Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2924

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naturalisatie, afwijzing, niet aantonen van identiteit en nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het naturalisatieverzoek van afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


1. Eiser stelt dat hij is geboren [geboortedatum 1] 1981 en dat hij de Sierraleoonse nationaliteit heeft.

1.1.

Eiser heeft op 6 februari 2000 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft in die procedure gesteld dat hij op [geboortedatum 2] 1985 is geboren in Sierra Leone. Door middel van een leeftijdsonderzoek is op 10 juli 2001 echter vastgesteld dat de door eiser opgegeven geboortedatum niet juist is. Eisers geboortedatum is vervolgens door verweerder vastgesteld op [geboortedatum 1] 1981.

1.2.

Aan eiser is met ingang van 30 januari 2002 vanwege het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Sierra Leone een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Na beëindiging van dit beleid is eisers verzoek om een verblijfsvergunning asiel afgewezen, omdat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht en eiser heeft gelogen over zijn leeftijd. Bij uitspraak van 20 maart 2007 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (AWB 06/42954) eisers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder andere geoordeeld dat de uitkomst van het leeftijdsonderzoek kon worden gevolgd. Ook oordeelde de rechtbank dat eisers relaas een positieve overtuigingskracht ontbeerde nu eiser niet alleen geen documenten heeft overgelegd, maar ook geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisrelaas had afgelegd. Eiser heeft bovendien vage en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over een aanval van rebellen op [plaats 3] . Daarom hoefde er volgens de rechtbank geen geloof te worden gehecht aan eisers verklaringen. Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze uitspraak in rechte vast is komen te staan.

1.3.

Op 10 september 2007 heeft eiser een aanbod gehad in het kader van de ‘Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ (Ranov). Daarbij heeft eiser een eenmalig aanbod gekregen om zijn identiteit te herstellen. Eiser heeft op 10 oktober 2007 verzocht om aanpassing van zijn geboortedatum in [geboortedatum 1] 1981, de geboortedatum die door verweerder aan eiser is toegekend. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een verklaring overgelegd van de Sierraleoonse ambassade van 27 september 2007, waarin is bevestigd dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1981. Met ingang van 15 juni 2007 is eiser in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning in het kader van de Ranov. Inmiddels is eiser met ingang van 20 april 2018 in het bezit gesteld van een vergunning voor onbepaalde tijd als EU langdurig ingezetene.

2. Eiser heeft op 26 januari 2016 het onderhavige verzoek om naturalisatie als bedoeld in artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) ingediend.
Bij besluit van 3 januari 2017 is dit verzoek afgewezen, omdat eiser niet de gevraagde documenten had overgelegd en omdat gebleken is dat eiser niet langer zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. Dit besluit is bij het primaire besluit ingetrokken, omdat eiser alsnog een Sierraleoons paspoort, afgegeven op 22 november 2016 en een geboorteakte, afgegeven op 24 november 2016 heeft overgelegd en deze, na een echtheidsonderzoek, door Team Onderzoek en Expertise Documenten (TOED, voorheen Bureau Documenten) van de IND in orde zijn bevonden.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers naturalisatieverzoek afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, onder c, van de RWN. Gebleken is dat eiser vanaf 17 november 2016 uit de Basis Registratie Personen (Brp) is uitgeschreven. Deze uitschrijving uit de Brp had ermee te maken dat eiser tussen 18 februari 2016 en 6 juli 2016 in Guinee heeft verbleven. Eiser is op 6 juli 2016 vanuit [plaats 1] (Guinee) via [plaats 2] (Marokko) naar de luchthaven Zaventem (België) gevlogen, waar hij is aangehouden. Hij bleek in het bezit te zijn van een authentieke Guineese identiteitskaart. Op deze identiteitskaart stonden als personalia vermeld: [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1976 te Guékedou Ville, van Guineese nationaliteit. De Belgische autoriteiten concludeerden dat het Sierraleoonse paspoort waarmee eiser reisde vals was en dat de Nederlandse verblijfsvergunning die bij eiser is aangetroffen, valselijk verkregen moest zijn. Zij hebben eisers Sierraleoonse paspoort en zijn Nederlandse verblijfsvergunning in beslag genomen en hem teruggestuurd naar [plaats 1] (Guinee). De Guinese autoriteiten hebben eiser vervolgens aan de Sierraleoonse autoriteiten overgedragen. Eiser moest in [plaats 3] een nieuw Sierraleoons paspoort aanvragen en daarna in [plaats 4] (Ghana) een terugkeervisum aanvragen om naar Nederland te kunnen reizen. Op 22 november 2016 is een nieuw Sierraleoons paspoort afgegeven. Bij thuiskomst in Nederland ontdekte eiser dat de gemeente hem inmiddels met ingang van 17 november 2016 had uitgeschreven uit de Brp. Hieruit volgt dat het hoofdverblijf van eiser na indiening van het naturalisatieverzoek niet (onafgebroken) heeft voortgeduurd.

