Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
C-09-588761-KG ZA 20-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Terechte onthouding status zelfmelder, na nadere onderbouwing afwijzingsbeslissing op de zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/588761 / KG ZA 20-159

Vonnis in kort geding van 25 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.L.A. Rijndorp te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de op 11 maart 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij mrs. M.J. Pelinck en W. de Vries het standpunt van [eiser] hebben bepleit; mr. M.L.A. Rijndorp heeft verweer heeft gevoerd namens de Staat onder overlegging van pleitnotities.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De toepasselijke regelgeving

2.1.

Artikel 6:1:3 van het Wetboek van strafvordering luidt:

"Bij de tenuitvoerlegging wordt rekening gehouden met alle in aanmerking komende belangen, waaronder de veiligheid van de samenleving, de belangen van slachtoffers en nabestaanden en de resocialisatie van de veroordeelde."

2.2.

Voor zover hier van belang houdt het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna 'het Besluit') het volgende in:

"Artikel 2:23

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gevallen waarin een veroordeelde door Onze Minister wordt opgeroepen zich op een bepaalde datum te melden bij de inrichting"

2.3.

De Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna 'de Regeling') bepaalt onder meer:

"Artikel 2:1 Oproep tot zelfmelding

1. De Minister roept een veroordeelde in ieder geval niet op om zich te melden bij de inrichting voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie, indien:

a. die sanctie is opgelegd bij de veroordeling voor een misdrijf als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de veroordeelde geen jeugdige is;

b. die sanctie de toepassing van gijzeling betreft;

c. de veroordeelde voor het ontvangen van de oproep niet beschikt over een betrouwbaar en bruikbaar adres.

2. Onverminderd artikel 6:1:3 van de wet betrekt de Minister bij de afweging om een veroordeelde op te roepen in ieder geval:
a. de aard en de ernst van de vrijheidsbenemende sanctie, alsmede de aanleiding om de
tenuitvoerlegging daarvan aan te vangen of te vervolgen;
b. de mate waarin de rechtsorde is geschokt vanwege het strafbare feit dat ten grondslag ligt
aan de veroordeling;
c. de psychische gesteldheid van de veroordeelde en daaruit voortvloeiende veiligheidsrisico’s;
d. de omstandigheid dat de veroordeelde geen gevolg heeft gegeven aan een eerdere oproep om
zich te melden bij de inrichting;
e. de omstandigheid dat de veroordeelde eerder niet heeft meegewerkt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie;
f. de omstandigheid dat de veroordeelde de vrijheidsbenemende sanctie als jeugdige is
opgelegd."

2.4.

De Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen (hierna 'de Beleidsregels') vermeldt onder andere:

"Artikel 2:4 Oproep tot zelfmelding dan wel de intrekking daarvan

1. Het CJIB/AICE (voorzieningenrechter: het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen, onderdeel van het Centraal Justitieel Incassobureau) beoordeelt met inachtneming van artikel 2:1 van de regeling of de veroordeelde wordt opgeroepen om zichzelf te melden voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie."

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Bij arrest van 2 juli 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, wegens - kort gezegd - als leider deelnemen aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift, feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon en feitelijk leiding geven aan belastingfraude door een rechtspersoon, alles meermalen gepleegd. Met het oog op de aan [eiser] op te leggen straf is in het arrest onder meer overwogen:

"De verdachte heeft geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Terwijl de verdachte wist dat hij handelde in strijd met de voor hem en de ondernemingen waar hij bij betrokken was geldende verplichtingen, laat hij zich uit alsof hij ter zake deskundig is en volledig in zijn recht staat. Dat hij daarbij anderen meesleept in het plegen van strafbare feiten, lijkt hem weinig te deren. De hoogte van het benadelingsbedrag, de duur van de periode waarin de strafbare feiten zijn begaan en de leidende rol van de verdachte wegen in zijn nadeel bij het opleggen van de straf."

3.2.

De Hoge Raad heeft het door [eiser] tegen het arrest van 2 juli 2018 ingestelde cassatieberoep op 17 december 2019 verworpen.

3.3.

Op 31 december 2019 heeft (de strafadvocaat van) [eiser] aan het Openbaar Ministerie verzocht aan hem de status van 'zelfmelder' toe te kennen en de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf te laten aanvangen in oktober 2020.

3.4.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna 'CJIB'), dat bevoegd is om namens de minister voor Rechtsbescherming (hierna 'de Minister') beslissingen te nemen in het kader van zelfmeldprocedures, heeft die verzoeken van [eiser] bij brief van 16 januari 2020 afgewezen. Als reden daarvoor geeft het CJIB aan:

"Alleen als sprake is van zwaarwegende, bijzondere redenen, kan de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing worden opgeschort. Hiervan is in het geval van uw cliënt niet gebleken.

