Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2925

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18/6159 + 19/1005
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van 29 appartementen in eerste instantie verleend en vervolgens in bezwaar geweigerd. Hangende beroep is met een nieuwe BOB de vergunning alsnog verleend. Het overgangsrecht van lid 1 en lid 4 van artikel 133 van de Woningwet is niet van toepassing, omdat er op het moment van de aanvraag (al) een beheersverordening gold. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de toets aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening te laten vervallen vanaf het moment dat er een beheersverordening met dergelijke bepalingen geldt. Het bouwplan dan ook terecht en op juiste gronden getoetst aan de beheersverordening en niet aan de Bouwverordening. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/6159 en SGR 19/1005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaken tussen

[B.V.] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [B.V.] (SGR 18/6159)

(gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman)

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser I

[eiseres 1] , te [woonplaats] , eiseres I

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser II

[eiseres 2] , te [woonplaats] , eiseres II

[eiser 3] , te [woonplaats] , eiser III

hierna gezamenlijk aan te duiden als: omwonenden (SGR 19/1005),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder

(gemachtigde: E.M. Tolido).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Steenhaeghe B.V., statutair gevestigd te Den Haag, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. P.A. Kok).

Procesverloop

Inzake SGR 18/6159

Bij besluit van 25 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 29 appartementen, het uitvoeren van diverse gevelwijzigingen en het plaatsen van dakkapellen en dakramen op het perceel aan de [adres] te [plaats] .

Bij afzonderlijke besluiten van 24 en 25 juli 2018 (gezamenlijk: bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van omwonenden en [B.V.] gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en de eerder aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

[B.V.] heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake SGR 18/6159 en SGR 19/1005

Bij besluit van 19 december 2018 (bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en vervangen. Met bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van omwonenden en [B.V.] alsnog ongegrond verklaard en het primaire besluit ongewijzigd gehandhaafd.

De omwonenden hebben tegen bestreden besluit II bezwaar gemakt. Verweerder heeft dit bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift naar de rechtbank doorgestuurd.

[B.V.] heeft haar beroepsgronden tegen bestreden besluit I aangevuld en verzocht haar beroep aan te merken als mede gericht tegen bestreden besluit II.

Bij brief van 4 maart 2019 heeft vergunninghoudster een schriftelijke zienswijze ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Beide zaken zijn gevoegd ter zitting behandeld. Namens omwonenden zijn eiser I en eiseres I verschenen. Namens [B.V.] is [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is [B] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 29 november 2017 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 29 appartementen in een pand aan de [adres] te [woonplaats] . De aanvraag betreft het wijzigen van de functie ‘gezondheidszorg’ naar de functie ‘wonen’, het wijzigen van de indeling van het pand, het plaatsen van dakkappellen en dakramen en het wijzigen van de kozijnen.

1.1.

Met het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

1.2.

Bij bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van de omwonenden en [B.V.] gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en de door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft zich in dit besluit aangesloten bij het advies van haar bezwaarschriftencommissie, dat er – kort gezegd – op neerkwam dat niet duidelijk was of het bouwplan voldeed aan de parkeervoorschriften uit artikel 2.5.30 van de Bouwverordening [woonplaats] -Voorburg 2016 (de Bouwverordening).

1.3.

Hangende het beroep van [B.V.] tegen bestreden besluit I heeft verweerder bestreden besluit II genomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat bestreden besluit I met bestreden besluit II is ingetrokken en vervangen. Bestreden besluit II is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat brengt met zich dat het beroep van [B.V.] tegen bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit II. [B.V.] heeft ter zitting bevestigd dat de kosten die hij heeft gemaakt voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen bestreden besluit I, door verweerder zijn vergoed. Gelet hierop heeft [B.V.] geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel over het ingetrokken bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep van [B.V.] tegen bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren.

2. Met bestreden besluit II heeft verweerder alsnog de gevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghoudster verleend. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 30 mei 2017 de Beheersverordening 2017 Leidschendam -Voorburg (de Beheersverordening) is vastgesteld. Met deze Beheersverordening is volgens verweerder gevolg gegeven aan de op 29 november 2014 in werking getreden Reparatiewet BZK (Stb. 2014, 458), waarin gemeenten werd opgedragen de stedenbouwkundige bepalingen uit hun bouwverordening vóór 1 juli 2018 op te nemen in een bestemmingsplan of beheersverordening. Met het in werking treden van de Beheersverordening zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening volgens verweerder komen te vervallen. Volgens verweerder kon de aanvraag van 29 november 2017 daarom uitsluitend worden getoetst aan de Beheersverordening en niet meer aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Omdat het bouwplan niet in strijd was met de Beheersverordening en zich ook overigens geen weigeringsgrond uit artikel 2.10 van de Wabo voordeed, moest de omgevingsvergunning worden verleend, aldus verweerder.

2.1.

[B.V.] betoogt dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten weigeren omdat het bouwplan niet voldoet aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. Hij bestrijdt dat deze stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening zijn vervallen met het in werking treden van de Beheersverordening. [B.V.] verwijst hiertoe naar het overgangsrecht uit artikel 133 van de Woningwet. Volgens hem hebben de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening hun gelding behouden, nu de inwerkingtreding van de Beheersverordening niet kan worden aangemerkt als een “wijziging van het bestemmingsplan” zoals bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet.

[B.V.] beroept zich daarnaast op artikel 133, vierde lid, van de Woningwet. Volgens hem kan de Beheersverordening niet op één lijn worden gesteld met een “bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening” zoals bedoeld in dit artikel. Verweerder had het bouwplan daarom moeten toetsen aan onder meer de parkeervoorschriften uit artikel 2.5.30 van de Bouwverordening, aldus [B.V.] .

2.2.

