemene sterkte van de bouwconstructie, getoetst aan de normen voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit. Daarbij heeft de StAB zich gebaseerd op de berekening van de door haar ingeschakelde deskundige van BB, Den Ouden. Mocht uitgegaan worden van bestaande bouw, waarvoor een minder strenge norm geldt, dan leidt dit niet tot een andere conclusie. Weliswaar is uit de berekening ook gebleken dat de doorbuiging van de balk niet aan de daarvoor geldende eis voldoet, maar dit is geen eis van het Bouwbesluit. Op dit aanvullend advies hebben partijen niet gereageerd. Wel heeft eiseres 1 naar aanleiding van dit aanvullend advies een lijst met vragen naar de StAB gestuurd.

6.9

In zijn reactie op het advies van de StAB en ook ter zitting heeft verweerder erkend dat de constructieberekening die ten grondslag ligt aan het primaire besluit en gehandhaafd is in bezwaar, niet overeenkomt met hoe de uitbouw feitelijk is gerealiseerd. Nu de feitelijke situatie niet is beoordeeld, terwijl het gaat om de vraag of een gerealiseerd dakterras gelegaliseerd kan worden, zijn de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. Dit betekent dat de beroepen in zoverre gegrond zijn en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd.

6.10

In het navolgende zal de rechtbank bezien of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kan laten.

6.11

In haar aanvullend advies concludeert de StAB, kort samengevat, dat de dakconstructie voldoet aan de normen van het Bouwbesluit. Daarbij is de StAB afgegaan op de bevindingen van Den Ouden. Deze heeft zijn oordeel gebaseerd op eigen onderzoek ter plaatse en op de in het dossier aanwezige gegevens. Waar hij tijdens zijn onderzoek ter plaatse niet kon meten, is hij in zijn berekening ten aanzien van die plaatsen uitgegaan van conservatieve aannames.

6.12

De rechtbank volgt de StAB in haar conclusie dat de dakconstructie van de uitbouw geschikt is voor een dakterras. Den Ouden heeft zijn bevindingen gemotiveerd en weloverwogen weergegeven in zijn rapport. Eiseressen hebben geen eigen deskundige ingeschakeld om te reageren op het aanvullend rapport van de StAB. Wel wijzen zij op het feit dat de deskundigen die zich eerder over de dakconstructie hebben uitgelaten, verschillende afmetingen gebruiken. Ter zitting hebben zij hiervan een overzicht in het geding gebracht. Dat eerder van andere afmetingen is uitgegaan, betekent evenwel niet dat de berekening van Den Ouden onjuist is. Aan de door Broersma gehanteerde afmetingen kan tegen deze achtergrond geen betekenis worden toegekend, omdat hij niet van de feitelijke situatie ter plaatse is uitgegaan. Weliswaar heeft 3TO Architecten wel een onderzoek ter plaatse verricht (zie het rapport van 13 juni 2018), maar zij heeft haar bevindingen gebruikt om te reageren op de eerste berekening van Booms van 14 mei 2018. Daarbij heeft 3TO Architecten geen eigen berekening gemaakt van de constructieve veiligheid van de dakconstructie. Ten slotte heeft Booms ter zitting verklaard dat in zijn berekening een verkeerde belasting is opgenomen. Als uitgegaan wordt van een belasting van 250 N/m², waar ook Den Ouden vanuit gaat, voldoet de dakconstructie ook volgens Booms aan de vereiste constructienormen.

6.13

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alsnog voldoende aannemelijk is geworden dat de dakconstructie voldoet aan het Bouwbesluit. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten dan ook in stand laten.

7.1

Eiseressen stellen voorts dat het dakterras in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Niet alleen wordt het dakterras buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd, ook is de hoogte van de aanbouw door de plaatsing van het hekwerk ten behoeve van het dakterras in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Verweerder heeft dit miskend. Volgens eiseressen heeft verweerder geen gebruik mogen maken van zijn afwijkingsbevoegdheid, omdat het gebruik van het terras tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat leidt. Door het gebruik van het dakterras is immers schade in en aan de omliggende panden ontstaan. Daarnaast ervaren eiseressen hinder in de vorm van (geluids)overlast en waterschade door het (gebruik van het) dakterras. Dit komt mede doordat het dakterras zonder toestemming is gebouwd tegen, in en op de muren van de woning aan de [adres 6] en die aan de [adres 4] .

7.2

Ter plaatse van het dakterras is het bestemmingsplan ‘Statenkwartier’ van kracht en geldt de bestemming ‘Gemengd – 1’, met de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ en ‘Waarde- Cultuurhistorie’.

7.3

Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat het dakterras in strijd is met genoemd bestemmingsplan, omdat het buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak is gerealiseerd.

