Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2801

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6357
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA-aanvraag buiten de Amber-termijn - het is niet gebleken dat de gestelde verslechtering in de medische situatie van eiseres heeft plaatsgevonden binnen de Amber-termijn - het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Bissessur),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Alsemgeest).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 1 september 2016 afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Verweerder heeft eiseres per einde wachttijd (op 28 juli 2009), een WIA-uitkering geweigerd omdat zij destijds minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Vervolgens heeft eiseres van 28 juli 2009 tot en met 27 april 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) gehad. Bij brief van 3 april 2014 heeft eiseres opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag heeft verweerder afgewezen bij besluit van

23 juli 2014 omdat eiseres volgens verweerder nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 3 november 2014. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2

Op 13 november 2018 heeft eiseres zich opnieuw gemeld met toegenomen beperkingen. Eiseres heeft haar aanvraag op 11 februari 2019 aangevuld.

2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiseres per 1 september 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar WIA-uitkering langer dan vijf jaar geleden is afgewezen. Dit standpunt heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiseres voert in beroep – samengevat weergegeven – aan dat de medische beperkingen van eiseres die bij onderhavige aanvraag zijn aangegeven niet losstaan van de geconstateerde medische en psychische beperkingen van 28 oktober 2014. Deze beperkingen zijn een verergering van de medische beperkingen van eiseres in 2010. De toename van de beperkingen van eiseres was voor 28 juli 2014 al manifest en deze toename is in de loop der jaren alleen maar verergerd. Er is niet alleen sprake van verergerde klachten, maar ook van nieuwe klachten. Deze nieuwe klachten zijn door verweerder onvoldoende beoordeeld.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd (dit betreft de zogeheten Amber-beoordeling).

4.2

In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat bij eiseres geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (hierna: de Amber-termijn).

4.3

Eiseres heeft zich bij brief van 3 april 2014 – binnen de Amber-termijn (vijf jaar na

28 juli 2009) – gemeld bij verweerder met toegenomen beperkingen, maar verweerder heeft zich toen na medisch onderzoek bij besluit van 23 juli 2014 op het standpunt gesteld dat eiseres nog altijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 3 november 2014. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Met die beslissing is vast komen te staan dat er bij eiseres per 19 februari 2014 geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid. Voor zover eiseres met haar beroepsgronden het besluit van 3 november 2014 aan de kaak heeft willen stellen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Als zij het niet eens was met dat besluit had zij daartegen beroep moeten instellen. Anders dan eiseres in haar beroepschrift lijkt te veronderstellen begint de Amber-termijn niet opnieuw met vijf jaar te lopen nadat zij zich bij brief van 3 april 2014 bij verweerder had gemeld. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de Amber-termijn eindigde op 28 juli 2014. Nu eiseres, blijkens het rapport van de primaire verzekeringsarts, toegenomen arbeidsongeschiktheid claimt vanaf 1 september 2016, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze datum buiten de Amber-termijn valt. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat haar medische situatie in de periode van 19 februari 2014 tot 28 juli 2014 is verslechterd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat daarvoor geen steun is te vinden in de beschikbare medische gegevens in het dossier.

4.4

Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat zij zich ten tijde van de WW-periode ziek heeft gemeld en er vanaf dat moment een nieuwe termijn is gaan lopen, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft eiseres zich weliswaar per 8 september 2011 bij verweerder ziekgemeld vanuit de WW, maar deze ziekmelding is niet geaccepteerd. Eiseres heeft tegen de weigering een ZW-uitkering toe te kennen geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat vanaf dat moment geen nieuwe ziekteperiode is aangevangen. Voor zover eiseres stelt dat zij zich in 2014 heeft ziekgemeld met nieuwe klachten en verweerder had moeten onderzoeken of eiseres in verband met die nieuwe klachten in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering slaagt dit betoog evenmin. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht was de WW-uitkering van eiseres reeds per

27 april 2012 beëindigd en was zij sindsdien niet meer als verzekerde te beschouwen in de zin van de ZW. Deze betogen kunnen dan ook niet tot het oordeel leiden dat zij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WIA-uitkering.

4.5

Voor zover eiseres heeft gewezen op het besluit van de gemeente Zoetermeer van 29 januari 2019 waarin zij is vrijgesteld van actieve arbeidsverplichtingen die aan haar bijstandsuitkering zijn verbonden, leidt dit evenmin tot het oordeel dat verweerder haar ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. Ook in dit besluit is geen steun te vinden voor het oordeel dat eiseres in de periode van 19 februari 2014 tot

28 juli 2014 toegenomen arbeidsongeschikt was.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020 door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.