De omwonenden betogen dat verweerder zich in bestreden besluit II heeft gebaseerd op de Beheersverordening, terwijl de Beheersverordening eerder helemaal niet genoemd werd. Ook zij stellen zich op het standpunt dat verweerder het bouwplan had moeten toetsen aan de parkeervoorschriften uit artikel 2.5.30 van de Bouwverordening en dat die toets had moeten leiden tot het weigeren van de aangevraagde omgevingsvergunning. In dit verband wijzen zij erop dat de Beheersverordening inhoudelijk gelijkluidend is aan het voorheen geldende bestemmingsplan en dat hierin geen voorschriften met betrekking tot parkeren zijn opgenomen. Volgens de omwonenden kan het niet zo zijn dat het bouwplan wordt vergund zonder dat is gekeken naar de eventuele parkeeroverlast die hiervan het gevolg is.

3. De rechtbank overweegt ten aanzien van bestreden besluit II als volgt.

3.1.

De aanvraag om een omgevingsvergunning betreft een perceel waarvoor de Beheersverordening geldt. Met de Beheersverordening is het voorheen geldende bestemmingsplan ‘De Rietvink 2009’ van overeenkomstige toepassing verklaard op het gebied waarop de Beheersverordening betrekking heeft. Op het betrokken perceel rust de bestemming ‘Gemengd’. Tussen partijen is niet in geschil dat het aangevraagde bouwproject voldoet aan de regels van de Beheersverordening.

3.2.

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of verweerder bij het nemen van bestreden besluit II had moeten toetsen aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening.

3.3.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de Woningwet blijven voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, van de Woningwet, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.

Ingevolge artikel 133, vierde lid van de Woningwet blijven op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 tot 1 juli 2018, waarbij het bouwen plaatsvindt in een gebied waar op het tijdstip van indienen van de aanvraag geen bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 10 en 12, derde lid, van de Woningwet, zoals deze laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing.

3.4.

De rechtbank volgt [B.V.] en de omwonenden niet in hun betoog dat verweerder het bouwplan op grond van het overgangsrecht uit artikel 133 van de Woningwet had moeten toetsen aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. De situatie bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet doet zich in dit geval niet voor, reeds omdat bestreden besluit II dateert van na 1 juli 2018. Ook de situatie waarop artikel 133, vierde lid, van de Woningwet het oog heeft, doet zich hier niet voor. De aanvraag om een omgevingsvergunning is immers ingediend tussen de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK en 1 juli 2018. Op dat moment gold de Beheersverordening. Naar het oordeel van de rechtbank dient onder een “bestemmingsplan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening” zoals bedoeld in artikel 133, vierde lid, van de Woningwet, ook een beheersverordening te worden verstaan. In dit verband acht de rechtbank van belang dat uit artikel 1, eerste lid, van de Woningwet volgt dat voor de toepassing van deze wet onder bestemmingsplan een “bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 eerste lid, van de Wro (…) of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet” wordt verstaan. Hieruit volgt dat voor de toepassing van de Woningwet een beheersverordening wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan. Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel.1 Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de wetgever situaties waarin een beheersverordening in plaats van een bestemmingsplan van toepassing is, buiten het overgangsrecht uit artikel 133 van de Woningwet heeft willen houden. De wetsgeschiedenis van dit artikel biedt hiervoor geen steun. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat in de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening onder meer het volgende is opgenomen:

“Nu de Wro de verplichting bevat om voor het gehele gemeentelijke grondgebied een bestemmingsplan of beheersverordening vast te stellen, kan de mogelijkheid van artikel 8, vijfde lid, Woningwet om aanvullend aan een bestemmingsplan stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening op te nemen, vervallen.”

En:

“De Wro stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een stedenbouwkundige regeling verplicht in de vorm van een bestemmingsplan of een beheersverordening. Voor voorschriften als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet is dan geen plaats meer.” 2

Uit deze passages in de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de toets aan stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening te laten vervallen vanaf het moment dat voor een gebied een bestemmingsplan of beheersverordening geldt waarin dergelijke bepalingen kunnen worden opgenomen. Weliswaar is de grondslag voor het stellen van stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening pas vervallen met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK – en dus niet al met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro – maar het is de rechtbank niet gebleken dat de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Invoeringswet Wro nadien is gewijzigd. De wetsgeschiedenis van de Reparatiewet BZK biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bouwplan terecht en op juiste gronden heeft getoetst aan de Beheersverordening en niet aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. Dat verweerder hiertoe eerst in bestreden besluit II is overgegaan, doet – anders dan de omwonenden hebben gesteld – niet af aan de rechtmatigheid van dat besluit. Het stond verweerder vrij het geconstateerde gebrek in bestreden besluit I ter herstellen door dit besluit in te trekken en te vervangen door bestreden besluit II. De rechtbank begrijpt de zorgen van [B.V.] en de omwonenden over de mogelijke parkeeroverlast als gevolg van het bouwplan. Ingevolge artikel 2.10 van de Wabo kan een omgevingsvergunning als hier aan de orde, echter slechts geweigerd worden als zich één van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden voordoet. Nu dat niet het geval is, was verweerder gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. Voor een nadere belangenafweging was geen plaats.

4. Het beroep van [B.V.] en de omwonenden tegen bestreden besluit II is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

In zaak SGR 18/6159

  • -

    verklaart het beroep van [B.V.] tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van [B.V.] tegen bestreden besluit II ongegrond;

In zaak SGR 19/1005

- verklaart het beroep van de omwonenden tegen bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A.E. Bach, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wro (kamerstukken II, 2006-2007, 30 938, nr. 3, blz. 61).

2 Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wro (Kamerstukken II, 2006-2007, 30 938, nr. 3, blz. 15 en blz. 61.