Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2927

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
C/09/575015 / HA ZA 19-615
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwzaak. Tussenvonnis over vraag wie herstelkosten ter zake van schade na aanleg leidingwerk bij gemaal moet dragen. UAV-GC 2005 van toepassing. Ontwerp- of uitvoeringsverantwoordelijkheid? Oorzaak schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/575015 / HA ZA 19-615

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

GMB CIVIEL B.V., te Opheusden,

eiseres,

advocaat mr. P. Koeslag te Schijndel,

tegen

HOOGHEEMRAADSCHAP DELFLAND, te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag.

Partijen worden hierna GMB en Delfland genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 juni 2019;

  • -

    de akte overlegging producties bij aanbrengen nieuwe zaak met producties 1 tot en met 36;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 37 tot en met 42;

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2019, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het op 23 december 2019 door mr. Koeslag ingediende B8 formulier van de zijde van GMB met producties 43 en 44;

  • -

    de brief van 10 januari 2020 van mr. Van den Berg van de zijde van Delfland met productie 45;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2020.

1.2.

Het proces-verbaal is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. GMB heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt. Haar brief van 11 februari 2020 is aan het proces-verbaal gehecht. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van die opmerkingen gelezen.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

GMB is een aannemingsbedrijf. GMB houdt zich onder meer bezig met de bouw en aanleg van gemalen en leidingen.

2.2.

GMB heeft na een nationale niet-openbare aanbesteding opdracht gekregen van Delfland voor de realisatie van de bouwkundige, civiele en werktuigbouwkundige werkzaamheden voor een gemaal met bijbehorende grondwerken in de polder Bergboezem in de gemeente Lansingerland (hierna: het Werk). Onderdeel van het Werk was het aanleggen van leidingen en het aansluiten van die leidingen op een leiding die een andere aannemer (bouwbedrijf Heijmans) in 2012 had gerealiseerd. Op 7 respectievelijk 10 oktober 2013 hebben partijen de basisovereenkomst (hierna: de Basisovereenkomst) ondertekend.

2.3.

In de Basisovereenkomst zijn de volgende bepalingen opgenomen:

Art. 1 Rechtskarakter van de Overeenkomst, toepasselijke voorwaarden

(…)

2. Op de Overeenkomst zijn van toepassing de UAV-GC 2005. Partijen verklaren met de inhoud van de UAV-GC 2005 bekend te zijn.

(…)

Art. 2 Opdracht, Werk, Meerjarig Onderhoud, prijs, datum van oplevering

1. De Opdrachtgever draagt hierbij aan de Opdrachtnemer op, die verklaart deze opdracht te aanvaarden, het op basis van de Vraagspecificatie en de Aanbieding door middel van Ontwerp- en Uitvoeringswerkzaamheden realiseren van De Bouwkundige, Civiele en Werktuigbouwkundige werkzaamheden voor een poldergemaal met bijbehorende grondwerken in de gemeente Lansingerland, hierna te noemen: het Werk, conform hetgeen in deze Overeenkomst is bepaald.

(…)

4. Met inachtneming van het bepaalde in § 3 lid 9 UAV-GC 2005, betaalt de Opdrachtgever voor de realisatie van het Werk (…) aan de Opdrachtnemer een totaalbedrag van 1.918.000,00 - EURO exclusief btw (…)

(…)

Art. 5. Ontwerpwerkzaamheden

1. De vraagspecificatie bestaat uit:

(…)

- DO Rapportage Witteveen en Bos DT204-106 d.d. 8-12-2010;

- Opleverdossier persleiding door Heijmans gedateerd februari 2012;

- Tekening te realiseren overkluizing Heijmans tekeningnr. 319.003-T004 d.d. 11-06-2009.

2. In het kader van deze Overeenkomst dient de Opdrachtnemer de volgende Ontwerpwerkzaamheden te verrichten:

- het uitwerken van de in lid 1 genoemde documenten tot optimalisatie van het D.O. betreffende bouwkuip en fundatie;

- het inpassen van visvriendelijke pompen;

- het uitwerken van het bovengenoemde tot een uitvoeringsontwerp.

(…)

13 Bewijslast ingeval van gebreken of tekortkomingen

1. Indien na de feitelijke datum van oplevering een gebrek in een of meer van de volgende onderdelen van het Werk aan het licht komt, dient de Opdrachtnemer in afwijking van het bepaalde in § 28 lid 1 sub (a) UAV-GC 2005 te bewijzen dat die gebreken niet te wijten zijn aan zijn schuld, en dat zij evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen:

(a) de waterdichtheid van de constructie;

(b) het zettingsgedrag van de dragende constructiedelen;

(c) de stabiliteit van de bodembescherming;

(e) de capaciteit afwijkingen van het gemaal;

(f) de trillingen die schade tot gevolg hebben;

(g) de stabiliteit van het grondlichaam.

Art. 14 Betalingsregeling

(…)

3. Overeenkomstig § 33 UAV-GC 2005 stelt de Opdrachtnemer een op de planning gebaseerde termijnstaat voor het werk op. (…) De betaling van de aanneemsom in termijnen moet worden gebaseerd op de volgende in de planning voorziene mijlpalen:

(…)

4. De betaling zal plaatsvinden nadat de Opdrachtnemer een declaratie heeft ingediend. (…)”

2.4.

De in de Basisovereenkomst genoemde vraagspecificatie van Delfland (hierna: de Vraagspecificatie) vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

DEEL: ALGEMENE BEPALINGEN

1.2

Definitief Ontwerp

Het definitief ontwerp (DO) vormt het uitgangspunt voor het door de opdrachtnemer op te stellen geoptimaliseerde Definitief Ontwerp (DO) en het Uitvoeringsontwerp (UO).

De locatie, vormgeving van het gemaal en de bovenbouw geldt als een hard uitgangspunt, waarvan niet kan worden afgeweken anders dan met toestemming van de opdrachtgever. Afwijkingen in de hoofdafmetingen, vormgeving en materiaalgebruik in dak en gevel zijn niet toegestaan. De onderbouw mag betreft indeling, pompkeuze en materiaalkeuze door de opdrachtnemer nader worden bepaald, waarbij met het programma van eisen rekening moet worden gehouden.

(…)

5 Werkzaamheden voorbereidingsfase en overleggen

(…)

5.2

Inmeten bestaande situatie

De opdrachtnemer moet de projectlocatie voor eigen rekening inmeten t.o.v. het Rijksdriehoekstelsel.

De inmetingen dienen als basis voor het vervaardigen van het definitief ontwerp.

De opdrachtnemer moet het werk uitzetten en de perceelsgrenzen van het gemaalterrein aangeven.

De opdrachtnemer moet in de nabijheid van het gemaal én van de uitstroomlocatie vaste punten aanbrengen, waarvan de x, y en z-coördinaten ingemeten moeten worden.

(…)

DEEL: PROGRAMMA VAN EISEN

(…)

1) Functionele eisen

(…)

b) Werktuigbouwkundig

1) levensduur 15 jaar

(…)

9) Persleiding ø 800 mm;

10) Persleiding/inlaatleiding ø 1400 mm voorzien van ont-beluchting voorziening;

11) Aansluiting persleidingen ø 800 mm. op inlaatleiding ø 1400 mm.;

12) compensator ø 1400 mm. (…)”

2.5.

Onderdeel van de Vraagspecificatie is het acceptatieplan van Delfland (hierna: het Acceptatieplan), waarin is bepaald dat de opdrachtnemer de volgende documenten ter acceptatie moet indienen:

Ontwerpfase.

Algemeen

5. Opgave van in te zetten zelfstandige hulppersonen;

6. V&G plan uitvoeringsfase;

7. Vervolg termijnstaten.

Definitief Ontwerp (DO)

8. Definitief Ontwerp (incl. tekeningen) van de onderbouw (gemaal en uitstroomput);

9. Definitief Ontwerp (incl. tekeningen) van de bovenbouw;

10. Definitief Ontwerp (incl. tekeningen) van de persleidingen;

11. Definitief Ontwerp (incl. tekeningen en pompkarakteristieken ISO-norm) van de werktuigbouwkundige installaties;

UitvoeringsOntwerp (UO)

12. Uitvoeringsontwerp (incl. tekeningen & constructieberekeningen) van de onderbouw (gemaal en uitstroomput);

13. Uitvoeringsontwerp (incl. tekeningen & constructieberekeningen) van de bovenbouw;

14. Uitvoeringsontwerp (incl. tekeningen & berekeningen) van de persleidingen;

15. Uitvoeringsontwerp (incl. tekeningen & berekeningen, pompkarakteristieken ISO-norm) van de werktuigbouwkundige installaties;

16. Definitieve constructieberekeningen van de fundering en hoofddraagconstructies;

(…)

2.6.

In het kader van de aanbesteding is, zo blijkt uit de nota van inlichtingen (van 18 juli 2013) waarnaar wordt verwezen in de Basisovereenkomst, aan Delfland de vraag gesteld wat de vervormingseisen aan de terp onder het gemaal in combinatie met de beschikbare zettingstijd zijn. Delfland heeft daarop geantwoord dat de te verwachten restzettingen na oplevering maximaal 0,20 meter mogen zijn.

2.7.

Het in de Basisovereenkomst en Vraagspecificatie genoemde definitief ontwerp van het Werk (hierna: het DO) is door het ingenieursbureau Witteveen + Bos (hierna: Witteveen + Bos) in opdracht van Delfland vervaardigd. Tot het DO behoort een aantal tekeningen, waaronder onderstaande tekening (met nummer DT 204-106).

