Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2794

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
NL19.21222
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Eritrea, vwd heeft onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd van eiseres ten tijde van de gebeurtenissen in lvh, ten onrechte ongeloofwaardig, gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.21222


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).


Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eisers relaas

1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is geboren en getogen in het vluchtelingenkamp Shagarab in Soedan. Hij heeft nooit in Eritrea verbleven. Eisers vader was werkzaam voor de Eritrese overheid als soldaat en was voor eisers geboorte gevlucht naar het vluchtelingenkamp in Soedan. De Eritrese autoriteiten kwamen rond het jaar 2010 met auto's naar het kamp en namen mensen mee. Zijn vader ging naar buiten en is niet meer teruggekomen. Later is eisers vader vermoord teruggevonden. In 2014 is de oom van eiser opgepakt door waarschijnlijk de Rashaida's. Eiser en zijn familie weten niet waar de oom nu is. Eiser vreest bij terugkeer naar Eritrea dat hij of zal worden gedood, of in de gevangenis zal worden gestopt, of naar de militaire dienst zal worden gestuurd.

Verweerders beoordeling

2.1

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst;

- verklaringen over ontvoering en moord op vader.

2.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. De verklaringen over de ontvoering en de moord op zijn vader worden ongeloofwaardig geacht.

De stelling van eiser dat Eritrese vluchtelingen in Soedan gevaar lopen op ontvoering door de Rashaida’s, wordt door verweerder niet gezien als relevant element. De toetsing van de asielaanvraag van eiser ziet toe op het land waarvan eiser stelt de nationaliteit te bezitten. In geval van eiser is dit Eritrea. De verklaring van eiser dat Rashaida’s actief zijn in Soedan en hij daardoor problemen heeft ervaren wordt daarom niet beoordeeld, nu deze buiten het land hebben plaatsgevonden waarvan eiser de nationaliteit heeft, aldus verweerder.

Ook is verweerder van mening dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit risico loopt, allereerst omdat het relevante element waarop deze vrees is gebaseerd, te weten de ontvoering van en de moord op zijn vader, niet geloofwaardig is geacht. Ten tweede is niet gebleken dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade in verband met het vervullen van de militaire dienstplicht. Hiervoor is vereist dat een vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Hiervan is volgens verweerder niet gebleken.

Het beroep van eiser gericht tegen verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling

3. Eiser voert als meest verstrekkende grond aan, samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting, dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit niet heeft uitgevoerd conform de Werkinstructie (WI) 2014/10.

3.1

Zo heeft verweerder ten onrechte veel waarde hecht aan de verklaring van een minderjarige over de gewelddadige dood van zijn vader. Eiser was ten tijde van die dood nog erg jong. Dit doet geen recht aan alle informatie die eiser wel heeft aangedragen.

3.2

Verweerder doet volgens eiser ook te weinig met de door hem overgelegde informatie. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken of het relaas past in het hetgeen algemeen bekend is over Eritrese vluchtelingen in Soedan. Zo volgt onder meer uit de informatie van de landenspecialisten van Vluchtelingenwerk Nederland van 12 april 2019, inclusief de daarin genoemde bijlagen (productie 3 bij de zienswijze), dat de Eritrese autoriteiten in Soedan, meer specifiek in de vluchtelingenkampen in Soedan, actief zijn en de daar verblijvende Eritreeërs negatief bejegenen, waaronder het plegen van ontvoeringen. In die periode kwamen de Eritrese autoriteiten met hun auto’s naar het kamp toe en namen mensen mee die ze zochten. De Soedanese overheid deed daar niets tegen. Daarom denkt de moeder van eiser dat de Eritrese overheid achter de dood van eisers vader zit en heeft ze dat aan eiser verteld. Omdat het een algemene werkwijze is van de Eritrese autoriteiten, valt niet in te zien waarom de functie van de vader van eiser in het Eritrese leger in deze van belang is. Te meer niet omdat een deskundige, mevrouw M. van Reisen van de Universiteit Tilburg, bevestigt dat de Eritrese overheid actief is in de Shegarab kampen in Soedan (productie 4 bij de zienswijze) en daarbij niet terugdeinst voor ontvoering en moord. Verweerder gaat volgens eiser te gemakkelijk voorbij aan de bevindingen van van Reisen. Hieruit zou ook kunnen worden opgemaakt dat een oudste zoon van het gezin naar zijn aard gevaar loopt van de zijde van de Eritrese autoriteiten wanneer deze de vader van dit gezin hebben omgebracht.

3.3

Ten aanzien van het overgelegde bewijs van overlijden van de vader van eiser stelt eiser dat in geval van een eerste asielaanvraag het niet ten nadele van de vreemdeling mag worden uitgelegd wanneer een overgelegd document niet op authenticiteit onderzocht kan worden. Dit wil ook niet zeggen dat het door eiser overgelegde bewijs van overlijden van zijn vader zonder enige betekenis zou zijn, omdat het duidelijk is door wie dit bewijs is verstrekt, namelijk door de medisch directeur van het Al Shagarab ziekenhuis voor Vluchtelingen. Verweerder had de betreffende gegevens ook bij dit ziekenhuis kunnen verifiëren. Nu eiser een begin van bewijs heeft geleverd van het overlijden van zijn vader, valt niet in te zien waarom verweerder in het kader van de samenwerkingsverplichting niet gehouden zou zijn tot nader onderzoek naar de juistheid van de inhoud van bewijs van overlijden, bijvoorbeeld via de UNHCR met wie verweerder ten tijde van het behandelen van de aanvraag van eiser eerder contact heeft gehad of via het Team Onderzoek Expertise Land en Taal van de IND, aldus eiser.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank oordeelt met betrekking tot de meest verstrekkende beroepsgrond van eiser als volgt.

