Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3000

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
C-09-574329-HA ZA 19-568
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Geschillenregeling, vordering tot uittreding, 2:343 BW tegen medeaandeelhouders en de BV. De norm voor toewijzing van de vordering. Toewijzing, tegen BV voorwaardelijk.Beroep op uitkeringstest, 2:207 lid 2 BW door BV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0150
RO 2020/45
JONDR 2020/600
JOR 2021/6 met annotatie van Bulten, C.D.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/574329 / HA ZA 19-568

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[DPB] B.V., te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.C. Schepel te Den Haag,

tegen

1 [MNP] B.V., te [plaats 1] ,

2. [PP Beheer] B.V., te [plaats 1] ,

3. [ACP Beheer] B.V., te [plaats 1] ,

4. [gedaagde sub 4], te [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat: voorheen mr. J.M. Pol, thans mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar.

Eiseres wordt hierna DPB genoemd en gedaagden worden hierna respectievelijk MNP, PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] genoemd. Gedaagden zullen tezamen worden aangeduid met MNP c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 mei 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 21 augustus 2019 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2020.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van comparitie dat, met hun instemming, buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. DPB heeft bij brief van 10 februari 2020 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

[PP] -groep

2.1.

De [PP] -groep is een familiebedrijf, waarin een onderneming wordt gedreven die actief is in de visserij en visverwerking. Het bedrijf bestaat uit verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in de werkmaatschappijen worden gehouden door [de Holding] B.V. (hierna: de Holding). De aandelen in de Holding worden gehouden door de [STAK] van aandelen in [de Holding] (hierna: de STAK). De STAK heeft certificaten uitgegeven (hierna: de certificaten).

2.2.

De certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak bestaat uit 25% van het totale aantal certificaten. Twee staken worden gehouden door (beheermaatschappijen van) de [familie I] . Zij houden de certificaten J en A. De andere twee staken worden gehouden door (beheermaatschappijen van) de [familie II] . Zij houden de certificaten N en D. De D-certificaten vormen de staak van (de familie van) [X] . De N-certificaten vormen de staak van (de familie van) [Y] en werden gehouden door MNP.

2.3.

In 2014 heeft (de familie van) [Y] onderhandeld met de (familie van) [X] over de verkoop van de N-certificaten tegen een koopprijs van
€ 122.500.000,-. Tussen MNP en (de familie van) [X] bestaat een geschil over de vraag of tussen hen in december 2014 een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben hierover verschillende procedures gevoerd. Op grond van een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft MNP de N-certificaten in 2017 geleverd aan (de familie van) [X] . Ten tijde van de levering heeft (de familie van) [X] beslag gelegd onder de notaris, dit voor het geval mocht komen vast te staan dat de koop ongeldig is en de koopsom aan (de familie van) [X] terugbetaald moet worden.

2.4.

In haar (eind)vonnis van 13 maart 2019 heeft de rechtbank Den Haag voor recht verklaard dat de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en voor partijen afdwingbare rechten en verplichtingen in het leven heeft geroepen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de (familie van) [X] de eigendom van de N-Certificaten rechtsgeldig heeft verkregen door middel van een notariële overdracht. MNP is in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Deze procedure loopt nog.

De N-staak

2.5.

[Y] (hierna: [Y] ) is de vader van [A] (hierna: [A] ), [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ) en [gedaagde sub 4] .

2.6.

[A] houdt alle ‘gewone’ aandelen in DPB, [B] houdt alle ‘gewone’ aandelen in PP Beheer en [C] houdt alle ‘gewone’ aandelen in ACP Beheer. Deze drie vennootschappen en [gedaagde sub 4] (in privé) houden ieder 25% van de aandelen in MNP, die tot maart 2018 houder was van de N-certificaten.

MNP

2.7.

Vanaf haar oprichting was [Y] bestuurder van MNP. Vanaf 31 december 2018 is [B] dat. [gedaagde sub 4] houdt (alle) prioriteitsaandelen in MNP.

2.8.

De statuten van MNP schrijven onder meer voor dat bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, op bindende voordracht van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen. Bestuurders kunnen worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering (artikel 12 leden 4, 5 en 7). De vergadering van houders van prioriteitsaandelen stelt de beloning en de verdere arbeidsvoorwaarden van de bestuurders vast (artikel 12 lid 3). Artikel 13 lid 5 bevat een opsomming van bestuursbesluiten waarvoor het bestuur goedkeuring van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders behoeft, waaronder (sub a) het verrichten van rechtshandelingen waarvan de waarde of het bedrag een door de vergadering van houders van prioriteitsaandelen te bepalen bedrag te boven gaat. Het bestuur is volgens artikel 14 van de statuten verplicht een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen indien een aandeelhouder dit schriftelijk verzoekt onder opgave van de te behandelen onderwerpen; indien het bestuur daaraan niet voldoet, is de verzoekende aandeelhouder zelf gerechtigd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders. In artikel 16 lid 3 van de statuten staat onder meer dat de notulen van de vergadering ten kantore ter inzage liggen van de aandeelhouders en de certificaathouders, aan wie desgevraagd een afschrift of uittreksel van deze notulen tegen ten hoogste de kostprijs wordt verstrekt. Verder is de vergadering van prioriteitsaandeelhouders bevoegd een bedrag van de winst dat uit de jaarrekening blijkt te reserveren; het winstbedrag dat resteert na die eventuele reservering staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders (artikel 21 lid 1 en 2).

2.9.

In de jaarrekening 2017 van MNP is opgenomen dat het eigen vermogen van MNP per 31 december 2017 € 31.472.793,- bedroeg (€ 4.800.460 + € 16.551.209 + € 11.271.112 -/- € 1.149.988). In de toelichting is vermeld dat de vermeende verkoop van de N-certificaten niet in de cijfers is opgenomen omdat hierop nog niet definitief is beslist.

DPB

2.10.