2.2.

Verweerder heeft in de bezwaarfase de door eiser overgelegde documenten laten onderzoeken door TOED. Op 3 januari 2018 is een Verklaring van Onderzoek opgesteld. Hieruit blijkt dat het door eiser overgelegde Sierraleoonse paspoort, afgegeven op 22 november 2016, die eerder echt is bevonden, als frauduleus verkregen wordt beschouwd, omdat niet bekend is welke geboorteakte aan de verkrijging van het paspoort ten grondslag heeft gelegen. Daarom kan niet worden vastgesteld of het document bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verder blijkt ten aanzien van de geboorteakte, afgegeven op 24 november 2016, dat al eerder is onderzocht en echt is bevonden, dat sprake is van een eerdere geboorteregistratie. Aangezien het niet is toegestaan om een geboorte meer dan één keer te laten registreren, is geconcludeerd dat deze geboorteakte niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven.

2.3.

Vanwege de twijfel aan eisers herkomst uit Sierra Leone, onder andere gebaseerd

op de bevindingen van de Belgische autoriteiten, is op 4 april 2018 een taalanalyse

gehouden, naar aanleiding waarvan op 23 april 2018 door Team Onderzoek en Expertise

Land en Taal (TOELT) een Rapport Taalanalyse is opgesteld. Uit dit rapport blijkt dat eiser

eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone. Eiser is

eenduidig herleidbaar tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. Eiser heeft op 29 augustus

2018 een reactie van Taalstudio 24 juli 2018 overgelegd, waarin is verzocht om de

taalanalyse buiten beschouwing te laten. Verweerder heeft deze reactie van Taalstudio

voorgelegd aan TOELT. Op 11 september 2018 heeft TOELT gemotiveerd aangegeven

waarom geen aanleiding bestaat om het rapport taalanalyse buiten beschouwing te laten.

Het TOELT en De Taalstudio hebben daarna verschillende keren op elkaar gereageerd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet in aanmerking komt voor naturalisatie, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7 van de RWN, nu er ernstige twijfel bestaat over zijn identiteit en nationaliteit. Tevens komt eiser niet in aanmerking voor naturalisatie, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, onder c, van de RWN. Dat eiser een Sierraleoons paspoort, afgegeven op 22 november 2016 en een Sierraleoonse geboorteakte afgegeven op 24 november 2016 heeft overgelegd en dat de Sierraleoonse ambassade op 23 mei 2018 nogmaals heeft verklaard dat eiser de Sierraleoonse nationaliteit heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Dat deze documenten echt zijn bevonden, betekent immers nog niet dat de inhoud van die documenten juist is. Het zegt ook niets over de wijze waarop de documenten zijn verkregen. Nu geen deugdelijke identificatieproces heeft plaatsgevonden, kan aan de door eiser overgelegde documenten niet de waarde worden toegekend die eiser eraan gehecht wenst te zien.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op hetgeen eiser heeft aangevoerd

gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in.

4.1.

Eisers verzoek in het beroepschrift om dat wat in het bezwaarschrift en in de overige stukken is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, zonder daarbij te vermelden in welk opzicht volgens hem de motivering van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend is, is onvoldoende om te spreken van een afzonderlijke beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan. De rechtbank gaat dus aan dat verzoek voorbij.

4.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat al in de asielprocedure is getwijfeld aan de door eiser opgegeven personalia. Op grond van leeftijdsonderzoek is toen al vast komen te staan dat eiser heeft gelogen over zijn leeftijd. Ook over eisers asielrelaas en de overige door eiser opgegeven personalia werd getwijfeld. De twijfel is bevestigd toen de Belgische autoriteiten een authentiek Guinese identiteitskaart bij eiser aangetroffen. Verweerder heeft vervolgens een taalanalyse laten verrichten. Op grond van de op 4 april 2018 uitgevoerde taalanalyse is gebleken dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone. Eiser is eenduidig herleidbaar tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. Verweerder heef hierin bevestiging gezien dat ernstige twijfel bestaat aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit.

4.3.

Eiser stelt dat zijn verzoek om naturalisatie ten onrechte is afgewezen, omdat hij met het overleggen van zijn geboorteakte en paspoort zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, nu deze echt zijn bevonden. Tevens heeft eiser een verklaring van de ambassade van de Sierra Leone in Brussel van 23 mei 2018 overgelegd, waaruit eveneens blijkt dat hij de Sierraleoonse nationaliteit heeft.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7 en artikel 23 van de RWN, en artikel 31, eerste lid, onder a, b, en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, moet de vreemdeling bij het indienen van het nationalisatieverzoek in ieder geval gegevens verstrekken over de volledige naam, de geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland en nationaliteit. Bij toepassing van de RWN hanteert verweerder het beleid, dat is neergelegd in de “Handleiding voor de toepassing van de RWN” (Handleiding). Volgens de Handleiding moet het verzoek om naturalisatie zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, dient deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten te overleggen.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:851) is de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen een zaak van groot gewicht en is verweerder bevoegd te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in de Handleiding RWN neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont. Gelet hierop is het in de naturalisatieprocedure aan verweerder om te beoordelen of de verzoeker met de door hem overgelegde documenten zijn nationaliteit heeft aangetoond. Hieruit volgt dat verweerder in deze procedure niet zonder meer is gebonden aan de door eiser overgelegde documenten, ook al zijn die documenten als zodanig, los van de inhoud van de documenten, hoogstwaarschijnlijk echt (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:109).