2.8.

Op deze tekening (met aan de rechterzijde de gemaalwand) staan de door GMB aan te leggen hoofdleiding met de daarop aan te sluiten uitstroomleidingen van het gemaal, ook wel bekend als het broekstuk (hierna: het Broekstuk), aangegeven. De diameter van deze leidingen (1.500 mm respectievelijk 800 mm) staat hierbij vermeld. Ook is op de tekening weergegeven dat het Broekstuk moet worden gerealiseerd op een fundatie bestaande uit paaljukken (een constructie van een kesp op twee palen) en dat de paaljukken nader moeten worden bepaald.

2.9.

Onderdeel van Vraagspecificatie is het opleverdossier van Heijmans. Van dit dossier maakt deel uit een tekening van het zij- en bovenaanzicht van de door Heijmans aangelegde leiding, waarop de hoofdleiding van het Broekstuk op moet worden aangesloten. Op deze tekening is weergegeven dat de leiding bestaat uit een boring met aansluitend een pendelstuk, een buisdeel dat zettingen van de ondergrond tussen een onderheid systeem en niet-onderheid systeem opvangt, en een zogeheten Z-stuk (hierna: het Z-stuk). Ter hoogte van de aansluiting van het door GMB te realiseren Broekstuk op het door Heijmans aangelegde Z-stuk (linksboven op de in 2.7 weergegeven tekening) moest een compensator worden toegepast als verbindingsstuk.

2.10.

Voormelde situatie is zichtbaar op onderstaande tekening, die is opgenomen in het hierna te bespreken rapport van Witteveen + Bos van 4 april 2018:

leiding Heijmans scope opdracht GMB

2.11.

Bij het heien van de palen ten behoeve van de paaljukken stuitte GMB op een diepte van circa vijf meter onder het maaiveld gelegen obstakel. Na onderzoek bleek het te gaan om een onderwaterbetonvloer die door Heijmans was geplaatst. GMB noch Delfland was hiermee bekend. Nadat zij met elkaar overleg hadden gevoerd over een oplossing hiervoor en over een voorstel van GMB om het Broekstuk ongefundeerd te realiseren, heeft GMB begin 2015 op verzoek van Delfland de onderwaterbetonvloer onder het Broekstuk verwijderd door middel van een open ontgraving.

2.12.

Op 5 september 2014 heeft GMB een voorstel ingediend bij Delfland om de leidingen van het Broekstuk uit te voeren in (high density) polyethyleen, ook wel HDPE of PE genoemd. In haar voorstel heeft GMB toegelicht dat het leidingsysteem is berekend volgens de norm AVT127. De (sterkte) berekening zelf heeft GMB niet bijgevoegd. Op 22 september 2014 heeft Delfland het voorstel van GMB goedgekeurd. De PE-leidingen zijn vervolgens geproduceerd door Henze en door een onderaannemer van GMB, Rombouts Kunststof Techniek B.V. (hierna: RKT), geleverd en geplaatst.

2.13.

Delfland heeft op enig moment de aanneemsom voor het Werk volledig aan GMB betaald.

2.14.

Op 22 juni 2015 heeft GMB een aanvraag tot aanvaarding van het Werk ingediend bij Delfland, waarna Delfland op 26 juni 2015 het Werk heeft goedgekeurd en aanvaard. In het proces-verbaal van oplevering staat vermeld dat GMB het opleverdossier ter acceptatie door Delfland moest indienen. Het opleverdossier dat GMB vervolgens heeft ingediend is door Delfland geweigerd. De reden hiervoor was dat GMB volgens Delfland niet had aangetoond dat de PE-leidingen voldeden aan de eisen van de Basisovereenkomst. Delfland verlangde een berekening van de belasting van de PE-leidingen. GMB heeft zich vervolgens gewend tot RKT, die op haar beurt Henze heeft benaderd. Op 3 maart 2016 is de berekening van Henze aangeleverd aan Delfland. Delfland heeft deze berekening afgekeurd omdat hierin volgens haar een verkeerd uitgangspunt was gehanteerd, namelijk de ligging van de leidingen op een zandbed in plaats van funderingspunten (palen met kespen). Naar aanleiding hiervan heeft GMB een nadere berekening van de PE-leidingen doen vervaardigen door het Nederlands Instituut voor Kunststofkennis (hierna: NIKK). NIKK heeft op 30 augustus 2016 geconcludeerd dat de PE-leidingen volgens de Duitse norm ATV DVGV 127A, die volgens NIKK tot uitgangspunt neemt dat de leidingen op zand liggen en daardoor de belastingen op de leidingen gelijkmatig worden verdeeld, voldoen aan de eisen van ondergrondse leidingen en toereikend zijn gedimensioneerd.

2.15.

Witteveen + Bos heeft in opdracht van Delfland een second opinion uitgevoerd naar de berekeningen van Henze en NIKK. Op 20 december 2016 is zij tot de conclusie gekomen dat in deze berekeningen verkeerde uitgangspunten zijn gebruikt waardoor de belasting op de PE leidingen in de praktijk hoger zou zijn. In haar notitie heeft zij verder toegelicht dat uit de door haarzelf uitgevoerde berekening (op basis van de norm NEN 3650) is gebleken van forse spanningsoverschrijdingen in het leidingwerk.

2.16.

Naar aanleiding van de bevindingen van Witteveen + Bos heeft GMB opdracht gegeven aan LievenseCSO (hierna: Lievense) voor nader onderzoek. Op 20 februari 2017 heeft Lievense aan de hand van door haar uitgevoerde berekeningen (op basis van de norm NEN 3560) vastgesteld dat forse spanningsoverschrijdingen plaatsvinden. Deze worden volgens haar veroorzaakt door een hoge bovenbelasting en grote zettingen in combinatie met een ongunstige detaillering van de oplegging van het leidingsysteem op de poeren (constructie om de krachten over te dragen naar de ondergrond). In haar vervolgrapport van 10 april 2017 heeft Lievense uiteengezet dat de omstandigheid dat NIKK tot andere uitkomsten is gekomen verband houdt met de door NIKK gekozen uitgangspunten.

2.17.

Bij brief van 12 september 2017 heeft Delfland GMB bericht dat zij nog steeds niet heeft voldaan aan haar verplichting om een compleet opleverdossier aan te leveren, omdat zij niet heeft aangetoond dat de PE-leidingen voldoen aan de gestelde eisen. In haar brief heeft Delfland toegelicht dat zij hierover “bijzonder ontstemd” is en dat zij “in een laatste poging om de bovenstaande kwesties in der minne op te lossen” een gesprek met GMB wenst. Daarbij heeft Delfland de verwachting uitgesproken dat GMB in dit gesprek een concreet voorstel zou gaan doen over hoe zij dit vóór eind november 2017 zou oplossen.

2.18.

Op 13 oktober 2017 heeft GMB een plan van aanpak opgesteld, met daarin een stappenplan en tijdschema voor het maken en realiseren van een zodanig ontwerp “zodat de leiding voldoet aan de gestelde eisen”. Aanvaarding van de herstelwerkzaamheden door Delfland was voorzien in week 21 van 2018.

2.19.

Op 20 november 2017 heeft GMB herstelmaatregelen geformuleerd voor het geval dat de leidingen (na inspectie daarvan) zouden blijken te zijn vervormd.

2.20.

Op 19 december 2017 heeft GMB de PE leidingen inwendig geïnspecteerd en tijdens die inspectie een 3D-scan gemaakt. GMB heeft op basis van de uitkomsten hiervan geconstateerd dat de PE leidingen waren vervormd. Delfland heeft daarop rond de kerst van 2017 besloten om het gemaal stil te leggen. Op verzoek van Delfland heeft GMB een tijdelijke pompinstallatie geplaatst die de functie van gemaal heeft overgenomen.

2.21.

Op 16 februari 2018 heeft GMB de compensator (uitwendig) ingemeten. Op basis van de resultaten van die inmeting heeft zij geconstateerd dat de compensator 19,15 cm is gezakt en 4,5 centimeter richting het gemaal is verplaatst ten opzichte van het moment van de aanleg van de leidingen door GMB.

2.22.

Lievense heeft in opdracht van GMB een analyse uitgevoerde naar de schade die is ontstaan aan de PE-leidingen. In haar rapport van 8 maart 2018 heeft Lievense het volgende geschreven:

6 Resultaten inspecties

(…) De eerder namens GMB door NIKK (…) uitgevoerde ontwerpberekeningen zijn in opdracht van GMB door LievenseCSO in 2017 nader beschouwd (…), waarbij LievenseCSO een herberekening heeft uitgevoerd.

Uit deze herberekening van het leidingsysteem volgde dat het PE leidingsysteem op poeren in zeer beperkte mate in staat is om de zettingen (van het grondlichaam) op te kunnen nemen.

Het belangrijkste verschil tussen de door LievenseCSO uitgevoerde berekeningen en door het NIKK uitgevoerde berekeningen is dat in de berekeningen van LievenseCSO de grond, tussen de poeren, onder de leidingen wegzakt en de leidingen de bovenbelastingen dus volledig afdragen naar de poeren; terwijl in de berekeningen van het NIKK de leidingen volledig door de ondergrond ondersteund blijven.