De ernst van de strafbare feiten en de duur van de periode waarin deze zijn begaan, gemotiveerd in het arrest, geven geen reden tot het toekennen van de zelfmeldstatus. Indien uw cliënt een plaats en tijdstip wenst af te spreken om zich vrijwillig te melden op het politiebureau, kan hij daartoe contact opnemen met de politie."

3.5.

Bij brief van 6 februari 2020 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het CJIB om hem niet de status van zelfmelder toe te kennen. Hierop heeft het CJIB - bij e-mailbericht van 10 februari 2020 - als volgt gereageerd:

"Vooropgesteld moet worden dat tegen de beslissing om een veroordeelde al dan niet de zelfmeldstatus toe te kennen geen bezwaar mogelijk is.

Los daarvan merk ik het volgende op. In de brief van 16 januari 2020 is het verzoek tot het toekennen van de zelfmeldstatus en opschorting van de detentie reeds afgewezen. Uit uw bezwaar van 6 februari 2020 zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gekomen die tot een heroverweging van deze beslissing leiden.

De omstandigheid dat de feiten in kwestie meer dan 11 jaar oud zijn, is een rechtstreeks gevolg van het ingestelde hoger beroep en cassatieberoep door veroordeelde zelf. Voor de motivatie van de ernst en duur van de gepleegde strafbare feiten verwijs ik naar pagina 14 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Het CJIB heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat onderhavige zaak hiervoor niet in aanmerking komt. Ik wijs u daarbij op artikel 6:1:3 Sv in samenhang met artikel 2:1, tweede lid van de Ministeriële regeling."

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert zakelijk weergegeven de Staat te veroordelen hem aan te merken als zelfmelder in de zin van de Regeling, mede om te bereiken dat zijn verzoek om uitstel van de aanvang van de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf op juiste merites wordt beoordeeld, met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De Staat (lees: het CJIB) handelt onrechtmatig jegens [eiser] door hem ten onrechte de status van zelfmelder te onthouden. Daarmee past het CJIB het op de zelfmeldprocedures toepasselijke beleid onjuist toe. Het CJIB weigert die procedure op [eiser] toe te passen vanwege de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten, door enkel te verwijzen naar hetgeen daarover in het arrest van 2 juli 2018 is overwogen met betrekking tot de aan [eiser] op te leggen straf. De vraag of een veroordeelde in aanmerking komt voor de zelfmeldstatus kan echter niet enkel - en willekeurig - worden afgestemd op de strafmaatmotivering in de uitspraak waarbij de straf is opgelegd. Het CJIB moet met het oog op de vraag of een veroordeelde voor de zelfmeldprocedure in aanmerking komt een eigen - met het toepasselijke beleid overeenstemmende - afweging te maken. Dat heeft het CJIB nagelaten ten aanzien van [eiser] . Het onthouden van de zelfmeldstatus aan [eiser] heeft voor hem verschillende nadelen, onder andere met betrekking tot de wijze en het moment waarop hij in detentie wordt genomen, de mogelijkheid om urgente kwesties op te lossen en het toe te passen detentieregime.

4.3.

De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

In het traject voorafgaand aan dit kort geding hebben partijen ook gediscussieerd over de aanvang van de executie van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in verband met zakelijke besognes van [eiser] die zijns inziens noopten tot uitstel van de executie. Niet in geschil is dat die kwestie niet aan de orde is in deze procedure, en mogelijk op een later tijdstip weer actueel kan worden.

5.2.

Vooropgesteld wordt dat de Minister (die vanaf 1 januari 2020 formeel beslist over zelfmelderschap) een ruime beleidsvrijheid heeft bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook bij de bepaling of iemand als zelfmelder moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter in kort geding kan dergelijke beslissingen dan ook slechts marginaal toetsen. Dit betekent in het onderhavige geschil dat zal moeten worden beoordeeld of de Minister (lees: het CJIB) in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de zelfmeldstatus niet toe te kennen aan [eiser] .

5.3.

Het door de Minister gehanteerde beleid ter zake van zelfmeldprocedures is neergelegd in de - vanaf 1 januari 2020 geldende - Regeling en Beleidsregels. Artikel 2:1 van de Regeling bevat opsommingen van (i) situaties waarin in ieder geval geen oproeping tot zelfmelding uitgaat (lid 1) en (ii) omstandigheden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de zelfmeldstatus kan worden toegepast (lid 2). Het betreft hier dus geen limitatieve opsommingen, zodat ook andere feiten en/of omstandigheden kunnen meebrengen dat aan een veroordeelde de status van zelfmelder wordt onthouden. De toelichting op de Regeling formuleert dat als volgt: "Afhankelijk van het individuele geval kunnen zich ook andere contra-indicaties voordoen, die dermate zwaarwegend moeten worden geacht dat de veroordeelde niet voor zelfmelding in aanmerking komt." Met het oog hierop is verder van belang dat uit die toelichting blijkt dat met artikel 2.1 geen wijziging is beoogd met het tot 1 januari 2020 gehanteerde beleid, zoals neergelegd in de Aanwijzing executie (hierna 'de Aanwijzing'), maar dat daarmee enkel de in de Aanwijzing geformuleerde relevante feiten en/of omstandigheden zijn gehergroepeerd. Dit staat op zichzelf ook niet ter discussie tussen partijen (zie dagvaarding sub 18 en pleitnota Staat onder 4.4).