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de in het bestreden besluit

gegeven uitgebreide motivering terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn identiteit

en nationaliteit niet heeft aangetoond met de door hem overgelegde documenten.

4.7.

De rechtbank stelt vast dat TOED op verzoek van verweerder de door eiser

overgelegde documenten heeft onderzocht. TOED heeft de onderzoeksbevindingen

vastgelegd in een Verklaring van Onderzoek van 3 januari 2018. Dit onderzoek kan worden

aangemerkt als een deskundigenadvies.

4.8.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 30

juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674) moet een bestuursorgaan, indien het een

deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2

van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming

- zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

4.9.

Eiser heeft geen contra-expertise ingebracht die twijfels oproept over de uitkomst

van het door TOED verrichte onderzoek. Ook in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd

ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen

van TOED. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande mogen baseren op het

deskundigenadvies.

4.10.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande

terecht op het standpunt gesteld dat aan de door eiser overgelegde documenten niet de

waarde kan worden gehecht die eiser eraan gehecht wenst te zien en dat deze

documenten niet kunnen worden beschouwd als documenten waarmee hij zijn identiteit en

nationaliteit kan aantonen in de zin van artikel 7 van de RWN. De rechtbank verwijst in dit

verband allereerst naar de uitgebreide motivering van verweerders standpunt op pagina 10

en 11 van het bestreden besluit. Dat eisers Sierraleoonse paspoort en Sierraleonse

geboorteakte echt zijn bevonden, maakt dit, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft

toegelicht, niet anders. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken welk brondocument eiser

heeft moeten overleggen om het Sierraleoonse paspoort dat op 22 november 2016 aan eiser

is verstrekt te verkrijgen. Evenmin is gebleken of voorafgaand aan de verkrijging van het

paspoort een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat niet

buiten twijfel staat dat het paspoort daadwerkelijk door de Sierrale loonse autoriteiten aan

eiser is verstrekt. De verklaring van de ambassade genoemd onder 4.3 leidt niet tot een

ander oordeel, omdat daarin evenmin duidelijkheid wordt verschaft voor wat betreft het identificatieproces en of de gegevens inhoudelijk juist zijn.

Voorts heeft verweerder mogen meewegen dat eiser volgens de taalanalyse eenduidig niet te

herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone. Die conclusie

versterkt de twijfel over eisers identiteit en nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank

heeft de verweerder in de contra-expertise die eiser heeft laten verrichten door De

Taalstudio en het verdere debat tussen het TOELT en De Taalstudio geen aanleiding hoeven

zien om de taalanalyse van het TOELT niet mede ten grondslag te leggen aan de afwijzing

van het naturalisatieverzoek.

4.11.

In hetgeen eiser in beroep voor het overige heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen

aanknopingspunten voor een ander oordeel.

7. Het beroep van eiser op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 10 van de RWN

slaagt evenmin. De rechtbank overweegt hierover dat alleen zeer bijzondere omstandigheden en dat ook redenen van humanitaire aard grond kunnen zijn voor toepassing van genoemd artikel. In wat eiser naar voren heeft gebracht bestaat geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zijn beroep op de hardheidsclausule ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hardheidsclausule op grond van artikel 10 van de RWN geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de voorwaarden van artikel 7 van de RWN. Nu eiser niet voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden, kan hij reeds daarom geen geslaagd beroep doen op artikel 10 van de RWN.

8. Aan het door eiser gestelde dat verweerder in het kader van de hardheidsclausule

onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser, gaat de rechtbank voorbij.

Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op artikel 4:84 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb), overweegt de rechtbank dat ook dit beroep niet slaagt, gelet op het

voorgaande.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser op

grond van de bestaande twijfel omtrent zijn identiteit en nationaliteit niet in aanmerking

komt voor naturalisatie.

10. Gelet op het voorgaande hoeft de tweede afwijzingsgrond, die verweerder aan de

afwijzing van het verzoek om naturalisatie ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat eiser

niet in aanmerking voor naturalisatie, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van

artikel 8, eerste lid, onder c, van de RWN, niet te worden besproken.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De uitspraak is gedaan op 1 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.