DPB, de vennootschap waarvan [A] de aandelen houdt, is gedurende een lange periode bestuurd door [gedaagde sub 4] . In november 2016 zijn op initiatief van [A] twee aandeelhoudersvergaderingen gehouden waarin telkens het besluit is genomen [bestuurder 1] (hierna [bestuurder 1] ) als bestuurder te benoemen en [gedaagde sub 4] als bestuurder te ontslaan. Bij de eerste vergadering was [Y] als prioriteitsaandeelhouder opgeroepen en bij de tweede vergadering PP Beheer. Per 23 november 2016 staat [bestuurder 1] als enig bestuurder van DPB ingeschreven.

2.11.

Vanaf haar oprichting werden de prioriteitsaandelen in DPB gehouden door PP Beheer. Bij de oprichting van DPB waren haar statuten inhoudelijk gelijk aan die van MNP (zie 2.8) en had de prioriteitsaandeelhouder een vergaande zeggenschap in de vennootschap.

Procedure Ondernemingskamer DPB

2.12.

Bij verzoekschrift van 5 oktober 2016 heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij MNP en DPB. Daarbij heeft hij ook verzocht [gedaagde sub 4] te schorsen als bestuurder van DPB en de prioriteitsaandelen in het kapitaal van DPB over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de daaraan verbonden bijzondere rechten op te schorten. Verder heeft [A] verzocht [Y] te schorsen als bestuurder van MNP (en een derde persoon te benoemen) en de prioriteitsaandelen in het kapitaal van MNP over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de daaraan verbonden bijzondere rechten op te schorten.

2.13.

De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 16 mei 2017 het verzoek tot het gelasten van een enquête naar het beleid en de gang van zaken in MNP afgewezen. In diezelfde beschikking is wel een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DPB bevolen. Verder heeft de Ondernemingskamer enkele onmiddellijke voorzieningen getroffen. Zo is [gedaagde sub 4] (voor zover niet al rechtsgeldig ontslagen in november 2016) geschorst als bestuurder van DPB en is de [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) voor de duur van de procedure als bestuurder van DPB benoemd. [bestuurder 2] was zelfstandig bevoegd, met beslissende stem voor zover [bestuurder 1] rechtsgeldig als bestuurder was benoemd. Tot slot heeft de Ondernemingskamer bepaald dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB met ingang van 16 mei 2017 zijn geschorst. De Ondernemingskamer heeft onder meer overwogen dat voor de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek ten aanzien van DPB van belang is dat, zoals onder meer ter zitting tot uiting is gekomen, de verhoudingen tussen [A] enerzijds en [gedaagde sub 4] , [Y] en [B] anderzijds zo zeer verstoord zijn dat normaal overleg tussen hen niet mogelijk is.

2.14.

In het verslag van 20 november 2017 van het onderzoek dat door de [de onderzoeker] (hierna: [de onderzoeker] ) is verricht naar aanleiding van voornoemde beschikking van de Ondernemingskamer staat onder meer het volgende:

“(…)

4.6

Maar wat daarvan zij; de relatie tussen [A] en zijn vader en [gedaagde sub 4] lijkt in ieder geval voor nu onoverkomelijk beschadigd. [A] wil zich losweken van de door hem gevoelde oncontroleerbare macht van zijn vader en [gedaagde sub 4] binnen “zijn” BV en wil zakelijk gezien onafhankelijk geadviseerd kunnen worden: “Het punt op de horizon voor [A] is dat hij uiteindelijk zelf in de vennootschap de zeggenschap wil hebben/krijgen over wat hij voelt als zijn aandeel in het vermogen dat nu nog in MNP Beheer zit.”

4.7

[Y] en [gedaagde sub 4] willen het liefst [A] weer terug in het reguliere familieverband brengen waarin alles onderling en gezamenlijk wordt besproken en besloten, zonder, even geparafraseerd, pottenkijkers van buiten. Zij begrijpen ook niet waarom het zo moet en wat [A] nu echt wil.

(…)

5.14 (…)

De rechten van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen zijn zodanig dat de prioriteit feitelijk de macht heeft in DPB. Hoewel [A] als aandeelhouder bestuurders kan benoemen en ontslaan (…), heeft de door [A] benoemde bestuurder zonder medewerking van de prioriteit verder weinig te zeggen. (…)

5.15

Partijen verschillen van mening over de vraag of het nu wel of niet de bedoeling is geweest dat de prioriteitsaandelen van de vennootschappen van de derde generatie na volwassenwording van de betrokken kinderen gehandhaafd zouden blijven. [A] is van mening dat het altijd de bedoeling is geweest dat de derde generatie kinderen uiteindelijk de vrije beschikking zouden krijgen over “hun” BV’s, niet beperkt door rechten op prioriteitsaandelen. (…)

(…)

5.20 (…)

Wat [Y] in de kern betoogt, is dat de prioriteit voorkomt dat de kinderen vrijelijk over het in “hun” BV opgebouwde vermogen kunnen beschikken. (…) Ook zou met de prioriteit voorkomen kunnen worden dat DPB de aandelen in MNB vervreemdt. Alles is gericht op instandhouding van het familiekapitaal voor opvolgende generaties.

7.1 (…)

[Y] heeft formeel gezien bij DPB wel geen positie meer, maar het beeld dat opkomt is dat hij wel degelijk aan de touwtjes trekt. [A] heeft dat met zoveel woorden ook zo ervaren. Feitelijk had [Y] die positie ook. Hij was gemachtigd door [gedaagde sub 4] om beslissingen te nemen namens DPB. Voorts was hij gemachtigd om betalingen namens DPB te doen.

(…)

7.7

Door de verstoorde verhoudingen en de gehanteerde governance is er van een werkzame situatie binnen DPB, waarbij op een evenwichtige wijze met de belangen van [A] rekening wordt gehouden, geen sprake. De pijn zit duidelijk in de controlerende macht die de prioriteit heeft en de wijze waarop deze macht is uitgeoefend. De door [Y] en [gedaagde sub 4] binnen een besloten familieverband gewenste besluitvorming over alle onderwerpen en op informele wijze, botst met het feit dat [A] daar geen deel meer van wil uitmaken. Hij wil zijn eigen belangen op onafhankelijke wijze kunnen nastreven. (…)

7.8 (…)

geen stukken gekregen waaruit zou blijken dat (…) er rechtens afdwingbare toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van het ontmantelen van de prioriteit bij DBP. Dat andere staken het anders doen, maakt naar mijn oordeel dan ook niet dat de staak van [Y] de structuur (…) om die reden zou moeten aanpassen. Dit laat onverlet dat er wel moet worden gehandeld met inachtneming van de wet, statuten en de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW voorschrijft. Daar zijn gegeven de geschetste feiten de nodige gaten gevallen.