5.4.

In bijlage 1 van de Aanwijzing was onder andere opgenomen dat de bijzondere aard en ernst van het strafbaar feit waarvoor aan de veroordeelde straf is opgelegd in de weg kan staan aan het verkrijgen van de status van zelfmelder. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat deze mogelijke contra-indicatie nog steeds van toepassing is. Daarbij wordt nog wel opgemerkt dat - anders dan [eiser] lijkt te betogen - dit argument niet enkel aan de orde kan zijn in geval van ernstige geweldsdelicten (waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld) en feiten waardoor de rechtsorde is geschokt.

5.5.

Blijkens de brief van het CJIB van 16 januari 2020, het e-mailbericht van het CJIB van 10 februari 2020 en het verhandelde op de zitting vormt voormelde omstandigheid voor het CJIB de reden om [eiser] niet in aanmerking te laten komen voor de zelfmeldstatus. Mèt [eiser] moet worden geoordeeld dat het CJIB voor wat betreft de nadere onderbouwing van die reden niet kon volstaan met een enkele verwijzing naar (de strafmaatmotivering in) het arrest van 2 juli 2018. Het CJIB had zijn standpunt nader en meer toegespitst op het toepasselijke beleid inzake zelfmeldprocedures moeten onderbouwen.

5.6.

Tijdens de behandeling van dit kort geding heeft de Staat de beslissing van het CJIB alsnog nader onderbouwd. De Staat heeft - met het oog op de bijzondere aard en ernst van de door [eiser] gepleegde delicten - gewezen op het feit dat [eiser] is veroordeeld wegens het leidinggeven aan een criminele organisatie, het feitelijk leidinggeven aan witwaspraktijken door een rechtspersoon en het plegen van valsheid in geschrift gedurende een periode van ruim tweeëneenhalf jaar. Voorts heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat de strafzaak tegen [eiser] onderdeel vormde van een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek naar op grote schaal gepleegde sociale zekerheids- en belastingfraude waarin vijf personen zijn vervolgd. Daar komt volgens de Staat bij dat uit het arrest van 2 juli 2018 blijkt dat [eiser] tijdens de behandeling van zijn strafzaak geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en dat het hem weinig kan deren dat hij anderen heeft meegesleept in het plegen van strafbare feiten.

5.7.

Op grond van het voorgaande en gelet op het feit dat [eiser] is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, moet in het bestek van dit kort geding worden geoordeeld dat de het CJIB in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat aan [eiser] niet de status van zelfmelder wordt toegekend. Daarmee kan [eiser] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt.

5.8.

Daaraan doet niet af dat de strafbare feiten al (ruim) meer dan tien jaar geleden zijn gepleegd. Daarvoor is allereerst van belang dat niet kan worden aangenomen dat het lange tijdsverloop enkel is veroorzaakt door het 'stilzitten' van de Staat, maar dat daaraan vooral de door [eiser] ingestelde rechtsmiddelen debet zijn. Bovendien blijkt uit het arrest van 2 juli 2018 dat het gerechtshof van oordeel is dat aan [eiser] eigenlijk een gevangenisstraf van 24 maanden zou moeten worden opgelegd, maar dat deze in verband met de overschrijding van de redelijke termijn wordt verminderd met zes maanden. Ook de eventuele omstandigheid dat [eiser] , als niet-zelfmelder, met een zwaarder detentieregime zal worden geconfronteerd maakt de beslissing niet anders. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd staat het toe te passen regime geheel los van de beoordeling of een persoon in aanmerking komt voor de status van zelfmelder. Tot slot kunnen ook de nadelige persoonlijke en/of zakelijke gevolgen van het besluit van het CJIB geen rol spelen. Deze zijn inherent aan de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf en behoren geheel voor rekening en risico van [eiser] te komen.

5.9.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

5.10.

Gelet op die uitkomst zou [eiser] in beginsel moeten worden veroordeeld in de proceskosten. Echter, nu - gelet op hetgeen onder 5.5 is overwogen - dit kort geding mogelijk achterwege was gebleven indien het CJIB zijn beslissing direct deugdelijk had gemotiveerd, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.

jvl