De in de berekeningen van LievenseCSO berekende, hoge spanningen en deflecties, worden veroorzaakt door een hoge bovenbelasting en grote zettingen in combinaties met ongunstige detaillering van de oplegging op de poeren.

(…)

Resultaten 3D-scan

(…)

Uit de 3D-scan volgen een aantal belangrijke bevindingen en gevolgtrekkingen:

- De leiding is ter plaatse van de steunpunten ernstig geplooid / geovaliseerd. Dit bevestigt het beeld van een ongunstige detaillering van de opleggingen (…);

- De leiding buigt tussen de betonnen kespen ca. 8 cm door. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de grond hier inderdaad onder de leiding is uitgezakt, de leiding draagt de bovenbelasting derhalve geheel of gedeeltelijk af naar de ondersteuningen;

- De aansluiting met de betonnen leiding (compensator) is ca. 12 cm gezakt;

- De flenzen van de compensator zijn nauwelijks aan ovalisatie onderhevig, terwijl de direct daarnaast aanwezige leiding sterk is geplooid / geovaliseerd;

(…)

7 Mogelijke verklaring schadebeelden

Voorafgaand aan de inspecties heeft LievenseCSO middels sterkteberekeningen aangetoond dat de PE leidingen de bovenbelasting niet zonder overmatige vervormingen af kunnen dragen naar de kespen. Dit leidinggedrag wordt bevestigd door de 3D-scan. De leiding vertoond een overmatige ovalisatie, de kespen tekenen zich af in de leiding en er blijkt sprake te zijn van lekkage.

De grond onder het onderheide broekstuk kan na aansluiting op de betonnen leiding gezakt zijn door een combinatie van:

Klink van geroerde grond;

(Rest) zettingen door ophoging;

Trekken van damwanden;

Achtergrondzettingen.

Door deze zakking van de grond ondervindt de leiding tussen de harde opleggingen (betonnen kespen en aansluiting met het gemaal) minder of geen draagkracht van de ondergrond. Uit de 3D-scan volgt immers dat de leiding tussen de onderheide poeren een zakking vertoond en tekenen de betonnen kespen zich af in het thermoplastisch leidingmateriaal.

Niet alleen de grond onder de onderheide leiding is gezakt, ook de grond onder het hoog gelegen deel van het Z-stuk (etagestuk) heeft zakkingen ondergaan waarschijnlijk door een combinatie van bovengenoemde punten, maar daar komt nog bij dat de PE leiding de bovenbelasting ook deels afdraagt naar het Z-stuk. (…)

Hierdoor is het bovenste deel van het Z-stuk gaan zakken. Terwijl het verder van het gemaal af gelegen onderste deel van het Z-stuk sinds de aanleg van de PE leidingen grotendeels alleen achtergrondzettingen lijkt te hebben ondergaan. Deze achtergrondzettingen zijn beperkt tot ca. 5 mm per jaar (o.b.v. VSP). Het lager gelegen deel van het Z-stuk ligt daarnaast nog eens kort op een onderwaterbetonvloer.

Door het ongelijkmatig verloop van de zettingen is er een rotatie opgetreden van het Z-stuk. Dit heeft erin geresulteerd dat het eind van het Z-stuk (ter hoogte van de compensator) niet alleen een verticale verplaatsing heeft ondergaan maar dat dit ook een axiale verplaatsing heeft ondergaan richting het gemaal.

(…)

De compensator is niet alleen in verticale en horizontale richting verplaatst. Er lijkt ook vervorming te zijn opgetreden in de flenzen, dit duidt op overmatig grote krachten op de compensator (en de verplaatsingen en rotaties buiten het bereik van de compensator liggen).

Opvallend is dat de compensator bij aanleg al excentrisch is gemonteerd, de rechter flens (PE) ligt namelijk lager dan de linker flens (beton). (….)

De reden van bezwijken van de PE flens is ons inziens een combinatie van:

- De betonnen leiding is star, de betonnen leiding zakt minder dan de PE leiding. Dit is terug te zien in de 3D-scan. Tussen de aansluiting met de compensator en de naastliggende kesp zakt de PE leiding immers door. Kortom, de PE leiding, hangt aan de betonnen leiding. Hierdoor ontstaan aan de bovenzijde van de PE leiding trekspanningen, de PE leiding wil hier doorbuigen (langer worden) en trekt zo aan de flens. De flens zit echter begrensd middels trekstangen aan de starre betonnen leiding;

- Daarnaast is de stalen flens relatief vormvast. De ringstijfheid van de PE leiding is beduidend minder, de PE leiding zal daardoor makkelijker ovaliseren dan de stalen flens. Ook dit resulteert in trekspanningen in het aansluitvlak tussen de PE leiding en de PE flens.

De grond zakt veel meer dan de compensator op kan nemen en samen met diverse interne belemmeringen bezwijken uiteindelijk onderdelen van de compensator, waarbij in dit geval de aansluitingen met de PE knieën als eerste zijn bezweken.

8 Conclusies en aanbevelingen

De PE leidingen zijn in combinatie met de betonnen kespen ongeschikt gebleken (…).

Om een robuust systeem te kunnen ontwerpen dient er echter meer vervangen te worden dan alleen het leidingwerk. De compensator blijkt immers ongeschikt om de in de VSP voorgeschreven 20 cm achtergrondzettingen op te kunnen nemen. (…)

Onduidelijk is waarom deze compensator vanuit het DO is voorgeschreven. Deze compensator kan maximaal 3 cm verschilzetting opnemen, terwijl alleen al de in de VSP aangegeven achtergrondzettingen gedurende de levensduur van het gemaal 20 cm bedragen.

De ingebouwde compensator is niet in staat (ook niet bij het vervangen van PE leidingen door een stalen leiding) om deze verschilzettingen tussen het onderheide en het niet onderheide deel op te nemen. (…)

Ons inziens is het door derden aangebrachte pendelstuk van ca. 2 meter tussen het geboorde gedeelte en het Z-stuk evenmin geschikt om 20 cm verschilzetting op te kunnen nemen.

(…)”

2.23.

Witteveen + Bos heeft in opdracht van Delfland het rapport van Lievense van 8 maart 2018 beoordeeld. In haar rapport van 4 april 2018 is Witteveen + Bos tot de conclusie gekomen dat Lievense de opgetreden schade aan het Broekstuk duidelijk heeft beschreven en een goede analyse van de oorzaken van de schade heeft gegeven, maar dat zij geen duidelijkheid heeft gegeven over de exacte verplaatsing en rotatie van de compensator na aanleg en evenmin op basis van welke referentie deze verplaatsing is berekend. Witteveen + Bos heeft verder nog een aantal toevoegingen op de conclusies van Lievense geplaatst, waaronder de volgende:

In de 3e alinea worden vragen gesteld over het nut van de compensator op deze locatie, gezien:

- maximaal opneembare zetting van de compensator (3 cm);

- de maximaal toelaatbare zetting van het terrein zoals benoemd het contract (20 cm);

- en de door GMB berekende zetting van het maaiveld ter plaatse van de compensator (12 cm).

De vraag is waarom hier bij het ontwerpen van de aansluiting tussen het Z-stuk en het gefundeerde broekstuk geen rekening mee is gehouden. Het uitwerken van de aansluiting met het op staal gefundeerde Z-stuk is onderdeel van de scope van GMB.

(…) In de 4e alinea wordt gesteld dat de ingebouwde compensator niet in staat zal zijn (ook niet bij het vervangen van PE leiding door een stalen leiding) om deze verschilzettingen tussen het onderheid en het niet onderheide deel op te nemen, en wordt aanbevolen het gebruik van palen onder het broekstuk te heroverwegen. Hier staat GMB vrij in, echter verandert dit niets aan originele scope.

2.24.

Op verzoek van Delfland heeft Witteveen + Bos onderzoek gedaan naar de zakking van de door Heijmans aangelegde leiding. In haar notitie van 3 mei 2018 heeft zij aangegeven een (aanvullende) zakking van 19 centimeter te verwachten.

2.25.

Op 8 mei 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen. Zij hebben toen gediscussieerd over de vraag of GMB was gehouden tot herstel van het Broekstuk en of zij de kosten van de tijdelijke pompinstallatie moest dragen. GMB heeft toen kenbaar gemaakt dat zij bereid was om voor herstel zorg te dragen maar dat zij daarvoor wel een nieuwe opdracht van Delfland nodig had. In haar reactie op het door GMB opgestelde verslag van de bespreking heeft Delfland aangegeven dat zij van mening was dat GMB haar werkzaamheden niet deugdelijk had uitgevoerd. In het verslag staat verder genoteerd dat partijen nog afspraken zouden moeten maken over de aansprakelijkheid voor de schade aan het Broekstuk en dat zij het volgende zijn overeengekomen:

Ongeacht of er schade is aan het Z-stuk (moet blijken uit inspecteren) moet het broekstuk worden gerealiseerd”.

2.26.