2.15.

Op 12 april 2018 heeft een mondelinge behandeling bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden. Na de inhoudelijke behandeling van de zaak hebben partijen verklaard dat zij een regeling wilden treffen en hebben zij de Ondernemingskamer verzocht de hoofdlijnen van deze regeling vast te leggen. [Y] was op dat moment niet meer aanwezig.

In het proces-verbaal van de zitting is onder meer opgenomen dat MNP een dividenduitkering zal doen van € 1,5 miljoen per aandeelhouder, dat het vermogen bestaande uit (de opbrengst van) de N-certificaten binnen MNP blijft teneinde het familievermogen bijeen te houden en dat partijen zullen streven naar het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop het vermogen van MNP zal worden belegd en beheerd. Bedoeling was dat partijen deze regeling op korte termijn in onderling overleg zouden uitwerken. Partijen zijn hier uiteindelijk niet in geslaagd, zodat geen uitgewerkte en daarmee afdwingbare regeling tot stand is gekomen.

2.16.

Vervolgens heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 20 december 2018 geoordeeld dat uit het onderzoek van [de onderzoeker] blijkt van wanbeleid van DPB. Aan haar oordeel heeft de Ondernemingskamer onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

“4.7 (…) De Ondernemingskamer acht, evenals de onderzoeker, van groter gewicht de wijze waarop de prioriteitsaandeelhouder PPB [noot rechtbank: PP Beheer] in strijd met wet en statuten heeft beoogd de bevoegdheid van de bestuurder tot nihil te reduceren, het handelen van de bestuurder aan volledige controle te onderwerpen en bepaalde niet aan de prioriteitsaandeelhouder toekomende bevoegdheden – zoals de bevoegdheid tot ontslag van bestuurders – naar zich toe te trekken. (…)”

2.17.

Verder heeft de Ondernemingskamer (onder meer) overwogen dat door [gedaagde sub 4] is geweigerd om aan [A] de door hem verzochte informatie te verstrekken en heeft de Ondernemingskamer opgemerkt dat de familie het [A] heeft kwalijk genomen dat hij zijn eigen weg heeft willen kiezen, dat zij hem terug willen doen keren in het familieverband en dat zij daarmee niet accepteren en respecteren dat [A] een andere keuze heeft gemaakt.

2.18.

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking onder meer de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB gedurende een jaar buiten werking gesteld, daartoe het volgende overwegende:

“Ten slotte zal de Ondernemingskamer een voorziening treffen die tot doel heeft DPB gelegenheid te bieden een einde te maken aan de overwegende invloed van de houder van prioriteitsaandelen. Zoals de onderzoeker ook heeft geconstateerd, brengt dit niet mee dat het familievermogen onbeschermd raakt (dat zit in MPB [noot rechtbank: MNP], die een eigen prioriteitsregeling kent), maar zal dit wel tot gevolg hebben dat [A] zeggenschap krijgt over de fondsen waarover DPB de beschikking heeft of krijgt.”

2.19.

Op 12 december 2018 heeft MNP de stukken ten behoeve van de te houden algemene vergadering van aandeelhouders van MNP aan DPB gezonden, waaronder een agenda en een concept jaarrekening 2017. Op 17 december heeft [bestuurder 2] het bestuur van MNP een vragenlijst gestuurd met zeventien vragen over de stukken. Eén van de vragen betrof het agendapunt “voorstel dividend”. De betreffende algemene vergadering van aandeelhouders heeft vervolgens op 31 december 2018 buiten aanwezigheid van [bestuurder 2] en [bestuurder 1] plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

DPB vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

 MNP Beheer, PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] hoofdelijk veroordeelt de door DPB in het kapitaal van MNP Beheer gehouden aandelen in eigendom te aanvaarden in een door de rechtbank vast te stellen verhouding, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, tegen gelijktijdige betaling van een door de rechtbank vast te stellen prijs, met de bepaling dat indien de prijs voor de aandelen niet binnen deze termijn is voldaan, hierover vanaf de 8e dag wettelijke rente op de voet van het bepaalde in artikel 6:119a BW verschuldigd is;

 één of meer deskundigen benoemt die binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht moet(en) uitbrengen, met de bepaling dat het door de deskundige(n) in rekening te brengen voorschot hoofdelijk voor rekening van MNP Beheer, PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] komt en voorts, nadat de deskundige(n) bericht hebben uitgebracht:

 de prijs voor de aandelen vast te stellen;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van MNP Beheer, PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] in de kosten van deze procedure, inclusief de kosten van de deskundige, te vermeerderen met de nakosten en met bepaling dat de proces- en nakosten binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis dienen te worden voldaan, bij gebreke waarvan vanaf de 8e dag wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

DPB legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij door gedragingen van MNP en (al) haar medeaandeelhouders zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij nog langer aandeelhouder blijft van MNP. DPB vordert uittreding omdat zij zich als aandeelhouder in een benarde positie bevindt en er geen uitzicht is op een redelijke oplossing. Samenwerking met de andere aandeelhouders is niet meer mogelijk, aldus DPB. Zij baseert haar vordering tot uittreding op de volgende omstandigheden. Ten eerste zijn de verhoudingen tussen [A] enerzijds en [Y] en de broer en zussen anderzijds ernstig verstoord en wordt DPB, althans [A] , ten opzichte van de andere kinderen niet gelijk behandeld. Verder ontvangt DPB ten onrechte geen adequate informatie van MNP en onthoudt MNP haar structureel een aandeel in de winst. Tot slot stelt DPB zich op het standpunt dat met de verkoop van de N-certificaten in feite sprake is van een materiële liquidatie van MNP, maar dat MNP weigert tot vereffening en verdeling over te gaan.