4.1

Op grond van de WI 2014/10 (paragraaf 3.2.2.) dient verweerder rekening te houden met ‘verschonende omstandigheden’, die een bepaald gebrek in de geloofwaardigheid zouden kunnen verklaren, zoals bijvoorbeeld de leeftijd.

4.1.1

Verweerder voert aan dat eiser enkel vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over de ontvoering en moord op zijn vader. Eiser voert volgens verweerder geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat juist de Eritrese autoriteiten zijn vader hebben ontvoerd en vermoord, op wat voor wijze dit is gebeurd en/of er naar aanleiding van de gestelde gebeurtenissen nog onderzoek is verricht. Eiser weet daarnaast volgens verweerder niet wat de functie van zijn vader was gedurende de militaire dienst. Evenmin is duidelijk waarom zijn vader zou worden gezocht door de Eritrese autoriteiten. Hij verbleef immers al meer dan 10 jaar buiten Eritrea in een groot buitenlands vluchtelingenkamp. Eiser wordt door verweerder gevolgd in zijn stelling dat hij nog jong was ten tijde van de gebeurtenis en dat dit impact op zijn leven heeft gehad. Desalniettemin wordt eiser niet gevolgd in de argumentatie dat hij hierdoor niet tot in detail heeft kunnen verklaren, aldus verweerder.

4.1.2

De rechtbank stelt voorop dat eiser ten tijde van het overlijden van zijn vader tien jaar oud was. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kenbaar rekening gehouden. Verweerder heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat met de leeftijd wel rekening is gehouden, maar heeft vervolgens niet nader gemotiveerd waarom eiser desondanks gedetailleerder zou moeten kunnen verklaringen omtrent de dood van zijn vader. Daarbij komt dat de gestelde moord een lange tijd geleden (meer dan tien jaar inmiddels) heeft plaatsgevonden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kenbaar in de besluitvorming betrokken.

4.2

In paragraaf 2.1 van de WI 2014/10 van verweerder staat over de onderzoeksplicht en samenwerkingsverplichting het volgende opgenomen:

“De stelplicht en bewijslast betreffende het asielrelaas liggen in beginsel bij de asielzoeker. De grenzen van de bewijslast voor de asielzoeker strekken zover als ‘wat in redelijkheid van hem gevraagd kan worden’. De IND heeft op grond van artikel 3:2 Awb ook een actieve onderzoeksplicht. De overheid kan in voorkomende gevallen bovendien tegemoet komen aan de op de vreemdeling rustende bewijslast door zelf onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren of het opvragen van een individueel ambtsbericht en het laten verrichten van een taalanalyse of een leeftijdsonderzoek. Bovendien heeft de IND mogelijkerwijze gemakkelijker toegang tot bepaalde soorten documenten en informatie dan de verzoeker. De overheid moet de relevante elementen (ambtshalve) aanvullen en algemene informatie beschikbaar hebben en toepassen waar dat nodig is. In dit verband wordt ook wel gesproken van de samenwerkingsverplichting die is neergelegd in artikel 4, eerste lid van de Kwalificatierichtlijn.”

4.2.1

Verweerder voert aan dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij zich heeft ingespannen om meer over de gebeurtenis zelf of over zijn vader te weten te komen. Eiser heeft de dood van zijn vader ook niet onderbouwd met documenten. De overgelegde kopie van de verklaring van overlijden van zijn vader kan niet worden onderzocht op echtheid. Hieraan kan dus volgens verweerder geen waarde worden gehecht ten aanzien van de verklaringen met betrekking tot de geloofwaardigheid van de dood van de vader. Voorts blijkt uit de vertaling van het document dat belangrijke delen van het overlijdensdocument, waaronder de handtekening van de opsteller van het bewijs, onleesbaar zijn. Bovendien blijkt uit de inhoud van dit document niet dat de vader van eiser is ontvoerd en vermoord door de Eritrese autoriteiten, aldus verweerder.

4.2.2

Conform WI 2014/10 dient bij een eerste asielaanvraag als uitgangspunt te gelden dat indien de authenticiteit van document niet kan worden vastgesteld, dit niet ten nadele van de vreemdeling gebruikt mag worden. Verweerder heeft dit in strijd met de WI 2014/10 wel gedaan. Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen in de WI 2014/10 is bepaald ook worden gevolgd in zijn standpunt dat op basis van de wel beschikbare gegevens op het document tot nader onderzoek overgegaan had kunnen worden. Hij heeft een begin van bewijs geleverd door het overlijdensdocument van zijn vader te overleggen. Leesbaar is door wie dit document is verstrekt, namelijk door de medisch directeur van het Al Shagarab ziekenhuis voor Vluchtelingen. Onduidelijk is waarom geen nader onderzoek mogelijk is nu de bron van het document bekend is. Denkbaar is dat contact met de bron wordt gezocht om de echtheid van het document te verifiëren. Ook had verder kunnen worden onderzocht door verweerder wat in het betreffende ziekenhuis bekend is over de doodsoorzaak van de vader.

4.3

Verweerder heeft verder in het bestreden besluit gesteld dat de algemene informatie onvoldoende is om het relaas geloofwaardig te achten, omdat dit niet op de persoonlijke situatie ziet van eiser. De rechtbank is echter van oordeel dat deze motivering onvoldoende is gelet op het feit dat de algemene informatie, waaronder de bevindingen van van Reisen, overeenkomt met de verklaringen van eiser en daarom als onderbouwing van zijn asielrelaas kan worden gezien.

5. Concluderend is de rechtbank is van oordeel dat verweerder het tweede relevante element gelet op de hiervoor omschreven gebreken onvoldoende kenbaar gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken, waarbij wellicht nader onderzoek geboden is, geen aanleiding om finale geschilbeslechting te onderzoeken. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.