Bij brief van 28 juni 2018 heeft Delfland GMB bericht dat partijen van mening verschillen over de vraag wie de kosten van herstel moet dragen en dat de directies van beide partijen tijdens de besprekingen op 4 en 21 juni 2018 hebben afgesproken om twee sporen te bewandelen. Het ene spoor (aangeduid als “techniek en uitvoering”) is bedoeld om gezamenlijk tot een deugdelijk ontwerp en de uitvoering hiervan te komen en het andere spoor (aangeduid als “juridisch”) betreft de behandeling (door de juristen van beide partijen) van een door GMB desgewenst in te dienen verzoek op bijbetaling. Delfland heeft haar brief geëindigd met de volgende opmerking:

Delfland vertrouwt erop dat voornoemde sporen tot een deugdelijke oplossing leiden zodat het gemaal weer spoedig in gebruik kan worden genomen. In ieder geval behoudt Delfland zich door middel van dit schrijven ondubbelzinnig het recht op nakoming voor ten aanzien van, conform Overeenkomst, het aanleveren van een compleet opleveringsdossier en het deugdelijk herstel van de lekkende en vervormde leiding. Voorgaande mededeling, die slechts strekt tot bewaring van Delflands rechten, geldt als schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 3:317, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

(…) Delfland behoudt zich alle rechten voor.

2.27.

In reactie op deze brief heeft GMB Delfland op 5 juli 2018 als volgt bericht:

(…) Wij bespraken dat erop korte termijn twee gescheiden trajecten worden opgestart, mede vanwege de urgentie om te komen tot een goed functionerend leiding. Enerzijds zal door technisch deskundigen van GMB en HHvD [Delfland, rechtbank] worden vastgesteld welke acties daartoe nodig zijn. Anderzijds zal een – zoals u noemt – juridisch spoor worden gevolgd, omdat duidelijk is dat GMB en HHvD verschillend aankijken tegen de GMB-aansprakelijkheid.

Hoewel wij niet vooruit willen lopen op de te voeren besprekingen, hechten wij eraan duidelijk te maken dat wij een vergoeding verlangen voor de door ons verrichtte en nog te verrichten werkzaamheden. Wij behouden ons dan ook alle rechten en weren voor. (…)

2.28.

Het overleg tussen de technici van GMB en Delfland heeft geleid tot de “Ontwerpnota Definitief Ontwerp Broekstuk Gemaal Bergboezem Berkel” van 15 juni 2018 (hierna: DO van 15 juni 2018). Hierin is gekozen voor het toepassen van een pendelstuk van drie meter nabij de aansluiting met het Z-stuk in plaats van een compensator en het uitvoeren van de leidingen in staal. In de toelichting staat vermeld dat hiervoor is gekozen omdat een compensator ongeschikt is om de verplaatsingen – een zakking van 19 centimeter en rotatie – van het Z-stuk op te nemen. Op 21 juni 2018 heeft Witteveen + Bos kenbaar gemaakt dat GMB verder kon gaan met de uitwerking van het uitvoeringsontwerp.

2.29.

GMB heeft het Broekstuk conform het DO van 15 juni 2018 vervangen. Bij brief van 28 februari 2019 heeft GMB een verzoek tot aanvaarding ingediend bij Delfland.

2.30.

Bij brief van 20 december 2019 heeft Lievense gereageerd op een drietal vragen van GMB en het volgende geschreven:

Ad. 1 Kunt u aangeven of de gemeten zakking van de aansluiting tussen het Z-stuk en het Broekstuk een relatie heeft met de keuze voor PE van het betreffende broekstuk?

Het broekstuk en het Z-stuk worden van elkaar gescheiden, maar ook aan elkaar verbonden, met (enkel) een zettingscompensator. De zettingscompensator wordt in bovenstaande vraag als ‘aansluiting’ aangeduid.

Een zettingscompensator scheidt systemen door in een buig stijf systeem een buig slap (scharnier)element aan te brengen. Zettingscompensatoren zijn specifieke componenten, die weliswaar hoekverdraaiing kunnen ondergaan, maar deze hoekverdraaiing is door inbouw en door de samenstelling van het component beperkt, meestal in de orde van enkele graden hoekverdraaiing.

Het broekstuk is door de configuratie op palen en door de aansluiting op het gemaal als volledig gefixeerd te beschouwen. Vanuit het broekstuk gezien is de hoekverdraaiing die dan aan de zettingscompensator wordt overgedragen dan ook zo goed als nul graden. Dit betekent dat de zettingscompensator zijn volledige hoekverdraaiing uit het deel van het Z-stuk krijgt.

Hoewel hierboven gefocust op hoekverdraaiingen geldt dit in feite ook voor de over te dragen krachten. De compensator is het enige verbindingselement tussen het broekstuk en het Z-stuk en de compensator dient de krachten over en weer te kunnen dragen.

Gezien de palenconfiguratie onder het broekstuk kan ons inziens dus gesteld worden dat hoekverdraaiingen vanuit het broekstuk op de zettingscompensator in feite vanaf het begin van het ontwerp bekend zijn (zijnde zo goed als nul graden). De keuze voor een zettingscompensator (of een ander buig slap element) wordt daarmee dan nagenoeg geheel uitsluitend bepaald door de ontwerpkeuzes, uitgangspunten en belastingen vanuit het deel met het Z-stuk.

De keuze voor PE of staal als leidingmateriaal voor het broekstuk staat daarmee los van de zakkingen van uit de aansluiting.

Ad. 2 Zo nee, kunt u bevestigen dat de aansluiting tussen het Z-stuk en het Broekstuk te allen tijde (ongeachte de materiaalkeuze) hersteld had moeten worden binnen de levensduur die voor onderhavig Broekstuk is geëist?

Wij kunnen inderdaad bevestigen dat de aansluiting (lees de zettingscompensator) te allen tijde hersteld had moeten worden binnen de levensduur die voor het broekstuk is geëist.

De geprognosticeerde zettingen en zettingsverschillen van het (gehele) Z-stuk zijn immers zodanig groot dat de zettingscompensator binnen de levensduur van het broekstuk zijn maximale toelaatbare hoekverdraaiing zou bereiken. In combinatie met de daarmee gepaard gaande krachten (het Z-stuk gaat ‘hangen’ aan de zettingscompensator) zou er toe hebben geleid dat de zettingscompensator binnen de gestelde levensduur van het broekstuk hersteld had moeten worden.

Ad. 3 Indien u de vorige vraag bevestigend heeft beantwoord, kunt u aangeven of de aansluiting hersteld had kunnen worden binnen het Definitief Ontwerp dat door Delfland was ontworpen?

Ons inziens is het redelijkerwijs niet mogelijk geweest om binnen de contouren van het Definitief Ontwerp van het Broekstuk van het in 2014/2015 uitgevoerde werk de aansluiting te kunnen herstellen.

Er is met de aangegeven oplossing, het toepassen van een zettingscompensator, te weinig rekening gehouden met het klaarblijkelijke verplaatsingsgedrag van het Z-stuk en van de boring. De daarmee gepaard gaande krachten, verplaatsingen en hoekverdraaiingen zowel in verticale als horizontale richting zijn zodanig anders en zodanig maatgevend als randvoorwaarden op het (definitief) ontwerp van het broekstuk dat er in feite een beduidend ander definitief ontwerp opgesteld moest worden.

Ook terug redenerend: vanuit het uiteindelijke ontwerp zou men niet terug hebben kunnen filteren naar het oorspronkelijk ontwerp, immers het ontwerp uit 2018 moest op andere (blijkbaar maatgevende) randvoorwaarden gebaseerd worden.

3 Het geschil

3.1.

GMB vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Delfland te veroordelen tot betaling van € 1.552.532,85 (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 28 februari 2019;

  2. Delfland te veroordelen tot betaling van € 7.666,03 (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 26 november 2015;

  3. Delfland te veroordelen tot betaling van € 6.890,59 (inclusief btw), vermeerderd met de (wettelijke) handelsrente daarover vanaf 29 juli 2015;

  4. Delfland te veroordelen tot betaling van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  5. Delfland te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt GMB het volgende ten grondslag. Delfland heeft aan GMB de opdracht gegeven om het Broekstuk te vervangen en is daarom een redelijke prijs verschuldigd overeenkomstig artikel 7:752 Burgerlijk Wetboek (BW). GMB vordert als redelijke prijs vergoeding van de door haar gemaakte kosten ter hoogte van € 1.552.532,85 (inclusief btw). Voor zover Delfland geen opdracht zou hebben verstrekt, heeft zij zich ongerechtvaardigd verrijkt met dit zelfde bedrag (artikel 6:212 BW). Over dit bedrag is Delfland de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van voltooiing van het vervangen van het Broekstuk (28 februari 2019). GMB heeft tijdens de uitvoering van het Werk aanvullende werkzaamheden moeten verrichten. Delfland is gehouden om de hieraan verbonden kosten (€ 7.666,03 respectievelijk

€ 6.890,59) te vergoeden. GMB heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt, die conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten € 6.775 bedragen.

3.3.

Delfland voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat in het bijzonder om de vraag welke partij de kosten van het vervangen van het Broekstuk moet dragen. In de kern komt het geschil neer op de vraag of GMB haar verplichtingen uit de Basisovereenkomst met betrekking tot het door haar gerealiseerde en aangelegde Broekstuk deugdelijk is nagekomen. GMB stelt dat dit het geval is en dat zij recht heeft op betaling van de door haar gemaakte kosten voor het vervangen van het Broekstuk, nu zij dit in opdracht van Delfland heeft gedaan, althans Delfland ongerechtvaardigd is verrijkt. Delfland betwist dit.

