Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2853

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
NL20.4039
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin, Niet-ontvankelijk, MOB, Dublinclaim uit ander land

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4039


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.4040, plaatsgevonden op 5 maart 2020, in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.

2. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat uit informatie van de Vreemdelingenpolitie en uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is gebleken dat eiser op 25 februari 2020 met onbekende bestemming is vertrokken. Deze informatie wordt bevestigd door de Dublinclaim die de Franse autoriteiten bij Nederland hebben ingediend op 4 maart 2020.

3. Eiser stelt dat niet kan worden uitgesloten dat hij nog procesbelang heeft. Weliswaar blijkt uit verweerders informatie dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en op 4 maart 2020 in Frankrijk is geweest. Gezien de korte reisafstand tussen Nederland en Frankrijk sluit dit echter niet uit dat hij inmiddels weer in Nederland zou kunnen zijn.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 blijkt dat indien een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit dient te worden gegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Niet is gebleken dat eiser sinds zijn zelfstandige vertrek uit de opvang nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt, of dat de gemachtigde van eiser op de hoogte is van eisers verblijfslocatie.

5. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland, en dus geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. Dat het goed mogelijk is dat eiser inmiddels weer in Nederland is, kan – wat daar overigens ook van zij – daar niet aan afdoen.

6. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579