7.4

Tussen partijen is evenmin in geschil en de rechtbank stelt ook vast dat het aanbrengen van het hekwerk als onderdeel van het dakterras heeft te gelden als een verandering van de uitbouw. Vaststaat dat het hekwerk 1 meter hoog is en daarmee meer dan 0,3 meter hoger is dan de vloer van de eerste verdieping. Dit betekent dat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 6.3 van de vigerende planregels geldende hoogtebepaling.

7.5

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is de aanvraag van vergunninghouder mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

7.6

Voor zover hier van belang, bevat het vigerende bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo.

7.7

Blijkens het primaire besluit is verweerder bereid gebleken de afwijking voor wat betreft het realiseren van het dakterras buiten het bouwvlak, toe te staan door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor; de afwijkingsmogelijkheid ingevolge de zogenoemde kruimellijst). Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de woning geen buitenruimte heeft. Met het dakterras wordt een goed bruikbare buitenruimte gerealiseerd die het woongenot vergroot. Daarnaast komen in de omgeving (en bij de buren) in meerdere vergelijkbare bouwblokken dakterrassen voor op aan- en uitbouwen. Doordat het dakterras aan de binnenzijde van het bouwblok is gelegen, wordt ook geen schade aan het beschermd stadsgezicht toegebracht.

7.8

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit niet is ingegaan op de overschrijding van de geldende hoogtemaatvoering. In haar advies van 20 februari 2018 heeft de bezwaarschriftencommissie vermeld dat verweerder ter zitting van de bezwaarschriftencommissie op 15 februari 2018 heeft aangegeven dat de kruimelafwijking eveneens ziet op de afwijking in hoogtemaatvoering en dat verweerder hiermee alsnog in bezwaar instemt.

7.9

Ter zitting van deze rechtbank op 30 januari 2020 heeft verweerder te kennen gegeven dat in de verleende omgevingsvergunning voor wat betreft de kruimelafwijking ten onrechte is verwezen naar artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor. Dit had onderdeel 4 moeten zijn, waarin de constructie van een dakterras als aparte categorie is opgenomen. Volgens verweerder moet daaronder ook worden begrepen het hekwerk, nu dit onderdeel uitmaakt van het dakterras. Verweerder handhaaft zijn in het primaire besluit gegeven motivering dat het toestaan van de geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan, waaronder begrepen de overschrijding van de geldende hoogtebepaling, geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening.

7.10

Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan de bestreden besluiten ook tegen deze achtergrond motiveringsgebreken, nu verweerder in die besluiten immers niet is ingegaan op de overschrijding van de geldende hoogtemaatvoering en ook niet de juiste grondslag voor de kruimelafwijking heeft vermeld. De beroepen zijn daarom ook in zoverre gegrond en de bestreden besluiten dienen ook om die reden te worden vernietigd.

7.11

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten ook op deze punten in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van het dakterras geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat met zich brengt. Weliswaar bevindt het dakterras zich aan de binnenzijde van het bouwblok, maar het is niet een geheel ommuurd dakterras. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het dakterras is gelegen in een stedelijke omgeving, zodat eiseressen enige (geluids)overlast hebben te dulden. Daar komt nog bij dat de locatie van de uitbouw volgens het geldende bestemmingsplan ook bestemd is als tuin en als zodanig gebruikt had kunnen worden als er geen uitbouw was. Van een dergelijk, aldus reeds toegestaan, gebruik gaat een vergelijkbare hinder uit.

7.12

Eiseressen wijzen ten slotte nog op (water)schade in en aan hun woningen. Nog daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank niet is vast komen te staan dat deze schade het gevolg is van het dakterras, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid geen onderdeel uitmaakt van het in het kader van de strijdigheid met het bestemmingsplan te beoordelen woon- en leefklimaat.

8.1

Eiseressen stellen dat het dakterras, inclusief het hekwerk, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand uit de Welstandsnota.

8.2

De Welstands- en Monumentencommissie (de welstandscommissie) heeft op 16 augustus 2017 beoordeeld of het dakterras voldoet aan de redelijke eisen van welstand en heeft geadviseerd in het kader van de bestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’. De welstandscommissie kan instemmen met het voorgestelde dakterras. De wijze waarop dit wordt voorgesteld op het dak van de bestaande uitbouw leidt niet tot een aantasting van het beschermd stadsgezicht of de cultuurhistorische waarden ervan, aldus de welstandscommissie.

8.3

Met betrekking tot de welstandstoets heeft verweerder in het bestreden besluit het door hem ingewonnen welstandsadvies overgenomen. Ter zitting heeft verweerder nog eens benadrukt dat het om een dakterras gaat dat in een besloten binnengebied is gelegen.

