Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2772

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
NL20.6468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 56; maatregel niet ondertekend; gebiedsverbod; lichter middel. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6468


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. In het kader van deze maatregel is het eiser verboden met ingang van 13 maart 2020 zich te bevinden in de gemeente Almere en is eiser verplicht met ingang van 13 maart 2020 te verblijven in de gemeente Vlagtwedde.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 20 maart 2020 een schriftelijke reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Bij elektronisch bericht van 23 maart 2020 heeft de rechtbank partijen bericht het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie over te leggen. Verweerder heeft op 24 maart 2020 gereageerd. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op de informatie van verweerder te reageren.

De rechtbank heeft het onderzoek op 26 maart 2020 gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Burundese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd omdat het belang van de openbare orde dit vordert. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Hem is op 22 maart 2016 een terugkeerbesluit uitgereikt met een vertrektermijn van 28 dagen. Door van deze gegunde termijn geen gebruik te maken, maakt hij het niet aannemelijk dat hij thans wel uit vrije wil zal vertrekken. Er bestaat daarom een risico dat eiser zich in de toekomst aan het toezicht zal onttrekken. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, noch over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser heeft volgens de wet geen recht op opvang. Eiser kan alleen opvang krijgen in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) Ter Apel, gemeente Vlagtwedde. Het is eiser, ingevolge het besluit van het Centraal Orgaan van Asielzoekers (COA) van 6 maart 2020 niet langer toegestaan te verblijven in Almere. Verder heeft verweerder aan de maatregel ten grondslag gelegd dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen. Aan hem wordt een lichter middel in de vorm van een maatregel op grond van artikel 56 Vw opgelegd teneinde toezicht te kunnen houden of eiser ook daadwerkelijk invulling geeft aan zijn vertrekplicht. Deze maatregel wordt proportioneel geacht, temeer omdat deze maatregel in dit geval gepaard gaat met het aanbieden van onderdak.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de vrijheidsbeperkende maatregel niet is ondertekend, zodat de maatregel daarom onrechtmatig is.

3.1.

Verweerder heeft in zijn reactie van 24 maart 2020 het volgende aangegeven. Verweerder heeft getracht een getekend exemplaar op te vragen bij de betreffende medewerker die de maatregel op 11 maart 2020 heeft opgelegd. De betreffende medewerker, [naam] , verklaart hierover het volgende. Er zijn twee exemplaren uitgeprint en ondertekend. Een getekend exemplaar is afgegeven aan eiser en een getekend exemplaar is afgegeven aan het postcentrum van de IND om in te scannen. Vanwege de huidige omstandigheden is er echter een achterstand ontstaan in de administratie en is het niet mogelijk om de ondertekende maatregel binnen de gevraagde termijn te versturen. Verweerder benadrukt dat, naast bovengenoemde verklaring, ook uit het instellen van beroep binnen één dag na het opleggen van de maatregel genoegzaam blijkt dat eiser op de hoogte is van de maatregel en dat deze maatregel op de juiste wijze is uitgereikt.

3.2.

De rechtbank is, mede nu eiser niet op de uitleg van verweerder heeft gereageerd, van oordeel dat er geen aanleiding is om aan deze informatie van verweerder te twijfelen. De beroepsgrond van eiser faalt daarom.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte heeft verboden zich in de gemeente Almere te bevinden. Eiser is strafbaar als hij zijn vrienden in Almere zou bezoeken. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij niet beperkt wil worden tot een verblijf in Ter Apel. Hij wil de mogelijkheid hebben zijn gemachtigde te bezoeken, of naar de ambassade te reizen om zijn vertrek uit Nederland te kunnen regelen. Door de vrijheidsbeperkende maatregel wordt hem deze mogelijkheid ontnomen, zodat hij wordt geschaad in de mogelijkheid om zijn procedures te voeren.

4.1.

Verweerder heeft zich in zijn reactie van 20 maart 2020 op het standpunt gesteld dat de motivering waarom eiser zich niet meer mag ophouden in Almere, rechtstreeks voortvloeit uit de afwijzende asielbeschikking van 24 februari 2020. Eiser heeft geen recht meer op COA-opvang in Almere. Er is geen separaat besluit ter zake genomen door het COA. De wijze waarop een en ander in de maatregel terecht is gekomen, is een uitvloeisel van de opmaak van de maatregel. Op 6 maart 2020 is er, desgevraagd, door de regievoerder

5. een aanvraag opvang VBL gedaan. Verder is eiser genoegzaam bekend met het feit dat hij niet meer in Almere zou mogen komen, hetgeen ook blijkt uit het gehoor van 11 maart 2020 dat is voorafgegaan aan het opleggen van de maatregel. In dit gehoor geeft eiser aan als reactie op het voornemen om deze maatregel op te leggen dat hij blij is nog opvang te krijgen en het verloop van zijn inschrijving en vertrek met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) af te wachten in de VBL. Eenzelfde reactie geeft eiser ook wanneer er wordt gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot het afzien van de maatregel. Ook hieruit volgt dat eiser op de hoogte is van de motivering.

6. Geheel subsidiair, voor zover deze grond zou vervallen, resteren er voldoende gronden en omstandigheden, die de maatregel kunnen dragen.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat, ook gelet op de toelichting van verweerder, eiser uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Hoewel eiser kan worden toegegeven dat de tekst van het bestreden besluit vragen oproept, strekt het bestreden besluit er slechts toe dat eiser, nu zijn asielaanvraag is afgewezen, geen recht meer heeft op opvang van het COA en daarom met ingang van 13 maart 2020 niet meer in de opvang in Almere mag verblijven. Hem is daarom verplicht met ingang van diezelfde datum te verblijven in de gemeente Vlagtwedde. Eiser heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat hij is beperkt in zijn mogelijkheden om contact te zoeken met zijn gemachtigde of de ambassade van zijn land van herkomst, nu eiser zonder meer telefonisch of schriftelijk contact kan onderhouden. Indien contact in persoon noodzakelijk is, kan eiser daarvoor toestemming vragen.

7. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Voor zover eiser om de hiervoor onder 4 vermelde redenen stelt dat verweerder in zijn geval had moeten volstaan met de oplegging van een lichter middel dan een vrijheidsbeperkende maatregel, stelt de rechtbank vast dat de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel een lichter middel is dan de oplegging van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, Vw. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen wettelijk recht (meer) heeft op opvang in Nederland. Door de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel wordt deze opvang alsnog geboden. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij op andere wijze, met een (ander) lichter middel, ook toegang zou kunnen krijgen tot opvang. Verder is er geen grond voor het oordeel dat de maatregel in het geval van eiser niet proportioneel zou zijn. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat de maatregel is opgelegd omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat met de oplegging van het lichter middel in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw toezicht kan worden gehouden of eiser ook daadwerkelijk invulling geeft aan zijn vertrekplicht.

9. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus wordt deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.