Opdracht tot herstel

4.2.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of Delfland GMB heeft opgedragen om het Broekstuk te vervangen, aangezien GMB primair nakoming van deze opdracht vordert. Delfland betwist het bestaan van deze opdracht. Volgens Delfland heeft zij geen opdracht verstrekt voor het vervangen van het Broekstuk en heeft zij GMB slechts aangesproken op haar verantwoordelijkheden onder de Basisovereenkomst: het voor eigen rekening en risico van GMB herstellen van het gebrek in het door haar geleverde werk.

4.3.

Voorop wordt gesteld dat GMB op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat de opdracht is verstrekt, nu zij zich beroept op het bestaan van de opdracht en daaraan rechtsgevolgen verbindt.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft GMB tegenover de betwisting door Delfland onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen vaststellen dat tussen partijen een nieuwe overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. In de brief van Delfland van 12 september 2017 wordt met geen woord wordt gerept over een dergelijke opdracht tot herstel. Delfland stelt zich in deze brief juist op het standpunt dat de leidingen niet voldoen en dat GMB als verantwoordelijke partij die tekortkoming moet verhelpen. De enkele opmerking van Witteveen + Bos in haar notitie van 3 mei 2018 dat GMB haar werkplan voor de herstelwerkzaamheden ter acceptatie moet aanbieden aan Delfland kan evenmin worden begrepen als het namens Delfland verlenen van een aparte opdracht tot herstel aan GMB, voor zover Witteveen + Bos al bevoegd zou zijn Delfland hierin te vertegenwoordigen (wat Delfland uitdrukkelijk betwist). De rechtbank leest de notitie zo dat Witteveen + Bos met haar opmerking heeft willen voorzien in de behoefte van Delfland om zekerheid te krijgen over de kwaliteit van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden door GMB, zoals dit ook het geval is bij de in de UAV-GC 2005 geregelde toetsings- en acceptatieprocedures (vgl. paragrafen 20 en 21 UAV-GC 2005) en de hiermee in lijn liggende artikelen 11 en 12 van de Basisovereenkomst. Uit het verslag (met de opmerkingen van Delfland hierop) van de op 9 mei 2018 gehouden bespreking volgt weliswaar dat GMB toen kenbaar heeft gemaakt dat zij een opdracht van Delfland verlangde, maar niet dat die opdracht toen ook is verstrekt. Integendeel, Delfland heeft zich ook tijdens deze bespreking op het standpunt gesteld dat GMB het Werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd en dat zij de Basisovereenkomst alsnog deugdelijk moet nakomen. Dat Witteveen + Bos in haar toetsingsformulier van 16 juni 2018 heeft aangegeven dat GMB verder kon gaan met de uitwerking van het ontwerp voor het herstel van de schade duidt evenmin op een door Delfland nieuw verleende opdracht. Dit formulier kan niet worden losgezien van de besprekingen die in deze periode hebben plaatsgevonden en de toen, blijkens de brief van Delfland van 28 juni 2018, tussen partijen gemaakte afspraak om gezamenlijk te komen tot een ontwerp. GMB heeft het bestaan van die afspraak in de dagvaarding zelf ook onderkend. Uit deze brief van Delfland blijkt verder de afspraak dat de juristen van beide partijen zich zouden gaan buigen over de kwestie van aansprakelijkheid die partijen verdeeld hield. Niet in geschil is dat deze juridische weg daadwerkelijk is bewandeld. De door GMB gestelde opdracht tot herstel van Delfland valt met deze afspraken niet goed te rijmen.

4.5.

GMB heeft op dit punt dus niet voldaan aan haar stelplicht. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Hiermee strandt de primaire grondslag van de vordering van GMB.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.6.

GMB legt aan haar vordering subsidiair ten grondslag dat Delfland ongerechtvaardigd is verrijkt. Volgens GMB heeft Delfland een nieuw Broekstuk geleverd gekregen waarvoor zij niet heeft betaald, ten koste van GMB. In de visie van GMB is die verrijking ongerechtvaardigd, omdat de noodzaak voor het aanbrengen van het nieuwe Broekstuk is gelegen in de risicosfeer van Delfland. Het Broekstuk moest worden vervangen als gevolg van een ondeugdelijke aansluiting op de bestaande leiding. Deze ondeugdelijke aansluiting was het gevolg van een door Delfland voorgeschreven ontwerp van het Broekstuk, waaronder het (specifieke) leidingverloop, het funderen op palen en het toepassen van een compensator nabij de aansluiting met het – buiten de scope van het Werk van GMB gelegen – Z-stuk van de bestaande leiding. Op GMB rustte niet de verplichting om Delfland hiervoor te waarschuwen, omdat zij de fouten in het ontwerp van Delfland niet kende of behoorde te kennen. Op basis van het door Delfland verstrekte opleverdossier van de bestaande leiding, in het bijzonder de hierin vermelde aanwezigheid van het pendelstuk, nam GMB namelijk aan en mocht zij redelijkerwijs aannemen dat het Z-stuk was gefundeerd en dat het ontwerp van Delfland uitvoerbaar was. Pas geruime tijd na oplevering van het Broekstuk bleek dat die aanname niet klopte. Toen kwam aan het licht dat de bestaande leiding als gevolg van zettingen van de ondergrond was gezakt en dat de grootste verzakking was opgetreden nabij de aansluiting van het Z-stuk met het Broekstuk. De compensator heeft deze zakking niet kunnen opvangen en is bezweken, waardoor het Z-stuk het op palen gefixeerde Broekstuk heeft meegetrokken. De omstandigheid dat GMB de leidingen in het Broekstuk heeft uitgevoerd in PE staat hier los van, nog daargelaten dat Delfland hiermee heeft ingestemd. Aangezien GMB het Broekstuk deugdelijk conform het voorgeschreven ontwerp van Delfland heeft uitgevoerd en Delfland aan haar decharge heeft verleend door het Broekstuk bij oplevering in 2015 te aanvaarden (zie paragraaf 28 lid 1 UAV-GC 2005), is Delfland gehouden om de kosten voor het vervangen van het Broekstuk te vergoeden aan GMB, aldus steeds GMB.

4.7.

Delfland betwist dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt. Daartoe voert zij aan dat sprake is van een verborgen gebrek in het Broekstuk, waarvoor GMB op grond van paragraaf 28 lid 1 UAV-GC 2005 aansprakelijk is. Op GMB rustte de verplichting om het Broekstuk te ontwerpen en aan te leggen en GMB had daarbij de vrijheid om zelf de indeling en de materiaalkeuze van de leidingen te bepalen. GMB heeft ervoor gekozen om de leidingen in PE uit te voeren. In de berekening hiervan is ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat leidingen volledig zouden worden ondersteund door een zandbed en daarmee uitgegaan van een onjuist krachtenspel. De PE leidingen voldeden in de door GMB gekozen uitvoering niet aan de gestelde eisen en zijn bezweken, omdat zij niet bestand waren tegen de bovenbelasting van de grond. De schade aan het Broekstuk heeft niets te maken met het Z-stuk en de keuze en toepassing van de compensator. Voor zover anders zou worden geoordeeld, dan geldt dat GMB volledig verantwoordelijk is, omdat haar veel vrijheid toekwam bij het ontwerpen van het Broekstuk en zij binnen die vrijheid een andere aansluiting van het Broekstuk op het Z-stuk dan een compensator had kunnen realiseren.

Delfland heeft de gebreken in het Broekstuk voorafgaand of bij de oplevering niet ontdekt en redelijkerwijs ook niet kunnen ontdekken, omdat zij toen niet beschikte over de berekening van de PE-leidingen en de PE-leidingen ingegraven en dus niet zichtbaar waren. Omdat sprake is van een verborgen gebrek in het Broekstuk, gaat het beroep van GMB op decharge als bedoeld in paragraaf 28 lid 1 UAV-GC 2005 niet op. Omdat Delfland met de vervanging van het Broekstuk uiteindelijk heeft gekregen waar zij op grond van de Basisovereenkomst recht op had, is zij niet ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van GMB. Voor zover GMB al een recht op schadevergoeding zou hebben, dient de schade op grond van eigen schuld volledig voor haar rekening te blijven. Ook is het gevorderde bedrag aan schadevergoeding veel te hoog en onjuist, aldus steeds Delfland.

4.8.

Voor het bestaan van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW is vereist dat Delfland is verrijkt en GMB daardoor is verarmd. Bovendien moet die verrijking ongerechtvaardigd zijn. Daarvan is sprake indien geen redelijke grond aanwezig is. Aangezien GMB een nieuw Broekstuk heeft geleverd aan Delfland waarvoor Delfland niet heeft betaald, staan in zoverre de verrijking van Delfland, de verarming van GMB en het causaal verband hiertussen vast. Uit het partijdebat volgt de discussie zich toespitst op het gestelde ongerechtvaardigde karakter van die verrijking, waarbij het in de kern aankomt op het antwoord op de vraag of het schadebeeld te herleiden is tot (een) verborgen gebrek(en) in het door GMB geleverde Werk of tot een fout in het ontwerp, dan wel een combinatie hiervan. Voor zover sprake is van een fout in het ontwerp moet worden beoordeeld welke partij hiervoor verantwoordelijk is, omdat Delfland het voorlopig ontwerp (VO) en definitief ontwerp (DO) heeft verzorgd en GMB het uitvoeringsontwerp (UO). Bij de beoordeling betrekt de rechtbank voorts dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de na de oplevering geconstateerde problemen te maken hebben met de waterdichtheid van het Werk. Partijen zijn in artikel 13 van de Basisovereenkomst voor die specifieke situatie overeengekomen dat GMB, in afwijking van het bepaalde in paragraaf 28 lid 1 sub (a) UAV-GC 2005, moet bewijzen dat de na oplevering aan het licht gekomen verborgen gebreken niet aan haar kunnen worden toegerekend.

