Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2994

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
Awb 19/6405
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verzocht om bemiddeling voor adequate zorg. Verweerder heeft bij brief van 24 april 2019 op dit verzoek gereageerd. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de brief van 24 april 2019 enkel informatief van aard is en geen rechtsgevolg in het leven heeft geroepen. Eiser heeft tegen dit primaire standpunt van verweerder geen gronden aangevoerd. Evenmin heeft eiser ter zitting hier een standpunt over ingenomen. Al daarom houdt het primaire standpunt van verweerder stand en is het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/6405

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 29 januari 2019 heeft eiser verweerder verzocht om bemiddeling voor adequate zorg.

Bij brief van 24 april 2019 heeft verweerder op het verzoek van eiser gereageerd. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 5 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. Eiser heeft in zijn brief van 29 januari 2019 beschreven dat hij PTSS heeft, dat hij lijdt aan depressies en dat hij alcoholafhankelijk is. Eiser verzoekt verweerder te bemiddelen bij het verkrijgen van de juiste zorg. Eiser vindt dat verweerder daar op grond van het Verdragsrecht toe verplicht is.

  2. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiser, gericht tegen verweerders brief van 24 april 2019, kennelijk niet-ontvankelijk is. In de brief van 24 april 2019 heeft verweerder aangegeven dat op hem geen rechtsplicht rust om voor eiser te bemiddelen naar een zorgaanbieder. Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, zoals eiser, moeten zelf contact opnemen met een zorgaanbieder. Verweerder heeft in de brief van 24 april 2019 alleen maar informatie verschaft aan eiser. Deze brief heeft geen rechtsgevolg in het leven geroepen. Daarom kan het bezwaar van eiser op deze brief niet worden aangemerkt als een bezwaar gericht tegen een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
    Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt.

  3. Eiser voert aan dat op verweerder de verdragsrechtelijke plicht rust hulp te bieden in geval van nood. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:722). De bevoegdheid om hulp te bieden heeft verweerder aan de gemeente gegeven. Plaatsing geschied op advies van de GGD. Beide adviezen zijn niet overgelegd in de bezwaarprocedure. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat verweerder zich van deze adviezen heeft vergewist. Eiser wenst dat verweerder een plaatsingsbesluit neemt met daarin de doelen van de begeleiding en beschrijving van de te bieden zorg en opvang.

3.1

De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het primaire standpunt van verweerder, dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Ook ter zitting heeft eiser hierover geen standpunt ingenomen. Nu het primaire standpunt daarom standhoudt, zal de rechtbank het beroep al daarom ongegrond verklaren. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.