3.3.

MNP c.s. voeren verweer. Zij betwisten dat er gronden voor uittreding zijn. De feiten en omstandigheden die rondom DPB spelen of hebben gepeeld, zijn niet per definitie relevant voor de situatie binnen MNP. Volgens MNP c.s. is van een verstoorde relatie geen sprake. Hoewel alle aandeelhouders, behalve DPB, het familiekapitaal bijeen willen houden in MNP, wil dat nog niet zeggen dat de familie hierdoor wrok koestert jegens [A] . Volgens MNP c.s. zet [A] juist zelf de familieverhoudingen onder druk. Verder staat volgens MNP c.s. de uitkeringstoets van artikel 2:207 BW in de weg aan de inkoop door MNP van haar eigen aandelen en kan de vordering ook om die reden niet worden toegewezen. Zij wijzen in dit verband op de jaarrekening van MNP over 2017. Ook de overige aandeelhouders kunnen een (gedwongen) overname van aandelen overigens niet betalen. Tot slot wijzen MNP c.s. erop dat DPB de statutaire route tot verkoop van de aandelen had kunnen kiezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Voldaan aan de voorwaarden van artikel 2:343 BW?

4.1.

Gedragingen van medeaandeelhouders en van de vennootschap kunnen grond zijn voor de toewijzing van een vordering tot uittreding (gedwongen overname van aandelen). De aandeelhouder die overname van zijn aandelen eist, dient door deze gedragingen zodanig in zijn rechten of belangen te zijn geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, zo luidt het in artikel 2:343 lid 1 BW verankerde criterium. Uit de rechtspraak kan het beeld ontstaan dat de lat voor toewijzing van een 2:343 BW-vordering hoog ligt en met name dat het enkele geschaad zijn van een aandeelhouder in diens rechten of belangen door gedragingen van een andere aandeelhouder (of door de rechtspersoon) daarvoor onvoldoende is. “(Bijkomende) zwaarwegende omstandigheden” worden in de rechtspraak wel genoemd als (nadere) eis om een 2:343 BW-vordering te kunnen toewijzen. In de memorie van toelichting bij het voorontwerp van de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure, dat in 2019 ter consultatie is gepubliceerd, wordt, op bladzijde 10, opgemerkt:

“Onder het huidige recht bepaalt artikel 2:343 lid 1 BW dat er sprake moet zijn van een situatie waarbij de aandeelhouder ‘zodanig’ in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (vgl. paragraaf 2.1). Dit is een minder zware toets dan de afweging of ‘zwaarwegende omstandigheden’ aanwezig zijn. Deze hogere lat die in de jurisprudentie voor uittreding bestaat is onwenselijk. De uittreding is bedoeld als een adequate exit voor een beknelde minderheidsaandeelhouder.”

De Ondernemingskamer overwoog recent over de ‘drempel’ die ligt besloten in artikel 2:343 BW (zoals dat nu nog luidt) (OK 3 september 2019, JOR 2020/59, r.o. 3.31):

“Deze maatstaf houdt niet in dat de vordering slechts kan worden toegewezen in geval van “bijkomende zwaarwegende omstandigheden”, “zwaarwegende gronden” of “verwijtbaarheid” van de medeaandeelhouders of de vennootschap”.

In de uitleg van de norm van artikel 2:343 BW die de Ondernemingskamer hanteert komt het er dus op neer dat voor toewijzing van de vordering voldoende is dat gedragingen van medeaandeelhouder(s) (of de vennootschap) de eisende aandeelhouder in een beknelde positie brengen. Dit is, constateert de rechtbank, de maatstaf van artikel 2:343 lid 1 BW (ook al) naar de huidige stand van zaken; hoger ligt de lat dus niet.

4.2.

Tussen DPB (althans [A] ) en de overige aandeelhouders (althans [B] , [C] en [gedaagde sub 4] ) bestaat twist over de vraag of het familiekapitaal bijeen moet worden gehouden in MNP, zoals MNP c.s. stellen, of dat de kinderen van de derde generatie ( [A] en zijn broer en zussen) desgewenst de vrije beschikking moeten krijgen over ieders aandeel in het vermogen, zoals DPB stelt. Dit geschil leidt tot tegengestelde standpunten over de koers van MNP en dientengevolge over de besluitvorming in MNP.

4.3.

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 16 mei 2017 geoordeeld dat de keuze om beleid te voeren dat gericht is op de wens om het familiekapitaal in stand te houden in beginsel te billijken is en op zichzelf (in de door de Ondernemingskamer geschetste omstandigheden) geen reden oplevert aan een juist beleid van MNP te twijfelen. Uit de bij de Ondernemingskamer bereikte overeenstemming op hoofdlijnen volgt dat ook DPB en haar aandeelhouder [A] bereid waren in onderling overleg tot een beleid te komen dat primair gericht is op het bijeenhouden van het familiekapitaal in MNP, maar dat zij daarin uiteindelijk niet zijn geslaagd.

4.4.

Door voornoemd geschil is de verhouding tussen de familieleden inmiddels ernstig verstoord geraakt. Dit volgt niet alleen uit de bevindingen van onderzoeker [de onderzoeker] :

“maar wat daarvan zij; de relatie tussen [A] en zijn vader en [gedaagde sub 4] lijkt in ieder geval voor nu onoverkomelijk beschadigd” en “door de verstoorde verhoudingen en de gehanteerde governance is er van een werkzame situatie binnen DPB, waarbij op een evenwichtige wijze met de belangen van [A] rekening wordt gehouden, geen sprake.”


Ook de Ondernemingskamer is tot deze conclusie gekomen en heeft overwogen dat voor de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek ten aanzien van DPB van belang is dat de verhoudingen tussen [A] enerzijds en [gedaagde sub 4] , [Y] en [B] anderzijds zo zeer verstoord zijn dat normaal overleg tussen hen niet mogelijk is.

