Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2857

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
C/09/580469
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

teruggeleidingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-6898

Zaaknummer: C/09/580469

Datum beschikking: 26 maart 2020

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 23 september 2019 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats Y] , Verenigde Staten van Amerika,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats X]

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden kinderen te bevelen, althans de terugkeer van de kinderen uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar het adres te [woonplaats Y] Verenigde Staten van Amerika, aan de [adres Y] , dan wel – indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen naar dit adres – te bepalen dat de moeder de kinderen onmiddellijk, doch uiterlijk op een door de rechtbank te bepalen datum, met hun paspoort, aan de vader zal afgeven, zodat hij de kinderen zelf mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten van Amerika, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft gemaakt en nog dient te maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het verslag van 10 februari 2020 van de bijzondere curator;

- de brief van 13 februari 2020, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Bij beschikking van 21 januari 2020 is drs. A. (Anneke) van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de kinderen. Iedere verdere beslissing is aangehouden en de zaak is ter verdere inhoudelijke behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Op 14 februari 2020 is de zaak op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door mr. M.Q.M. Mosk, kantoorgenoot van zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de bijzondere curator en mevrouw [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vader zijn pleitaantekeningen overgelegd.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zelf met de rechtbank te spreken.

Aan het einde van de zitting van 14 februari 2020 heeft de rechtbank haar voorlopig oordeel met partijen gedeeld. Dit voorlopig oordeel hield in dat de overbrenging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland ongeoorloofd was. Hierop hebben partijen aangegeven te willen proberen om via crossborder mediation tot een minnelijke regeling te komen.

Bij brief van 5 maart 2020 is namens de vader aan de rechtbank meegedeeld dat het de ouders is gelukt om in mediation tot algehele overeenstemming te komen en dat de afspraken die zij hebben gemaakt zijn neergelegd in een schriftelijke overeenkomst. De vader verzoekt die overeenkomst aan de te nemen beschikking te hechten. De originele, door beide ouders op 28 februari 2020 ondertekende, overeenkomst (Family Plan [namen X en Y] is door de advocaat van de vader aan de rechtbank overgelegd op 17 maart 2020.

Bij brief van 6 maart 2020 is hetgeen in de brief van 5 maart 2020 van de kant van de vader is vermeld, bevestigd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij voornoemde beschikking van 21 januari 2020 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Verzoek aanhechten ouderschapsplan

Blijkens het door de ouders op 28 februari 2020 ondertekende ouderschapsplan (Family Plan [namen X en Y] hebben de ouders een onderlinge regeling getroffen die ziet op de ouderlijke verantwoordelijkheid over de kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika, en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] Verenigde Staten van Amerika.

Meer in het bijzonder hebben de ouders een zorg- en contactregeling vastgesteld en afspraken gemaakt over de gezagsuitoefening en de gewone verblijfplaats van de kinderen . Afgesproken is verder dat de kosten van mediation door de vader zullen worden betaald. De rechtbank moet beslissen op het verzoek tot aanhechting van het ouderschapsplan aan deze beschikking.

De rechtbank zal Nederlands recht als haar interne recht toepassen en het verzoek tot het aanhechten van het ouderschapsplan als op de wet gegrond toewijzen.

Verzoek teruggeleiding

De advocaat van de vader heeft desgevraagd aangegeven dat de vader zijn verzoek om teruggeleiding om hem moverende redenen handhaaft, ook al hebben partijen algehele overeenstemming bereikt. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In het ouderschapslan zijn partijen overeengekomen dat het hoofdverblijf (‘main place of residence’) van de kinderen vanaf juli 2020 bij hun moeder in [toekomstge woonpla. X in Amerika] zal zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat het inmiddels kennelijk de wens van beide partijen is dat de kinderen het lopende schooljaar in Nederland afmaken. Het feit dat partijen in het ouderschapsplan aangeven dat de kinderen op dit moment (en tot juli 2020) feitelijk in Nederland (zullen) verblijven (‘now residing in [woonplaats X] ’), brengt mee dat hun verblijf in Nederland in de periode gelegen tussen de overbrenging (zomer 2019) en de terugreis naar de Verenigde Staten (zomer 2020) niet als ongeoorloofd (meer) kan worden aangemerkt. Omdat toewijzing (of een verdere inhoudelijke beoordeling) van het verzoek tot teruggeleiding zich niet goed verhoudt tot de mededeling van partijen dat tussen hen algehele overeenstemming is bereikt, zal dit verzoek wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Proceskosten en verdere afwikkeling

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten, met uitzondering van de kosten van de mediation, compenseren als hierna vermeld.

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Als er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

neemt op de door de vader en de moeder getroffen onderlinge regelingen, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte overeenkomst (Family Plan [namen X en Y] van 28 februari 2020, en verklaart de beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, dit met uitzondering van de kosten van de mediation, die zullen conform de afspraken tussen de ouders door de vader voor zijn rekening worden genomen;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van

26 april 2020 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, J.T.W. van Ravenstein en M.S. Vonck, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2020.

Bij afwezigheid van mr. Sluymer is deze beschikking ondertekend door mr. Van Ravenstein.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.