4.9.

Op basis van de overgelegde rapportages van Lievense en Witteveen + Bos stelt de rechtbank in zijn algemeenheid vast dat de na oplevering geconstateerde problemen tweeërlei zijn. Aanvankelijk leek de schade beperkt tot het vervormen en lekken van de PE-leidingen van het Broekstuk. Partijen waren het er over eens dat herstel noodzakelijk was vanwege het risico op verdere lekkages. Het door GMB gedane voorstel hield in dat de PE leidingen zouden worden vervangen door leidingen van staal. GMB heeft onweersproken naar voren gebracht dat deze nieuwe leidingen in eerste instantie op dezelfde manier zouden lopen als de PE leidingen. Vervolgens is een paar maanden later geconstateerd dat de compensator (verticaal en horizontaal) was gezakt en dat bepaalde onderdelen van de compensator waren bezweken. Beide partijen gaan blijkens de gedingstukken uit van een verticale zakking van 19,15 centimeter. Ook bleek toen dat de bestaande leiding was gezakt en dat de grootste (verticale en horizontale) zakking was opgetreden aan het uiteinde van het hoger gelegen Z-stuk (ter hoogte van de compensator). Tussen partijen is evenmin in geschil dat ook dit probleem moest worden verholpen en dat niet langer kon worden volstaan met het aanvankelijke technische voorstel van GMB. De technische oplossing waarover partijen in het kader van het tweesporentraject uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt, voorzag in het toepassen van een pendelstuk van drie meter lang nabij de aansluiting van het Broekstuk met het Z-stuk en het vervangen van de PE leidingen door leidingen van staal. Om het pendelstuk te kunnen inpassen moest het leidingverloop worden aangepast. Deze oplossing kwam neer op het vervangen van het gehele Broekstuk. De rechtbank begrijpt de door GMB in deze procedure gevorderde schadevergoeding aldus dat deze de kosten omvat die GMB stelt te hebben gemaakt voor het uitvoeren van de uiteindelijke totaaloplossing. Ter zitting heeft GMB gesteld dat ongeveer twintig procent van de kosten betrekking heeft op het herstel van de PE-leidingen en dat tachtig procent verband houdt met de problematiek van het Z-stuk. Delfland heeft die verdeling bij gebrek aan wetenschap betwist.

4.10.

Lievense is in haar rapport van 8 maart 2018 ingegaan op de oorzaken van de schade aan het Broekstuk. Zij heeft uiteengezet dat de PE leidingen zijn vervormd doordat zij niet bestand waren tegen de bovenbelasting en zettingen van de grond. Het schadebeeld van de PE leidingen ziet zij als een bevestiging van de door haar eerder berekende spanningsoverschrijdingen. In hun rapporten van 10 december 2016 respectievelijk 10 april 2017 hebben Lievense en Witteveen + Bos vastgesteld dat de producent van de PE leidingen in zijn berekening verkeerde uitgangspunten heeft gebruikt, waaronder de wijze van ondersteuning van de leidingen, en dat de belastingen op de PE leidingen in de praktijk hoger zouden zijn dan door de producent berekend. Lievense heeft in haar rapport van 8 maart 2018 toegelicht dat het (bovenste deel van het) Z-stuk is gaan zakken als gevolg van het zakken van de onderliggende grond en dat de compensator niet in staat was om deze zakking op te vangen. Het zakken van de grond is volgens haar veroorzaakt door klink van geroerde grond, (rest)zettingen door ophoging, trekken van damwanden, achtergrondzettingen en de gedeeltelijke afdracht van de bovenbelasting door de PE leidingen. Volgens Lievense hebben overmatig grote krachten op de compensator geleid tot het vervormen van de flenzen en is de rechter flens van de compensator bezweken vanwege trekspanningen in het aansluitvlak tussen de PE leiding en deze flens. Deze trekspanningen houden volgens haar verband met het doorzakken van de PE leiding tussen de aansluiting met de compensator en de naastliggende kesp. Witteveen + Bos heeft de bevindingen van Lievense van 8 maart 2018 in haar rapport van 4 april 2018 onderschreven. In haar brief van 20 december 2019 heeft Lievense nog toegelicht dat de keuze voor de compensator wordt bepaald door ontwerpkeuzes, uitgangspunten en belastingen vanuit het Z-stuk, aangezien het Broekstuk door de configuratie op palen en door de aansluiting op het gemaal als volledig gefixeerd is te beschouwen en dat de keuze voor het materiaal van de leidingen van het Broekstuk geen relatie heeft met de zakking van de compensator.

4.11.

Het staat vast dat de door GMB aangelegde PE leidingen in het Broekstuk gebrekkig zijn, nu zij binnen hun levensduur zijn bezweken, en dat het vervangen van de leidingen de enige passende herstelmaatregel was. De rechtbank is van oordeel dat de hieraan verbonden kosten (behoudens de (eventuele) kosten voor het aanpassen van de configuratie van de leidingen, waarover hierna meer), voor rekening van GMB dienen te blijven. GMB heeft er immers zelf voor gekozen om de leidingen in PE uit te voeren en gebleken is dat de leidingen in door haar gekozen uitvoering niet bestand waren tegen de bovenbelasting en zettingen van de grond, terwijl zij op grond van paragraaf 13 lid 1 UAV-GC 2005 verantwoordelijk is voor de afstemming van haar werkzaamheden op de bodemgesteldheid. GMB betwist niet dat in de sterkteberekening van de PE leidingen door haar onderaannemer een fout is gemaakt en dat daarbij is uitgegaan van een onjuist krachtenveld. Deze berekening heeft GMB weliswaar niet zelf gemaakt, maar zij draagt hiervoor wel de verantwoordelijkheid nu zij richting Delfland verantwoordelijk is voor fouten van haar (onder)onderaannemer(s). De rechtbank verwerpt de stelling van GMB dat het uitvoeren van de leidingen in PE geen tekortkoming van haar kant oplevert aangezien Delfland akkoord is gaan met de toepassing van dit materiaal. GMB miskent met haar stelling dat zij met Delfland is overeengekomen dat zij zelf het materiaal van de leidingen zou bepalen (zie artikel 1.2 Vraagspecificatie) en dat de verantwoordelijkheid voor de door haar gemaakte keuze niet verschuift naar Delfland als gevolg van de door Delfland verleende toestemming. Dit volgt ook niet uit paragraaf 15 lid 3 UAV-GC 2005, waar GMB in dit verband een beroep op doet. Voor zover GMB betoogt dat de leidingen moesten worden vervangen als gevolg van de zakkingen van het Z-stuk, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu Lievense noch Witteveen + Bos in hun rapportages een verband tussen het vervormen en lekken van de PE leidingen enerzijds en het zakken van het Z-stuk anderzijds hebben vastgesteld. GMB heeft haar betoog omtrent dit vermeende oorzakelijke verband ook overigens onvoldoende toegelicht en onderbouwd.

4.12.

GMB heeft ter zitting ook met zoveel woorden toegegeven dat zijzelf verantwoordelijk is voor het bezwijken van de PE leidingen. Zij heeft immers verklaard dat zij dit probleem wilde oplossen en daartoe ook een voorstel tot herstel heeft gedaan aan Delfland en dat partijen feitelijk pas een geschil kregen toen de problematiek met het Z-stuk aan het licht kwam en bleek dat niet alleen de PE leidingen maar het gehele Broekstuk moest worden vervangen.

4.13.

Nu GMB bovendien ter zitting heeft verklaard dat voor niemand was te voorzien dat de PE leidingen zouden vervormen en tevens vaststaat dat Delfland ten tijde van de oplevering niet beschikte over de berekening van de PE leidingen (en dat GMB verantwoordelijk was voor het aanleveren hiervan), kan niet worden aangenomen dat Delfland het gebrek aan de leidingen bij de oplevering had moeten ontdekken.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat wat betreft de PE leidingen in het Broekstuk sprake is van een verborgen gebrek in het Werk dat aan GMB kan worden toegerekend en waarvoor zij op grond van paragraaf 28 lid 1 UAV-GC 2005 aansprakelijk is. Dit betekent dat Delfland niet ongerechtvaardigd is verrijkt voor zover zij nieuwe leidingen heeft gekregen.

4.15.

Op basis van de overgelegde rapportages van Lievense en Witteveen + Bos is komen vast te staan – en partijen spreken dit overigens ook niet tegen – dat de door GMB aangelegde compensator niet in staat was om de opgetreden en nog te verwachten zakking van het Z-stuk op te vangen en dat het Z-stuk zelf ook is gezakt. In zoverre voldeed het Werk dus niet aan de eisen die Delfland heeft gesteld aan de maximale restzetting. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden aangenomen dat die omstandigheid aan GMB kan worden toegerekend, nu deze is te herleiden tot een fout in het ontwerp waarvoor Delfland, als opsteller van het DO, verantwoordelijk is. Ter toelichting dient het volgende.

4.16.