Verder blijkt ook uit een brief van [bestuurder 2] die hij na een schorsing van een algemene vergadering van aandeelhouders van DPB gehouden op 30 november 2017 aan [gedaagde sub 4] heeft verzonden dat constructief overleg tussen de betrokken partijen niet (langer) mogelijk is:

“tijdens deze vergadering werden uw vader en moeder verbaal agressief. Ik heb vanwege mijn rol als voorzitter geprobeerd de gemoederen te temperen, maar werd daarbij door hen beiden totaal genegeerd of juist verbaal aangevallen. Op enig moment stond uw vader op en veegde hij met een wild armgebaar de koffiekopjes door de vergaderkamer.”

4.5.

De rechtbank passeert het betoog van MNP c.s. dat de verhouding binnen DPB niets zegt over de verhouding binnen MNP. MNP c.s. miskennen dat het om dezelfde (partij)verhoudingen gaat en dat ook de kern van het geschil tussen partijen hetzelfde is, namelijk de vraag of het familiekapitaal in MNP bijeen moet worden gehouden of niet. Overigens heeft de rechtbank ook zelf kunnen constateren dat de verhouding tussen de bij MNP betrokken partijen verstoord is. Zo was op verzoek van de advocaat van DPB tijdens een deel van de zitting parketpolitie aanwezig, dit naar aanleiding van de grimmige sfeer op de gang voorafgaand aan de zitting. Ook tijdens de zitting was sprake van een vijandige attitude jegens [A] , waarbij de langdurige en indringende blikken van [B] richting zijn broer [A] sterk opvielen. Vanzelfsprekend zijn dit momentopnamen, maar ze bevestigen wel het uit het dossier gebleken beeld van de verhoudingen tussen [A] enerzijds en de overige familieleden anderzijds. Gelet op al deze omstandigheden tezamen, is de conclusie gerechtvaardigd dat ook de verhouding tussen de aandeelhouders van MNP verstoord is.

4.6.

Deze verstoorde verhouding tussen partijen staat kennelijk in de weg aan gezonde verhoudingen in de vennootschap en leidt ertoe dat de overige aandeelhouders in MNP en MNP zelf onvoldoende rekening houden met de belangen van DPB. In dit verband acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

4.7.

Ten eerste heeft op 31 december 2018 een aandeelhoudersvergadering van MNP plaatsgevonden zonder (vertegenwoordiging van) DPB. Voorafgaand aan de vergadering is overleg geweest over de datum en het tijdstip van de vergadering en hebben de bestuurders van DPB ( [bestuurder 2] en [bestuurder 1] ) gemeld dat zij niet aanwezig konden zijn omdat zij op de voorgestelde datum in het buitenland waren. Volgens [bestuurder 1] is toen de indruk gewekt dat naar een alternatieve datum zou worden gezocht of dat de besluitvorming buiten vergadering zou plaatsvinden. Kort voor de vergadering ontving hij echter een e-mail dat de vergadering toch op 31 december 2018 door zou gaan. Namens MNP c.s. is hier ter zitting tegen ingebracht dat het tijdstip van de vergadering sinds de komst van [bestuurder 1] in overleg met hem wordt bepaald. MNP c.s. hebben echter niet weersproken dat zij wisten dat [bestuurder 2] en [bestuurder 1] op 31 december 2018 niet aanwezig konden zijn en dat zij de vergadering vervolgens toch door hebben laten gaan zonder naar een andere optie te zoeken. Dit, terwijl er voorafgaand aan de vergadering namens DPB per e-mail een flink aantal vragen (i t/m xvii) aan het bestuur van MNP was voorgelegd over de jaarrekening 2017. Bovendien is het aantal vergadergerechtigden beperkt, zodat toch bepaald niet het onmogelijke wordt gevraagd om een alle partijen conveniërende datum te vinden. Dit te meer, nu [bestuurder 1] en [bestuurder 2] kenbaar hadden gemaakt bereid te zijn ook in de avonduren te vergaderen, indien nodig.

4.8.

Ten tweede heeft ook op 8 juli 2019 een aandeelhoudersvergadering van MNP plaatsgevonden die DPB wilde bijwonen. DPB heeft hierover ter zitting verklaard dat de vergadering zou plaatsvinden in een door MNP aangekocht woonhuis te [plaats 1] , dat de vergadering om 19:30 uur zou beginnen, dat [bestuurder 1] en mr. Schepel vijf minuten voor het aanvangstijdstip op de locatie aanwezig waren en dat zij een tijdje met [Y] hebben staan praten, die in de tuin van het woonhuis aan het werk was. Toen zij om 19:35 uur aanbelden deed er niemand open en leek er ook niemand aanwezig te zijn. Om 20:06 uur ontving [bestuurder 1] een e-mail waarin te lezen was dat de vergadering was gehouden, dat zij ( [bestuurder 1] en Schepel) te laat waren geweest en dat over de tien agendapunten besluitvorming ter vergadering had plaatsgevonden.

Namens MNP c.s. is hiertegen ingebracht dat [bestuurder 1] en mr. Schepel pas om 19:55 uur bij MNP waren, dat zij toen ongeveer 5 minuten met [Y] hebben gesproken en dat hij hen er toen op heeft gewezen dat het al 20:00 uur was en dat ze te laat waren voor de vergadering.
De lezing van MNP roept naar het oordeel van de rechtbank vraagtekens oproept. Ook als [bestuurder 1] en mr. Schepel 25 minuten te laat waren, is het op zijn minst opmerkelijk dat zij geen van de overige aandeelhouders tegen het lijf zijn gelopen. Dat zou namelijk betekenen dat de vergadering in die betreffende 25 minuten geheel is afgewikkeld en dat alle aandeelhouders alweer vertrokken waren voordat [bestuurder 1] en mr. Schepel in de buurt waren. Bovendien moet om 20:06 uur vanaf een andere locatie, door het bestuur of één van de andere ter vergadering aanwezigen, zijn gemaild dat de vergadering al ten einde was. Dit komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het er alle schijn van dat de vertegenwoordiging van DPB (opnieuw) buiten de vergadering – en daarmee buiten de besluitvorming – is gehouden.