8.4

De rechtbank stelt voorop dat verweerder aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel dan ook geen nadere toelichting. Zulks tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundige, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota in acht te nemen criteria.

8.5

De rechtbank stelt vast dat eiseressen geen contra-expertise hebben overgelegd van een onafhankelijke deskundige die de conclusie van de welstandscommissie weerspreekt. De enkele stelling dat het dakterras, inclusief het hekwerk, niet aansluit op de bestaande architectuur is dan ook onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Het betoog van eiseressen kan daarom niet slagen.

8.6

In beroep hebben eiseressen tegen deze achtergrond voorts verschillende adviezen van de welstandscommissie geciteerd waarin, anders dan bij het in geding zijnde dakterras, niet wordt ingestemd met een dakterras. De rechtbank begrijpt dat eiseressen hiermee een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet, reeds omdat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.

9. Eiseressen stellen ten slotte dat het dakterras niet vergund had mogen worden omdat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen. De rechtbank stelt vast dat deze grond weliswaar in de bezwaarprocedure naar voren is gebracht, maar in de beroepsprocedure niet eerder dan in de pleitaantekeningen ter zitting. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde. Afgezien daarvan hebben eiseressen hun stellingen op dit punt niet nader onderbouwd en is de rechtbank op basis van de gegevens uit het procesdossier ook niet gebleken van evidente privaatrechtelijke belemmeringen.

10. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank in de beroepsgronden van eiseressen dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Omdat de rechtbank het beroep, zoals hiervoor overwogen, evenwel gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11.1

Eiseressen verzoeken ten slotte verweerder te veroordelen in de proceskosten. Eiseressen vragen om vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, waaronder de kosten in bezwaar.

11.2

Dat eiseressen over het dakterras meerdere handhavingsprocedures hebben doorlopen naast onderhavige procedure, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voor de kosten van rechtsbijstand niet mag worden aangesloten bij het forfaitaire stelsel zoals opgenomen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

11.2

De rechtbank ziet dan ook aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseressen hebben gemaakt overeenkomstig het forfaitaire stelsel. Omdat sprake is van twee samenhangende zaken worden deze op grond van het Bpb bij de vaststelling van het bedrag beschouwd als één zaak. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan ook vast op € 2.362,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij een hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze op het deskundigenbericht met een waarde per punt van € 525,-, een wegingsfactor 1).

11.3

Voorts hebben eiseressen verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte deskundigenkosten. Zij hebben in totaal € 5.734,28 aan deskundigenkosten opgevoerd.

11.4

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.

11.5

Gelet op de aard van de beroepsgrond ten aanzien van de strijdigheid met het Bouwbesluit, acht de rechtbank het inroepen van een deskundige door eiseressen in dit geval redelijk. Voor wat betreft de hoogte van de voor een deskundige te vergoeden kosten moet ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder b, en 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, aansluiting worden gezocht bij de Wet tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt tegen die achtergrond vast dat in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 voor het inschakelen van een deskundige zoals hier aan de orde geen speciaal tarief is bepaald. Op grond van artikel 6 van dit besluit geldt dan dat ten hoogste een tarief van € 126,47 per uur voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de door eiseressen overgelegde declaratie volgt dat het gaat om werkzaamheden verricht door 3TO Architecten (€ 5.267,-), en om werkzaamheden verricht door Broersma (€ 467,28). Voor wat betreft laatstgenoemde kosten, kan de rechtbank in de declaratie noch in het dossier enige onderbouwing vinden. Deze kosten komen haar tegen die achtergrond niet redelijk voor. Inzake de kosten zoals opgevoerd voor de contra-expertise en adviezen van 3TO Architecten kan uit voornoemde declaratie evenmin worden opgemaakt hoeveel uur aan het opstellen daarvan is besteed. Eiseressen willen een bedrag van € 5.267,- vergoed zien. Uitgaande van het hoogst mogelijke uurtarief, betekent dit dat 3TO Architecten in totaal ruim 41 uur aan werkzaamheden heeft besteed. In aanmerking genomen voornoemd uurtarief, acht de rechtbank evenwel gelet op de aard van het onderhavige geschil, een bedrag ad € 2.000,-, als te vergoeden deskundigenkosten in dit geval redelijk.

11.6

Verweerder zal daarom eveneens in voornoemde kosten worden veroordeeld, zodat het totaalbedrag aan proceskosten neerkomt op € 4.362,50.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan ieder van eiseressen te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 4.362,50.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2020 door mr. O.M. Harms, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. R.H. Smits, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl

de griffier is niet in voorzitter

de gelegenheid deze

uitspraak mede te

ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.