Uitgangspunt van de UAV-GC 2005 is dat de opdrachtgever bepaalt welke informatie hij beschikbaar stelt aan de opdrachtnemer, met dien verstande dat hij alle voor de opdrachtnemer voor de realisatie van het werk noodzakelijk informatie verstrekt, voor zover hij daarover de beschikking heeft (paragraaf 3 lid 1 sub a UAV-GC 2005). Ook is het aan de opdrachtgever om te bepalen welke diepgang zijn informatie heeft en in welke mate hij betrokken wil worden bij het werk. De opdrachtgever kan volstaan met een programma van eisen, maar hij kan ook het definitief ontwerp van het werk aanleveren. De opdrachtgever is verantwoordelijk voor de inhoud van de door hem aan de opdrachtnemer ter beschikking gestelde informatie en de vraagspecificatie (paragraaf 3 leden 2 en 3 UAV-GC 2005). Die verantwoordelijkheid wordt begrensd door de waarschuwingsplicht van de opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet de opdrachtgever waarschuwen indien (onder meer) de vraagspecificatie of de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde gegevens zodanige fouten bevatten of gebreken vertonen, dat hij in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid zou handelen als hij zonder waarschuwing bij het verrichten van werkzaamheden daarop zou voortbouwen (paragraaf 4 lid 7 UAV-GC 2005).

4.17.

In dit geval heeft Delfland ervoor gekozen om het definitief ontwerp van het Broekstuk op te stellen. Het DO bestaat uit veertien pagina’s en vijftien bijlagen, waaronder drie sets tekeningen. In het DO is, overeenkomstig het programma van eisen (dat evenals het DO onderdeel is van de Vraagspecificatie), voorzien in toepassing van een compensator. Delfland heeft niet betwist dat, zoals Lievense heeft verwoord, bij de keuze voor een compensator te weinig rekening is gehouden met het verplaatsingsgedrag van het Z-stuk en dat gelet op dit gedrag een ander ontwerp had moeten worden opgesteld. Daarmee staat vast dat sprake is van een fout in het DO. De rechtbank volgt Delfland niet in haar stelling dat die fout valt onder de op GMB rustende ontwerpverantwoordelijkheid. Voor zover Delfland betoogt dat GMB alle ontwerpverantwoordelijkheid en bijhorende risico’s draagt dan wel overneemt van Delfland omdat toepasselijkheid van de UAV-GC 2005 is overeengekomen, is die opvatting in het algemeen – en ook in dit specifieke geval – onjuist. De ontwerpverplichting van GMB was beperkt tot het optimaliseren van het DO en het maken van het uitvoeringsontwerp. Daarbij mocht GMB in beginsel afgaan op de juistheid van de in het DO verstrekte informatie. GMB heeft ter zitting genoegzaam toegelicht dat zij geen reden had om te twijfelen aan de juistheid en uitvoerbaarheid van het DO, omdat zij er op basis van het door Delfland ter beschikking gestelde opleverdossier van de bestaande leiding – in het bijzonder de daarin vermelde aanwezigheid van het pendelstuk – van uitging dat het Z-stuk was gefundeerd en dat de zettingen die het gefixeerde Broekstuk en de compensator moesten opvangen, beperkt (maximaal 3 cm) zouden zijn. Delfland spreekt dit weliswaar tegen, maar zij heeft niet voldoende geconcretiseerd of onderbouwd uit welke (andere) gegevens in het opleverdossier of in de in artikel 5 van de Basisovereenkomst genoemde tekening van 11 juni 2009 GMB kon of had moeten opmaken dat het Z-stuk niet was gefundeerd. Gelet op de stellingen van GMB had dit wel op de weg van Delfland gelegen, te meer omdat zij niet betwist dat zij GMB niet heeft voorzien van de ontwerpnota of sterkteberekening van de bestaande leiding. Dat GMB op grond van artikel 5.2 van de Vraagspecificatie gehouden was tot het inmeten van de bestaande situatie, maakt het voorgaande niet anders. Het verrichten van een inmeting is immers wat anders dan het doen van onderzoek naar de (ondergrondse) constructie van een leiding, die ook nog eens buiten de scope van het Werk valt. Dat GMB de compensator als vertrekpunt heeft genomen bij het optimaliseren van het DO en het maken van het uitvoeringsontwerp, is onder deze omstandigheden dan ook niet onbegrijpelijk en valt te billijken. Dit levert geen dus tekortkoming van haar kant op.

4.18.

Ter zitting heeft Delfland nog aangevoerd dat in de bouwwereld verschillende types compensatoren beschikbaar zijn. Voor zover zij daarmee heeft willen betogen dat GMB een verkeerd type compensator heeft gekozen, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu GMB ter zitting genoegzaam heeft toegelicht dat de – binnen de kaders van de Basisovereenkomst en rekening houdend met het programma van eisen van Delfland te maken – keuze voor een ander type er niet toe zou hebben geleid dat de onderhavige problemen en schade aan het Broekstuk achterwege zouden zijn gebleven.

4.19.

De rechtbank leidt uit de rapporten van Lievense van 8 maart 2018 en van Witteveen + Bos van 4 april 2018 af dat het schadebeeld aan de compensator (het vervormen van de flenzen) niet alleen samenhangt met trekspanningen in verband met het doorzakken van de PE leiding van het Broekstuk, maar ook met zettingen van het Z-stuk als gevolg van het zakken van de onderliggende grond. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat uit de brief van Lievense van 20 december 2019 volgt dat de compensator te allen tijde, binnen de levensduur van het Broekstuk, als gevolg van die zettingen van het Z-stuk beschadigd was geraakt en hersteld had moeten worden. Delfland heeft dit niet betwist, hoewel zij daartoe ter zitting in de gelegenheid is geweest, zodat de rechtbank dit gegeven als vaststaand aanneemt. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het vereiste juridisch causaal verband tussen het doorzakken van de door GMB aangelegde PE-leiding en het schadebeeld aan de compensator is doorbroken. De kosten voor het maken van een nieuwe compensator kunnen daarom niet ten laste van GMB blijven en dienen door Delfland te worden gedragen.

4.20.

De rechtbank verwerpt de stelling van Delfland dat de kosten voor het maken van de nieuwe compensator desalniettemin voor rekening van GMB moeten blijven, omdat GMB de zakking van het Z-stuk heeft veroorzaakt door de belastingen van het door haar ingezette materieel en het verkeer dat gebruik maakte van de door haar ingestelde omleidingsroute over het Z-stuk. Delfland heeft ter onderbouwing van haar stelling evenwel uitsluitend foto’s van het materieel van GMB in het geding gebracht zonder inzichtelijk te maken welk concreet effect dit materieel op de zetting van de grond heeft gehad. Die inzichtelijkheid had wel van haar mogen worden verwacht, nu Lievense in haar rapport van 8 maart 2018 andere oorzaken van het zakken van de grond onder het Z-stuk heeft benoemd en de vertegenwoordiger van Lievense (dhr. [A] ) ter zitting heeft bevestigd dat GMB geen verwijt kan worden gemaakt van de zettingen van het Z-stuk.

4.21.

Gelet op het bepaalde in paragraaf 3 leden 2 en 3 UAV-GC 2005 draagt Delfland het risico van fouten in het DO en is zij aansprakelijk voor schade die hieruit voortvloeit. Indien Delfland dit niet had gewild, dan had zij dat uitdrukkelijk in afwijking van deze paragraaf moeten overeenkomen met GMB. Dat is echter niet gebeurd. Het (subsidiaire) beroep van Delfland op de waarschuwingsplicht van GMB zou slagen indien vast stond dat GMB moest hebben onderkend dat het DO klaarblijkelijke fouten bevatte of gebreken vertoonde (paragraaf 4 lid 7 UAV-GC 2005). Daarvan is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, geen sprake. Tot de schade die voortvloeit uit het DO kan niet alleen het realiseren van een nieuwe aansluiting worden gerekend, maar ook het aanpassen van het leidingverloop omdat dit het directe gevolg is van het vervangen van de compensator door een andere, wel geschikte aansluiting. Dit betekent dat GMB ook de hieraan verbonden kosten zonder redelijke grond heeft gemaakt.

4.22.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat Delfland ongerechtvaardigd is verrijkt voor zover GMB de compensator heeft vervangen en een andere aansluiting heeft aangebracht en het leidingverloop in het Broekstuk heeft aangepast, maar dat dit niet het geval is voor zover GMB de PE leidingen heeft vervangen door leidingen van staal.

Schade

4.23.

Uit het voorgaande volgt dat Delfland alsnog een deel van de schade van GMB dient te vergoeden. Nu het debat tussen partijen over een schadeverdeling nog niet volledig is uitgekristalliseerd, heeft de rechtbank op dit punt behoefte aan een nadere toelichting door partijen.

4.24.

GMB wordt in de gelegenheid gesteld om zich bij akte gemotiveerd uit te laten over de vraag welk deel van de door haar gevorderde schade en welke schadeposten, zoals vermeld in de door GMB als productie 34 overgelegde begroting van de schade, betrekking hebben op het vervangen van de compensator en het aanpassen van het leidingverloop. De rechtbank stelt GMB tevens in de gelegenheid om te reageren op het standpunt van Delfland dat GMB geen recht heeft op de door haar gevorderde btw en vergoeding voor algemene kosten, winst en risico. Delfland zal op haar beurt in de gelegenheid worden gesteld om op de nadere akte van GMB bij antwoordakte reageren. Voorts wordt Delfland toegestaan om zich in haar antwoordakte uit te laten over de kort voor de zitting door GMB overgelegde omvangrijke map met stukken over de door GMB opgevoerde kosten. Partijen dienen zich in hun akten uitdrukkelijk te beperken tot de hiervoor genoemde onderwerpen.