Voor zover het betoog van MNP c.s. klopt en de aandeelhoudersvergadering al klaar was op het moment dat mr. Schepel en [bestuurder 1] te laat verschenen, duidt ook dit op een tegenwerking van de bestuurders van DPB. In dat geval had het namelijk op de weg van MNP c.s. geleden contact te zoeken met mr. Schepel of [bestuurder 1] om te informeren of zij nog ter vergadering zouden verschijnen. MNP c.s. hadden kunnen en moeten begrijpen dat [bestuurder 1] en mr. Schepel het voornemen hadden de aandeelhoudersvergadering bij te wonen, in ieder geval om een antwoord te krijgen op de vele vragen die via de vragenlijst waren gesteld en die zij eerder hadden toegestuurd (zie 2.19). De handelwijze van MNP c.s., ook in haar eigen perceptie van de gang van zaken, is ten minste niet in overeenstemming met wat de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 lid 1 BW), onder de gegeven omstandigheden, verlangden.

4.9.

In de derde plaats valt het MNP te verwijten dat zij, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen notulen van de hiervoor genoemde algemene vergaderingen van aandeelhouders aan DPB heeft verstrekt. MNP was daartoe op grond van artikel 16 lid 3 van de statuten wel verplicht. Zij heeft DPB dan ook ten onrechte informatie onthouden. Dat [bestuurder 1] ten kantore van MNP de notulen in had kunnen zien, neemt niet weg dat de statutaire verplichting deze notulen op verzoek toe te sturen niet is nagekomen.

Doordat DPB geen kennis heeft genomen van de notulen, weet zij niet wat tijdens de vergadering is besloten en op welke wijze de besluitvorming heeft plaatsgevonden. Zo had zij bij brief van 17 december 2018 onder meer een vraag gesteld over het voorstel tot het uitkeren van dividend, nu in het geagendeerde voorstel geen melding was gemaakt van het uit te keren dividendbedrag. Dat vervolgens daadwerkelijk besloten is om dividend uit te keren en tot welk bedrag, heeft DPB alleen kunnen afleiden uit de omstandigheid dat MNP na 31 december 2018 een som aan haar heeft uitgekeerd.

4.10.

MNP c.s. hebben aangevoerd dat DPB altijd welkom is op de algemene vergadering en dat zij via die route de door haar gewenste informatie kan ontvangen, maar de praktijk wijst uit dat de welwillendheid voor wat betreft inspraak en informatieverstrekking van de zijde van MNP c.s. jegens DPB ver te zoeken is. Uit het voorgaande blijkt dat, ondanks de pogingen van (de bestuurders van) DPB om bij de algemene vergaderingen van MNP aanwezig te zijn, door de overige aandeelhouders geen moeite wordt gedaan DPB bij die vergaderingen te betrekken. Zij lijken DPB juist van die vergaderingen te weren. En verder, zo kwam hiervoor al aan de orde, wordt DPB – ondanks haar verzoeken daartoe – relevante informatie over de besluitvorming onthouden.

4.11.

Over het gebrek aan informatieverstrekking neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. DPB heeft in haar (zojuist aan de orde gekomen) vragenlijst onder iii opgemerkt dat de uitgaven in 2016 voor een holdingmaatschappij zonder eigen ondernemingsactiviteiten opvallend hoog zijn en in 2017 zelfs zijn verdubbeld. Zij heeft gevraagd waarom deze kosten noodzakelijk waren. Enig inzicht hierin heeft MNP niet verschaft. Dit terwijl [Y] namens MNP tijdens de comparitie heeft verklaard dat MNP nu een grootschalig “onderzoekskantoor” is en onder andere onderzoek doet naar grootschalige fraude en prijsfixing door het familiebedrijf met derde partijen. Hij heeft daarbij activiteiten in Nigeria genoemd en 300 garnalenbedrijven in [plaats 2] . “Wij zijn voor de boeren en de visboeren. Wij gaan Nederland hervormen”, aldus [Y] ter zitting. Gelet op deze activiteiten, die op het eerste gezicht wat wezensvreemd overkomen voor een vennootschap die zich erop zou richten familievermogen te beheren, mocht DPB verwachten dat zij naar aanleiding van haar vragen nadere informatie zou krijgen. Dat klemt temeer nu, zoals tijdens de comparitie bevestigd werd, DPB het met deze activiteiten van (of namens het bestuur van) MNP niet eens is.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank maken voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat DPB zodanig in haar rechten en belangen wordt geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer van haar kan worden gevergd. Door hun handelen maken MNP en haar aandeelhouders het DPB onmogelijk om op een normale wijze haar aandeelhoudersrechten uit te oefenen.

Bij dit oordeel laat de rechtbank meewegen dat partijen in de loop van de enquêteprocedure hebben geprobeerd om hun geschil bij te leggen door een regeling te treffen. Zij hebben bij die gelegenheid op hoofdlijnen afspraken gemaakt, waarbij het doel van de broer, zusters en [Y] om het familiekapitaal bij elkaar te houden, grotendeels zou worden geëerbiedigd. Het is echter niet gelukt om deze afspraken uit te werken in een definitieve regeling en na het stuklopen van de onderhandelingen in de eerste helft van 2018 zijn de verhoudingen onverminderd verstoord gebleven.

4.13.

De rechtbank merkt tot slot nog op dat, hoewel voornoemde gedragingen voornamelijk terug zijn te leiden naar gedragingen van PP Beheer (althans [B] ) en [Y] , DPB ook in haar rechten en belangen is geschaad door gedragingen van ACP Beheer (althans [C] ) en [gedaagde sub 4] . Daartoe is het volgende redengevend.

4.14.

In overeenstemming met het beeld dat naar voren komt in het rapport van onderzoeker [de onderzoeker] (zie 2.14 onder 7.1), heeft de rechtbank de overtuiging dat [Y] formeel gezien misschien geen positie meer bij MNP bekleedt, maar dat hij wel degelijk nog aan de touwtjes trekt. In dit geval samen met PP Beheer, althans [B] . Zij zetten samen de lijnen uit en bepalen de koers van MNP. ACP Beheer (althans [C] ) en [gedaagde sub 4] lijken PP Beheer en [Y] hierin de vrije hand te geven. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat zij op enige wijze hebben geprotesteerd tegen de wijze waarop PP Beheer en [Y] zich jegens DPB (hebben) gedragen. Bovendien is niet gebleken dat zij als aandeelhouder zelf enige moeite hebben gedaan om (de vertegenwoordiging van) DPB bij de algemene vergaderingen van 31 december 2018 en 8 juli 2019 te betrekken. Klaarblijkelijk scharen ACP Beheer en [gedaagde sub 4] zich achter de door PP Beheer en [Y] uitgezette koers en vormen zij samen met hen één blok. Deze conclusie wordt ondersteund door de omstandigheid dat ACP Beheer en [gedaagde sub 4] ook in deze procedure gezamenlijk met MNP en PP Beheer optrekken, zich door dezelfde advoca(a)t(en) laten vertegenwoordigen en geen eigen verweer hebben gevoerd of individueel standpunten hebben ingenomen. Bovendien hebben zij [Y] gemachtigd om namens hen ter zitting het woord te voeren en zijn zij zelf niet bij de zitting aanwezig geweest. Door met PP Beheer (en [Y] ) één blok te vormen en geen eigen (tegen-)geluid te laten horen, hebben ook de gedragingen van ACP Beheer en [gedaagde sub 4] eraan bijgedragen dat DPB in een beknelde positie is komen te verkeren.

4.15.

Gelet op het voorgaande, behoeven de overige door DPB aangevoerde argumenten en de hiertegen ingebrachte verweren van MNP c.s. geen bespreking meer. Dit geldt ook voor het verweer van MNP c.s. dat de werkelijke reden van DPB voor het voeren van deze procedure is dat DPB met lede ogen ziet dat de procedure van MNP tegen Diek geld kost en dat DPB dit als een verspilling ziet. Terecht of niet, de rechtbank acht dit niet (meer) relevant voor de beoordeling.

4.16.

De vordering van DPB tot uittreding komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Dat kan jegens MNP alleen dan anders zijn, indien het bestuur van MNP zich er met recht op beroept dat een inkoop van aandelen de uitkeringstest van artikel 2:207 BW niet doorstaat. In dat geval mag MNP geen eigen aandelen verkrijgen en moet de vordering jegens haar worden afgewezen.

4.17.

Het argument dat DPB de statutaire (blokkerings-)regeling had moeten volgen, gaat niet op. Een vordering tot uittreding kan worden ingesteld als aan de vereisten van artikel 2:343 lid 1 BW is voldaan en is gebleken dat de gedaagde aandeelhouders niet bereid zijn vrijwillig de aandelen voor een reële prijs over te nemen. Dat een vrijwillige overname van de aandelen voor MNP c.s. geen optie is, is wel uit hun proceshouding gebleken. Het volgen van de statutaire blokkeringsregeling is alleen daarom al geen optie, omdat die regeling niet de zekerheid biedt dat de aandelen daadwerkelijk worden overgenomen.

4.18.

Het gevolg van het voorgaande is dat de vordering tegen de medeaandeelhouders toewijsbaar is. Niet geheel, want de rechtbank acht de aandeelhouders niet hoofdelijk verbonden tot overname van de (alle) door DPB gehouden aandelen.
Ook de vordering gericht tegen MNP is – in beginsel, maar minder vergaand dan DPB heeft gevorderd – toewijsbaar. Maar nog wel moet de vraag worden beantwoord of de uitkeringstest niet aan toewijzing jegens MNP in de weg staat. Daar gaat de rechtbank hierna op in.

Uitkeringstest artikel 2:207 BW

4.19.

MNP c.s. hebben aangevoerd dat de uitkeringstest van artikel 2:207 BW niet wordt doorstaan en dat dit in de weg staat aan de verkrijging van eigen aandelen door MNP. Ter onderbouwing van dit standpunt wijzen zij er op dat uit de jaarcijfers van MNP over 2017 volgt dat alle activa vereffend zouden moeten worden om de aandelen van DPB te kunnen kopen en dat er dan – uitgaande van de door DPB geschatte waarde – nog een tekort van 2 miljoen is. Volgens MNP c.s. zal MNP in staat van faillissement kunnen raken en mag het bestuur van MNP dit risico niet nemen.

4.20.

DPB heeft de juistheid van de jaarrekening over 2017 betwist. Volgens haar is de jaarrekening 2017 van MNP op een aantal punten feitelijk onjuist. Zo heeft MNP haar N-certificaten verkocht tegen een koopsom van € 122.500.000,-. Deze N-certificaten zijn in maart 2017 geleverd en de aan de transactie verbonden koopprijs (minus een bedrag van
€ 20.000.000 dat (de familie van) [X] op de koopprijs mocht inhouden, zoals bepaald in het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 maart 2017) staat, voor zover de rechtbank bekend, op de derdenrekening van de notaris. Dat de N-certificaten niet meer als vaste activa op de jaarrekening staan vermeld, is op zich juist. Daar staat echter tegenover dat het eigen vermogen van MNP met de ontvangen koopsom voor de N-certificaten evenredig is toegenomen. Dit is in de jaarrekening echter niet terug te zien. Als deze koopsom bij het eigen vermogen wordt opgeteld, wordt de uitkeringstoets van artikel 2:207 BW probleemloos doorstaan. Te meer nu MNP geen wettelijke of statutaire reserves aan hoeft te houden. Zo nodig, moet een deskundige hierover oordelen, aldus nog steeds DPB.

4.21.

DPB heeft ter zitting verder verklaard dat, ook als MNP in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, dit geen (grote) invloed zou moeten hebben op de hoogte van het eigen vermogen van MNP. De koopsom moet dan weliswaar worden terugbetaald aan de (familie van) [X] , daar staat tegenover dat de N-certificaten dan weer aan MNP toebehoren. De uitkomst van de procedure in hoger beroep heeft volgens DPB dan ook met name invloed op de liquiditeit.

4.22.