4.25.

Met betrekking tot het beroep van Delfland op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW oordeelt de rechtbank reeds nu dat dit beroep faalt. Het herstel van het Broekstuk was weliswaar later gereed dan GMB in haar plan van aanpak van 13 oktober 2017 had voorzien, maar dat betekent niet dat, zoals Delfland stelt, GMB het herstel niet voortvarend genoeg ter hand heeft genomen en dat zij daarom niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om de schade te beperken. Het plan van aanpak van GMB ging immers uit van enkel het vervangen van de leidingen en niet het gehele Broekstuk. Die noodzaak bleek later pas. Dat GMB heeft getalmd met haar initiële plan om de leidingen te vervangen, blijkt uit niets. De omstandigheid dat GMB later is gestart met de uitvoering van de herstelmaatregelen is gelegen in de – na het door GMB gedane voorstel tot herstel en plan van aanpak geconstateerde – problematiek met het Z-stuk, waarvoor niet zij, maar Delfland de verantwoordelijkheid draagt. Delfland verwijt GMB dan ook ten onrechte dat zij meer eigen verantwoordelijkheden had ten aanzien van het ontstaan van de schade. De rechtbank volgt Delfland derhalve niet in haar stelling dat de schade op grond van artikel 6:101 BW grotendeels voor rekening van GMB dient te blijven.

4.26.

Delfland doet verder bij wijze van verweer nog een beroep op verrekening. Zij voert daartoe aan dat zij als gevolg van de gebreken aan het Broekstuk schade in de vorm van aanzienlijke meerkosten heeft geleden. Zij stelt dat zij Witteveen + Bos heeft moeten inschakelen om de gebreken te beoordelen en om mee te denken met het herstel en dat zij interne kosten heeft moeten maken ten behoeve van het overleg met GMB. Delfland heeft haar meerkosten begroot op een bedrag van € 37.091,34. Dit verweer van Delfland stuit echter af op het bepaalde in artikel 6:136 BW dat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het door Witteveen + Bos in 2018 uitgevoerde onderzoek en het overleg van Delfland met GMB heeft voornamelijk betrekking op de problematiek aan het Z-stuk en de gevolgen hiervan voor het Broekstuk, nu dit (en niet zo zeer de gebreken aan de PE leidingen) tot discussie en onenigheid tussen partijen heeft geleid. Zonder nadere toelichting van de zijde van Delfland, die hier ontbreekt, is onduidelijk of door Delfland gestelde meerkosten wel kunnen worden toegerekend aan de gebreken in het Broekstuk waarvoor GMB verantwoordelijk is en dus of Delfland wel een vordering ter hoogte van € 37.091,34 op GMB heeft.

Contractwijzigingen

4.27.

GMB vordert betaling van € 7.666.03 (inclusief btw) als vergoeding van de werkzaamheden (de inzet van materieel en personeel) die zij op 18 juli 2014 en 6 oktober 2014 stelt te hebben verricht. In het afwijkingsrapport (nummer 25) dat GMB op 26 november 2014 heeft ingediend bij Delfland staat vermeld dat GMB op deze dagen de in het Broekstuk aanwezige onderwaterbetonvloer, die een obstakel vormde voor het heien van de palen, heeft opgezocht en getracht te verwijderen en dat zij gelijktijdig de aanwezige zinker heeft ingemeten. Ter zitting heeft GMB toegelicht dat de door Delfland aan haar verstrekte (revisie)gegevens van Heijmans niet toereikend waren om het leidingwerk te kunnen ontwerpen en dat zij de constructie van Heijmans tot keer toe heeft moeten opgraven.

4.28.

De rechtbank is, met Delfland, van oordeel dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 5.2 van de Vraagspecificatie was GMB gehouden om voor eigen rekening de bestaande situatie in te meten. GMB heeft niet betwist dat deze inmeting nodig was om het uitvoeringsontwerp van de leidingen te maken. Dit betekent dat GMB hoe dan ook de zinker had moeten inmeten. Dat de informatie van Heijmans ontoereikend zou zijn, maar dit niet anders. Delfland is immers niet verantwoordelijk voor de volledigheid van de door haar verstrekte informatie. Zij staat op grond van paragraaf 3 leden 2 en 3 UAV-GC 2005 uitsluitend in voor de juistheid van de door haar verstrekte informatie. Voor zover GMB betoogt dat niet alleen de kosten voor het inmeten van de zinker door Delfland zouden moeten worden vergoed maar ook de kosten voor het traceren en verwijderen van de onderwaterbetonvloer, geldt dat zij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Daar waar het uitgangspunt van de UAV-GC 2005 is dat de opdrachtnemer het werk zonder verrekening, bijbetaling of schadevergoeding tot stand brengt (zie paragraaf 4 lid 4 UAV-GC 2005), had dit wel op haar weg gelegen. Voor zover GMB bedoelt te stellen dat zij een recht op bijbetaling kan ontlenen aan paragraaf 44 lid 1 UAV-GC 2005 – in haar afwijkingsrapport heeft zij deze paragraaf aangehaald – faalt deze stelling, omdat zij op geen enkele wijze heeft toegelicht dat en op grond waarvan is voldaan aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

4.29.

GMB vordert tevens een bedrag van € 6.890,59 (inclusief btw) voor aanvullende (niet tot het Werk behorende) werkzaamheden (zie afwijkingsrapport nummer 45 d.d. 29 juli 2015). Volgens GMB bleek bij het aansluiten van de leidingen op de bestaande leiding dat de bestaande leiding niet waterdicht was vanwege een niet goed functionerende – buiten de scope van het Werk gelegen – afsluiter (vlinderklep). In de Vraagspecificatie stond niet vermeld dat deze afsluiter niet functioneerde, aldus GMB.

4.30.

De desbetreffende vordering van GMB is naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. Delfland betwist niet dat de afsluiter niet goed functioneerde en evenmin dat de afsluiter niet tot het Werk behoorde. De rechtbank verwerpt het verweer van Delfland dat er andere mogelijkheden waren om de bestaande leiding waterdicht te krijgen. GMB spreekt dit tegen en Delfland heeft niet toegelicht of onderbouwd om welke concrete mogelijkheden het gaat. Bovendien is gesteld noch gebleken dat toepassing van die mogelijkheden niet tot aanvullende werkzaamheden en kosten voor GMB zou hebben geleid. Dat het tot de verplichtingen van GMB behoorde om de door Heijmans aangelegde leiding waterdicht te maken, heeft Delfland wel gesteld, maar zij heeft niet toegelicht uit welke bepaling in de Basisovereenkomst en/of de UAV-GC 2005 dit volgt. De rechtbank gaat daarom ook aan dit betoog van Delfland voorbij. Nu Delfland de hoogte van de gevorderde kosten niet betwist, zijn deze kosten volledig toewijsbaar. Anders dan GMB stelt, is Delfland niet reeds vanaf 29 juli 2015 de wettelijke handelsrente verschuldigd. Uit paragraaf 33 lid 7 UAV-GC volgt immers dat partijen een betalingstermijn van vier weken zijn overeengekomen. In deze paragraaf wordt die termijn weliswaar gekoppeld aan de betaling van een factuur, maar het afwijkingsrapport kan naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een gelijkwaardig verzoek tot betaling. Het bepaalde in artikel 14 lid 4 van de Basisovereenkomst, waarop Delfland in dit verband een beroep, maakt dit niet anders, omdat daarin uitsluitend is bepaald dat Delfland de termijnen van de aanneemsom pas zal betalen nadat GMB een declaratie heeft ingediend.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.31.

GMB heeft een bedrag van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd op basis van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In haar berekening is GMB, zo begrijpt de rechtbank, uitgegaan van een hoofdsom van € 1.283.085 (excl. btw).

4.32.

De vordering van GMB op Delfland betreft een schadevergoedingsvordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, waarop GMB haar vordering tot buitengerechtelijke incassokosten heeft gebaseerd, is daarop echter niet van toepassing. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal.

4.33.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt en bij betwisting worden aangetoond en voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Delfland heeft niet betwist dat er buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, en ook niet dat het maken van buitengerechtelijke kosten redelijk was. Delfland heeft als verweer slechts aangevoerd dat geen grond voor toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten bestaat, omdat de hoofdvorderingen van GMB niet toewijsbaar zijn. Dit verweer slaagt niet, nu op Delfland een wettelijke verplichting tot schadevergoeding rust.

4.34.

Voor de beoordeling van de redelijkheid van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten kan worden aangesloten bij de staffel uit het rapport BGK-integraal. Dit rapport gaat voor de berekening van de buitengerechtelijke incassokosten uit van de toegewezen hoofdsom. Nu, zoals hiervoor overwogen, nog niet vaststaat welk bedrag aan GMB zal worden toegewezen, zal de rechtbank de beslissing over het bepalen van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten aanhouden.

Tot slot

4.35.

In dit tussenvonnis zijn op belangrijke punten beslissingen gegeven. De rechtbank geeft partijen uitdrukkelijk in overweging – gelet op de met een nadere aktewisseling gemoeide tijd en kosten en het eventuele nog te volgen traject – te bezien of een minnelijke regeling niet de voorkeur verdient boven verder procederen in deze zaak.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van GMB als bedoeld onder rechtsoverweging 4.24 van dit vonnis;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 1 april 2020.