De rechtbank stelt vast dat de huidige stand van zaken is dat er een onaantastbare koopovereenkomst is gesloten en dat de N-certificaten door MNP aan de (familie van) [X] zijn verkocht en geleverd tegen betaling van een koopsom van € 122.500.000,-. Dat is het oordeel van deze rechtbank geweest in het geding waarin nu hoger beroep aanhangig is. Het is denkbaar dat in hoger beroep anders wordt geoordeeld, als gevolg waarvan de N-certificaten door vernietiging of nakoming van een verbintenis tot ongedaanmaking terugkeren in het vermogen van MNP. De vraag is wat het ene scenario (de verkoop van de N-certificaten blijft in stand) en het andere scenario (de koop wordt alsnog aangetast en de N-certificaten keren terug naar MNP) voor gevolg heeft voor de uitkeringstest.

De rechtbank zal de te benoemen deskundige opdragen zijn oordeel te geven over de uitkomst van de uitkeringstest in het ene of het andere scenario, uitgaande van een veroordeling tot overname van de aandelen van DPB. Een en ander betekent dat nu nog niet vaststaat of MNP de aandelen zal kunnen overnemen. De rechtbank zal de vennootschap dan ook voorwaardelijk veroordelen tot overname van aandelen gehouden door DPB, onder de in het dictum te bepalen omstandigheden. In het dictum zal nu al worden bepaald dat MNP – als de voorwaarde vervuld is en de uitkeringstest dus niet aan inkoop in de weg staat – subsidiair verbonden zal zijn, namelijk in het geval één of meer aandeelhouders gedurende 14 dagen in verzuim zijn met de nakoming van hun overnameverplichting. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze subsidiaire verbondenheid niet afdoet aan de subsidiaire verbondenheid van de aandeelhouders op grond van artikel 343a lid 5 BW.

Waardebepaling aandeel DPB in MNP

4.23.

De medeaandeelhouders en de vennootschap (de laatste voorwaardelijk) zullen worden veroordeeld tot overname van de aandelen van DPB. Nu zich één van de situaties bedoeld in artikel 2:339 lid 3 BW niet voordoet zal de rechter op de voet van artikel 2:339 lid 1 juncto 2:343 lid 3 BW een deskundige benoemen die zal worden belast met de taak de waarde van de aandelen van DPB vast te stellen.

4.24.

De rechtbank zal deze deskundige daarnaast verzoeken zich, na raadpleging van het standpunt van het bestuur van MNP hierover, uit te laten over de vraag of de toets van artikel 2:207 lid 2 BW al dan niet in de weg staat aan de verkrijging (koop) van eigen aandelen door MNP.

4.25.

De rechtbank is voornemens de heer drs. [deskundige] van […] als deskundige te benoemen en hem de volgende vragen voor te leggen:

  1. DPB houdt 25% van de gewone aandelen in MNP. Welke waarde vertegenwoordigen deze aandelen in het economisch verkeer per de datum van uw waardering?

  2. Kunt u, na raadpleging van het standpunt van het bestuur van MNP hierover, adviseren of de uitkeringstest bedoeld in artikel 2:207 lid 2 BW, in redelijkheid toegepast, in de weg staat aan de verkrijging door MNP van alle, dan wel een deel van de, door DPB gehouden aandelen en zo ja tot welk deel?

  3. Wilt u bij de beantwoording van vragen 1 en 2 betrekken de verkoop door MNP van de N-certificaten aan (de familie van) [X] voor een koopsom van € 122.500.000,-, de omstandigheid dat die koopsom (nog) niet beschikbaar is voor MNP en de mogelijkheid dat – bij succes in hoger beroep – de certificaten terugkeren bij MNP.

  4. Zijn er nog omstandigheden die naar uw mening relevant zijn voor de prijsbepaling door de rechtbank?

4.26.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Indien bezwaar bestaat tegen benoeming van voornoemde deskundige, dient dat bezwaar van een deugdelijke onderbouwing te worden voorzien. De rechtbank zal de zaak hiervoor naar de rol van 22 april 2020 verwijzen.

4.27.

DPB zal als eisende partij het voorschot voor de kosten van de deskundige moeten voldoen.

4.28.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.


Aanhouden procedure?

4.29.

MNP c.s. hebben verzocht om aanhouding (verwijzing naar de parkeerrol) van de zaak omdat duidelijk zou zijn dat MNP en MNP c.s. nooit aan de verplichting tot betaling van de verkrijgprijs kunnen voldoen, zolang de procedure in hoger beroep loopt en het beslag (zie 2.3) nog op de koopsom rust. Verder hebben MNP c.s. erop gewezen dat in hoger beroep en in deze procedure mogelijk onverenigbare beslissingen worden genomen.

4.30.

De rechtbank overweegt dat het toewijzen van de vordering tot uittreding los staat van de uitkomst van de procedure in hoger beroep. Wel kan de uitkomst van die procedure van invloed zijn op de hoogte van de liquide middelen van MNP en daarmee op de mogelijkheid of MNP de aandelen zal kunnen overnemen. Omdat de rechtbank in haar vraagstelling aan de deskundige daarmee rekening heeft gehouden, ziet de rechtbank ook in deze omstandigheid echter geen aanleiding de procedure aan te houden. Het verzoek wordt afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] ieder 1/3e deel van de door DPB gehouden aandelen in MNP over te nemen;

5.2.

veroordeelt MNP, vooralsnog voorwaardelijk – namelijk onder de voorwaarde dat de rechtbank tot het oordeel komt dat een overname door de vennootschap van de aandelen niet in strijd komt met het bepaalde in artikel 2:207 lid 2 BW – de door DPB gehouden aandelen in MNP over te nemen, voor zover één of meer van de onder 5.1. tot overname veroordeelde medeaandeelhouders met de afname gedurende 14 dagen in gebreke zijn;

5.3.

veroordeelt DPB tot levering van de door haar gehouden aandelen in MNP aan PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] , c.q. MNP, voor zover de voorwaarde genoemd bij 5.2 is vervuld, op de wijze bepaald in artikel 2:343a BW;

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van 22 april 2020 voor uitlaten partijen (bij akte) over hetgeen onder 4.26 is vermeld;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter, mr. A.C. Bordes en mr. J. Smeets en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.